zaterdag 12 december 2009

33. Pi- Pa- Pokhara

En zo kwam het dat wij al snel weer in de space bus zaten vol-on met muziek en ronkerigheid en vlogen met een vaart door de bergen. Het was nog mistig hier en daar maar ver ver weg aan de rand van de horizin heel ver onder ons konden wij al de vage omtrekken zien van het meer van Fewa dat als een tou gespannan lag tussen de grijs-groene bergen. We reden mij onbekende wegen af en na de kam van de berg verkent te hebben doken we ineens naar beneden en geraakten zo weder in de buitenwijken van Pokhara die zich om een diepe modderige kloof heen drapeerden en waar beton klakeloos overal over het zachte geel van de droge valden heen gegoten word. Bij de Banana Garden Lodge vonden wij een thuis, ik en mijn broeder Stephan, of Raj zoals die dezer dagen ook wel bekend staat en lieten onze getaande ledematen en voeten genieten van hun welverdiende rust poze. Toen de vergevorderde blaren en gekneusde schouders zich na enkele dagen, mede met de hulp van wat Stato-Dynamische Yoga gerecupereerd hadden begaven wij ons nu nog maar eens op pad voor een fijne dagtocht, nu zonder bepakking naar het uitkijkpunt van Sarankot. Nou, dat is eigenlijk niet helemaal waar, we gingen voor een wandelingetje en kwamen uiteindelijk een viertal uren later en een kleine achthondert meter hoger daar uit, en dat beschouwden we toen echt als een zeer beschaafd ommetje. Nu was de hemel gekleurd met wolken en dus weinig sneeuw te zien maar toch ontwaarden wij wat spitse neusjes. Beneden zagen we de zware kronkelende armen van de rivier die zich door de reistvelden wond en aan de andere zeide een steile klif begroeid met groen regenbos vol apen en wilde vogels. Het werd al schemerig eer wij aan de afdaling begonnen en weer beloofde ik mijzelf; Gast, daal nooit van een steile helling af na zonsondergang! Bij de allerlaatste loos verdwaalde fotonen die nog ronddwaalden in deze duistere contreien ontrukten wij onszelf aan de sluimerende klouwen van de jungle waar de dag en nacht geluiden nu van wacht wisselden en bereikten zo toch weer veilig de weg. Daar aten wij een van onze laatste Dahl Bath's bij een man op de grond van zijn winkeltje terwijl zijn pientere kinderen ons van hun beste engels voorzagen.
Na enkele dagen hielden wij pokhara wel weer voor gezien en emigreerden naar de randen van het schone meer van Begnas waar wij twee nachten doorbrachten in een drankhol van een hotel aan een bubbelende zwarte sloot verbazingwekkend genoeg vol vissen. Om het hele meer liepen wij heen, wat onds de gehele dag duurde, dwalend door de dichte jungle vol spinnen die gouden draden sponnen, vele reistterassen waar waterbuffels nu weer aan het ploegen waren of landsvolk de oogst aan het opstapelen in grote schoven. Heerlijk was die dag waar wij vaak het spoor bijster raakte maar immer het meer aan onze rechter hand hielden en zo uiteindelijk toch uitkwamen op de plek waar ik tijdens vipassana van had gedroomd te komen. Een paar houten vissers hutten op een grassige heuvel waar kippen de dag aankondigden. Enkele blauwe boten licht dijnend op de zwakke golfslag en mannan en vrouwen die over het water terug kwamen van de verafgelegen markt. Nu konden wij ook het rode gebouw van het Dhamma centrum zien liggen op die uitstulpende heuvelrug boven het meer, omringd door het levende groen en de heerlijke geur van de natuur. We zaten onder de reuzen ficus, beklommen extreem steile heuvels enkel geschikt voor balans-fanaten en zagen de zon verdwijnen in het rode stof van de Nepalese Terai. Van daar zochten wij een bus naar beneden, vonden die, en kwamen zo na een lange dag rijden in Lumbini aan, de geboorteplaast van Gautama de Bouddha.
Daar namen wij ons vertrek op in een van de luxe slaapzalen van het Koreaanse klooster die zelfs electrische bed-verwarming hadden en een blinkend toilet vol mieren broeders. Ook het monniken eten wat ons werd gegeven na het luiden van de bel was niet mis, bruine rijst met heerlijk knaperige groenten, miso soep, salade en vershillende groente ragout's hielpen ons in onze meditatie in de stilte. Het hele complex van Lumbini licht in een prachtig stuk waterlanden natuur vol lange gele grassen en trouwe platte bomen, duizenden vogels en heldere lucht. Daarin zijn hier en daar klootsters gebouwd van de vele verschillende Boeddhistische landen elk in meer of minder hun traditionele stijl. Zo kan je dus goed zien hoe ze allemaal hun eigen invulling hebben gegeven aan de woorden van de Bouddha en hoe dat tot expressie is gekomen. meerdere tempells waren echter nog in aanbouw, zo ook de tempel van het complex waar wij verbleven maar het framework stond er al. En daar in, op de kale betonnen grond weerklonk wederom de hyme ot the Fayeth, zacht en harmonieus en zo zagen wij weder, de beste tempel is een lege tempel. Geen vorm of naam geven aan het vormeloze dat voorbij elke verwoording gaat. Enkel puur het gewaarzijn dat er iets is, laat het open, vrij, en dus in alle schoonheid. Alles is liefde, hoe wil je dat in een beeld vatten? Ook zagen wij de vele monniken en pelgrims in vele verschillende kleuren gewaden in alle scharkeringen oranje, rood, grijs en wit.
Toen was onze tijd in Nepal voorbij en na onze wekenlijkse dag van stilte stapten wij wederom in het ronkgeval en passeerden al snel de grens naar India. Wederom in het land van de Veda's en de miljoen goden. Waar het soms wel lijkt of alle zes en een half miljard mensen op aarde zich enkel in hier bevinden. Zo gouw je de grens over loopt komt je de schroeierige, volle geur van smeulende vuilhopen en kolenvuurtjes je te gemoed Als ook ontelbare koeien, bedelaars en rikshaws, olifanten, honden, chai walla's en een hele golf van oorverdoven kabaal weergalmend tussen de knerpende wielen van een lange stoed volgeladen trucks die wachten om het simpele Nepal binnen te gaan. Is dit een vlucht de gekte in? Nee, in dit geval is het een statige en lang ge-anticipeerde gang richting de Ganges, naar de stad der steden, de oneindige bakermat van cultuur en religie, de stad van mijn dromen, Varanassi.
Voor steef was dit zijn eerste rit per Indiase trein en gelukkig hadden we goed de ruimte als er tenminste niet drie indiase jongens over ons heen gebogen zaten om ons te vragen wat onze 'Goede Naam' dan wel niet was en waar onze Familie tot in de zevende generatie vandaan kwam en waarom we nog niet getrouwd waren. Afgezien daar van was het alles erg prettig en reden we nog diezelfde avond, al was het dan laat, Varanassi binnen, en rees mijn spirit op to grote hoogtes. Yess, yess, I remember this, Oh sweet Varanassi, wat bliss to be able to rest my tired eyes upon your beautifull shores once more. En zo versteek de tijd. Nu alweer drie weken tussen de smalle straten en stegen en dwalend langs de traag stromende rivier op haar roze bedding van eindeloze stenen trappen. Hoe geniet ik van deze plek, hoe voel ik me hier op mijn gemak. Na een poosje zoeken hebben we nu een Yoga leraar gevonden met zo'n aardige zachte stem die ons elke ochtend les geeft en ons er nog een massage gratis bij geeft ook. Raj leert Djembe spelen en ik doe een frevente poging de bamboe dwarsfluit onder de knie te krijgen. We hebben een blauwe kamer waar de zon de hele middag de bedden en vloer doet oplichten in een gouden gloed. Vanaf ons dakterras kijken we uit over de gehele Ganga en de platte landen daar achter en s'avonds gaat de zon onder achter een wil war van vele honderden papieren vliegers in duizend-en-1 kleuren van de kinderen die hun hele jeugd weinig anders lijken te doen dan op hun platte daken vlieger gevechten te houden. En nu, nu is ook mijn liefste vriendin en kameraad en zuster Vita hier aan geland, die ik in dit leven voor het eerst in Israel ontmoette, en mijn dagen zijn gevuld met het licht van de dubbele zonnen. Wat een heerlijkheid om omringd te zijn door zo veel moois, door zo veel liefde en vriendschap. Het is als muziek van binnen die niet ophoud. Ik leer van de woorden van wijsgeren als Sri Sri Ravi Shankar, Sadhguru Jaggi Vasudev, Milarepa en Ramana Maharishi en leer de wijsheit te zien in een ieder waarvan ik he zegen heb die te ontmoeten. Onderlings zijn we allemaal verbonden, ons zelf leren kennen is ook het leren kennen van de zielen om ons heen. Er weerschalt muziek vanuit elke hoek en de viberaties dringen door tot diep in de kernen van onze genen. Een grote relaxatie vind plaast. Bevrijd, bevrijd jezelf van gedachten en laat je zon stralen, je licht, dat je bent, lach en voel die warmte in je hele systeem rondsuizen. Ik houd van jullie, ik houd van mij, Alles is liefde, Aummmm Aummm Aummmmmm Shanti........

donderdag 26 november 2009

32.5. Ein, Zwei, Drei...





zondag 15 november 2009

32. Annapurna

Yaa, crazy Kathmanduu, Zo veel lawaai en stof en enkel midden in het holst van de nacht stilte, enkel verbroken door het geblaf van roedels wilde loslopende honden met kwijlende zwarte bekken en plukkige vette vachten. Mediteren in het duister en ontwaken in deze wereld bij kaarslicht met mantra's en innerlijke vrede. Toen we ons boeltje dus bij elkaar hadden maakten we ons maar op om er opuit te trekken, maar zeker niet voor ons respect gebracht te hebben aan te stupa's van Swayambunath en Bouddha. Zo gingen we dan nu samen, Stephan en ik in de all dolpa surround VCR Bollywood driving expirience, oftewel, de Local bus. Het duurde zoals gewoonlijk een tijdje om de constipatie van de stad uit te komen maar uiteindelijk waren we dan toch op weg en sneden ons een weg door de groene bergen van de lage himalaya, absoluut geen tijd verspillend aan dingen als remmen of je aan je eigen weghelft houden, wie wil dat nou? Zo kwamen we dus tegen het einde van de middag aan op onze bestemming en niet ver meer van het begin van onze wandeling. In een vreemd buitenwesten achtig dorp zonder stroom en met een stel dorpelingen die karton in een vlammende ton aan het werpen waren sliepen wij en rezen nog voor de zonsopkomst voor de eerste bus naar de echte bergen. Halverwegen stopten we voor een korte pauze en daar was een enorme Banyan boom met vele zijstammen en een hoge groene canopij met dikke stevige bladeren. En daar onder, tussen het schemerige morgenlicht geweven hing een meesteres der spinnen in haar reuzachtige web van zeker vier voet doorsnee met vele delicate omwendingen draad en zij zelf in het midden, lang rood gestipt lijf met poten als een hand, harig en scherp, als een kruis biddend op een verloren ziel van een prooi. De zon klom gastaag omhoog en voor deze haar zenit bereikt had waren wij bij het begin van onze wandeling in Besi Sahar. Vanaf hier planden wij geheel om het massief van de Annapurna's heen te lopen, op onze sandalen wel begrepen. We begonnen dus maar en liepen door het nu nog groene weelderige landschap vol insecten en vogeltjes en menig kronkelend liaan. Tussen de nu gelende rijstevelden vonden wij ons eerste nachtverblijf nabij een grote grijze steen en probeerden nu entausiast onze vers gekochte slaapzakken uit. Toen de eerste zon op de hoge toppen viel gingen wij weer opweg en hervolgden ons pad door de al maar nauwer wordende vallei waar in de diepte de heerlijke melkachtig blauwe rivier stroomde die zich zeker nog pas enkele ogenblikken geleden van de Gletcher optrukt had. We stegen en kwamen over een heuvel vol schattige huisjes en vele koeien en andere dieren, ook weer de vele bekende muilezel caravaans. Elke dag vorderden wij een beetje verder langs de rivier tot de wanden van massief steen zich geheel om ons heen leken te sluiten en er enkel nog een nauwe kloof over bleef waar met vereende krachten kunstige paden doorheen waren uitgehouwen die de doorgang mogenlijk maakten. Het werd nu al fris in de morgen en zodra de zon verdween achter de bergrand in de namiddag en het wassen van ons zelf werd een ijzige ervaring die we maar het liefst vermijden. Na enkele dagen gingen we een hoek om en kwamen in een bredere vallei waar de invloed nu steeds meer tibbetaans boeddhistisch begon te worden met hier en daar Chortens en gebedsmolens als wel als witgekalkte poorten voor de grotere dorpen en huizen getooid met vele gekleurde gebedsvlaggen die de goede gebeden door de wereld verspreiden. Ineens was ik Stephan kwijt maar al gauw bleek dat hij een ander pad had ingeslagen om zich via boomwortels en takken over de rivier geslingerd te hebben en zo zag ik hem algauw staan aan de overkant die ik toen met een bruggetje bereikte. We maakten een geweldige klim en kwamen zo in de regionen van het wolken bos dat vol bromelias en baardmossen is en waar het late licht atmotfeerisch door de toppen van de ceders scheen. Tenmidden van dit bos, aan de overzijde van een klein stroompje vonden wij een thuis bij de houthakkers famillie in het bos waar alle meubels degelijk en zelf gemaakt waren en de bedden zacht en warm. We werden inmiddels erg vernuftig in het afdingen en kregen dit alles plus ontbijt dus voor een habbekrats, wat onze stemming en zeker niet minder op maakte. Nog voor het eerste licht de smetteloos witte pieken roerde die voor en achter ons oprezen boven de donkere toppen van het wolkenwoud stonden we al weer min of meer op het pad voor een lekkere ochtendklim in de vrieskouw maar werden hartelijk beloond door het mooie bos dat nu ook rode berken en populieren begon te bevatten die samen met de rode wingert het bos in vuur en vlam zette, als ook de piepkleine maar oh zo heldere blaadjes van de kleine duindoorn die als bommetjes de heuvelzeide verlichte. Nu kwamen we boven de 3000 meter en waren de daken van de huizen weer plat, net als in Ladakh. Nu stonden er vele Yak's in het veld om het laatste gras te verorberen dat was overgebleven na de oogsten van boekwijt en gerst die nu in hopen te drogen lagen op de daken en werden gedorst door middel van een drietal koeien of buffels die als maar om een paal heen lopen, het graan onder hun hoeven plettend. We sliepen bij een familie Sharpa's in huis in hun grotachtige achterkamer veilig verstopt ver van de bijtende wind en gruwelijke kou die hier zeker heerst al de winter eenmaal intreed. We aten zoals elke dag Dahl Bath Tarkari wat rijst met linzen en groentekurrie is onder het 'all you can eat' princiepe en genoten van de warmte van het lemen fornuis dat tevens als verwarming diende midden in de keuken. Nu was het volle maan en stonden we oog in oog met de grote bergen van de Dhaulagiri. Drie van de vier Annapurna pieken rezen nu recht voor ons op, geheel in sneeuw bedekt laaiend in het maanlicht. Het lijkt wel of hun werkelijke formaat niet overdag ingeschat kan worden om zich enkel s'avonds bloot te geven in volle glorie, grandiose en meesterlijkheid. Je kon er zo lang naar kijken als je wilde, met Orion en Sirius boven je hoofd, het hield niet op ongeloofelijk te zijn. We trokken voort en kwamen door het gehucht Manang wat het grootste op deze rand van de aarde is en gingen nu echt het No Man's Land in. Enkel nog wat veredelde Yak schuren kwamen wij tegen met hun bewoners die zich bij dit weer nog heerlijk voelen op de hoge berghelling, ook s'nachts op 5000 meter bij min tien. Goed na Yak Kharka werd het landschap al maar droger en dorrer en stegen we boven de boomgrens uit en belanden zo in Thorung Phedi op ongeveer 4200 meter. Daar bibberden we twee nacten om te acclimatiseren in onze slaapzakken en een stapel dekens en vonden zo ook uit dat met name mijn slaapzak niet zo maar een slaapzak was, maar een tover slaapzak. Het was namelijk zo dat, als mens ging je er in, en als kip kwam je er weer uit! Dat is nog eens magie! Gelukkig hadden we redelijk wat vogelzaad bij ons in india ook wel bekend als Dal Muth en dus liep het gelukkig allemaal nog goed af. De kippenzak weer veilig in zijn hoesje gepakt en de zakken op de rug gehesen maakten we nog een vastberaden koker alvorens een poging te wagen naar de pas. Zo gezecht zo gedaan, gevuld met Tsampa en gewapend met super voedsel van een vertrokken klimgroep dat ons sterk aan walvissemen deed denken begonnen we omhoog. Het was pas net licht en nog bitter koud maar al na enkele minuten voelden wij geen kou meer sinds we ons tegen een plus 50 graden helling aan het opwerken waren, een puinhelling van los grint en stof van enkele honderden meters hoog. Met aandachtige ademhaling en ritmisch lopen ging het heel aardig en was het eigenlijk als een diepe meditatie waarbij alle gedachten weggebrand werden door de intense inspanning en het gebrek aan zuurstof op deze hoogte, nu nog maar zo'n 50%. We bereikten algouw het far out of the way Base Camp van een op andere piek en toen we opkeken merkten we dat we nu geheel omringd waren door witte sneeuw landen en stenige pinakels op oog hoogte. Ook de zon had ons nu bereikt en dus gignen we verder over een mega morene en verblindende ijsvelden tot we rond het middaguur op het zadel van de bergen kwamen en op Thorung La, 5416 meter. Een wirwar van flaggetjes, bergbeklimmers, ezels, tenten, fotograferende toeristen en een hoop vertrapte sneeuw wachte ons op, alswel onze laaste zuur bewaarde morsels pinda's en chochola, nou en die smaakte ons goed. Maar voor we ons daar aan te goed deden liepen we eerst drie maal om de hoop al daar verzamelde stenen heen en voegden er ook zelf een aan toe, zo hoort dat uit respect. Toen stoven en gleden we weer naar beneden aan de andere kant sinds we nu toch wel wat van hoofdpijn begonnen te ontwikkelen en deden op weg naar beneden ook nog een lekkere portie sneeuwblindheid op die alle bergen en ook de sneeuw toch wel een heel apart psychedelisch kleurtje gaven. Het afdalen was eindeloos en stil, en we zagen voor ons het bruin stoffige dal van Mukhtinath met daarachter de wijde oude vallei van de Kali Ghandaki, de zwarte rivier. Weer een heleboel vlaggen in spinnenwebben op de rotsen en een wild heide landsschap of iets wat daar voor mij op leek, maar dan in de bergen. Mukhtinath was niet echt een parel uit de kroon aangezien het redelijk volgeplempt staat met een toeristen bazaar maar voor nu deerde het niet en lieten we enkel onze kuiten rusten op zo'n 3700 meter. Toen we bijgekomen waren maakten we een wandeling door de prachtige omgeving waar het nu volledig herfst was, waar sommige bomen al kaal waren en de bladeren in gele hopen op de grond lagen die ritselden als ik er doorheen liep. Oh hoe mis ik de herfst. Het bruin en rood aan de bomen, het beige van het land, de frisse wind en de stormen en het tot rust komen van het land. Op enkele van de vele terassen werd nu al geploegd met ossen en het wintergraan gezaaid. De Ne netjes in de geul verspeid door een geoefende vrouwenhand terwijl haar man de ploeg kaars recht houd en hun duimeling ons van de kant af toe Namaste'd. We liepen door verstilde clusters van huizen, waar het in de stegen enkel van kinderkreten ontbrak en de oude huizen nu soms in verval zijn. Maar waar ook nog zo veel leven is, en dood. Het word winter en dus werden overal Yaks omgelegd, op de Bouddhistische manier, hoe vreemd dat ook lijkt, zonder bloed en met minimaal lijden. Ik heb in het oog van de Yak gekeken terwijl het licht zich daar naar elders begaf. Ik het het verzet gezien, en de strijd. Maar ik zag ook de Tao van dit alles en het leven dat transformeert en de natuur die zijn weg heeft. En wat ik naderhand enkel nog kon zeggen was; Waar is de Yak? Van deze stille landen daalden wij al gauw weer af, geplaagd door de kouw en geraakten zo in de Kali Ghandaki, de spleet die al bestond voor dat de Himalayas zich op deze plaats verhieven. Heel anders voelde het hier dan aan de andere zijde van de pas. Veel breder was het dal, met een wijde rivierbedding vol stenen en kiezels met slechts een smalle stroom die zich vanaf het droge Mustang een weg zocht door het grind. Je kon nu zien hoe de bergen al gauw ophielden richting het noorden waar achter Tibet stellig licht. Geen planten groeiden er nu vrijwillig aan de hellingen en mijn lippen barsten op de wind. Maar er was soelaas in het vooruitzicht van onze ontberingen en naarmate we daalden werd ook het klimaat aangenamer. Een nacht bleven we in het schone Marpha waar alle huizen wel op elkaar gestapeld leken als in een Marrokaanse Kashba met hun platte daken aaneensluitend en overal stapels brandhout op de muren gestapeld. Ezels die ergens onder een afdakje stonden te mediteren zoals ze dat zo goed kunnen en een klooster dat hoog boven de wirwar van witte huizen uitrees. Wij sliepen in een familie huis waar ook de appeldroging op volle toeren draaide op het dak en alle familileden, jong en oud aan het schillen en snijden werden gezet. Toen gingen we een hoek van de bergen om en waren we ineens weer in de jungle, en was de warmte weer terug, oehh was dat even goed. Genieten van slapen met je voet uit het bed zonder dat hij er meteen vanaf vriest of dat je met ijsbloemen op je handen loopt als je even wat hebt afgewassen in super-gecoold water. We bereikten Dana en ontmoeten daar ene Baba Yoshi die ons vanaf toen de weg heeft gewezen door de gematigde bergen. Soms niet bepaald de kortste weg maar toch wel de leuktste bij uitstek. Voor we het wisten waren we al in Tato Pani en groeide de reuze bamboes ons al weer om de oren. Ook dit is een redelijk makeshift dorpje ge-mushroomed op de toeristen industrie maar het water is en niet minder om en daar lieten we ons dan ook minstens enkele uren in weken om het opgespaarde vuil van de afgelopen tijd er goed af te weken war soms een licht knosperend geluid gaf, de korstjes die afvielen, jawel het was heet water wel te verstaan. Nu hadden we de echte hoge pieken al weer ver achter ons gelaten en de warme vochtigheid werder omarmd maar voor ons lag nu nog een pittige klim over een heuveltje van zo'n 3 kilometer. Een laatste blik op de lange vallei van de Kali slaand en onze rugzakken weder op onze inmiddels getaande ruggen werpend gingen wij dus maar weer verder, die brave Steef, inmiddels hernoemd als Raj door een aardige maisboer met Nepali Special in zijn zak, en ik (niet in de zak, gelukkig). Zo zwoegden wij ons omhoog, af en toe op onze half vergane kaart turend, en soms ook het pad gadeslaand, maar niet goed genoeg blijkbaar want ergens na de lunch raakte het pad ons goed kwijt, of wij het pad, daar waren we nog niet helemaal zeker van, maar na Baba Yoshi geraadplaagd te hebben als mede een locale geitenhoeder die ineens uit de jungle boven ons verscheen besloten we toch vastberaden voor avontuur en vervolgden dus onze weg recht door de jungle, over veldjes, door doornstruiken en langs buffelpoeltjes en dat alles op een toch wel steeds steiler wordende helling. Wonderbaarlijk genoeg kwamen we uiteindelijk toch heelhuids (nou ja, niet onze voeten maar dat kwam meer door de blaren dan door de rotsen) aan tenmidden van een gersteveld en zagen daar huizen, en, jawel, de weg. Zo continueerden we onze klim om tegen de schemer weer ergens neer te strijken in een of ander klein dorp op een hard bed, maar oh zo gekukkig. In de morgen ging het verder omhoog nu door het grootste Rodondendhron bos ter wereld wat ook wolkenbos was en waar het vol was van vogels en de lucht heerlijk vers. De zon werd ons ontnomen door een dunne wolkensluier die ook de volgende dagen hangen bleef. Op een gegeven moment kwam er zelfs wat van neerslag uit maar wij lieten het ons niet deren en daalden na de pas van Yak kaas en brood rap af door het schitterende bos vol rood en groen en geel en heldere klaterende bergbeken die over rotsen klotsten en vielen en kolkten in schone diepblauwe poelen die er om schreeuwden om in gezwommen te worden. Maar, mij niet gezien, veelste koud. Dus namen we de trap van 3200 nogwat ongelijke stenen treden en raasden naar beneden. Dit was bijna het einde van onze looptocht. Na nog een nacht in een houten hok zonder plafond bij niet zo gewillige gastheren was het de volgende morgen nog maar een klein endje naar het begin van de autoweg dat we snel aflegden. De huizen hadden inmiddels weer gespitste daken van hout of lei. Yaks waren ingeruild voor zwarte vreemdgehoornde koeien. Droogte maakte plaats voor sappigheid. En voor ons maakte de hoge wilde bergen weer plaats voor de chaos en gekte van de stad, in dit geval Pokhara en het meer van Fewa waar nog immer de vissers in hun blauwe boten varen in de ondergaande zon en de heuvels mistflarden dragen als exquise grijze boa's. Wat een prachtige tocht was dat. Wat een droom van herinneringen en indrukken. Wat een schoon leven van eerlijk werk en echte producten. Wat ben ik een geluksvogel om zo even de herfst meegemaarkt te mogen hebben die ik vaak zo mis in de tropen, en ook een geluksvogel om hier uberhaubt te zijn. En wat een prachtige ervaring om hier met zo'n vriend te lopen die elke dag verder ontpopt na zoveel jaren van opsluiting in de westerse matrix en wat ben ik gelukkig om te zijn, om te leven en om elk moment te kunnen vieren. Wat is deze wereld een wonderlijke droom met al haar kleurige facetten en fases en stromen van emoties en gevoelens. Een rivier die al maar veranderd en nooit dezelfde is. Een leven, een explosie bevroren in de tijd. Wat ben ik blij, om te Ademen.

zondag 20 september 2009

31. Goed Geluk

Zo, dat was een lange blog-stilte, maar nu weer een verwoede poging om mijn meest recente omzwervingen in woorden te digitaliseren, kort en bondig. Na nog een aantal nachten in het heerlijke Vashischt met haar bronnen en beboste hellingen, houten huizen en goedaardige dorpsbewoners, als wel als een gijsharige Baba met wie we enkele keren rond het vuur zaten, zat mijn repoos er op en was het al weer tijd voor mij om India wederom te verlaten vanwege mijn visa perikelen. En dus nam ik op een frisse sterne namiddag de bus vanuit manali waar de late zon wolken roos verlichte waar ze zweefde boven de grillige toppen van de donkere berg. We zoefden door de nacht en geraakten zo zonder veel oponthoud in Daramsala, maar dan wel om vier uur s'nachts. Nou is er niet bijster veel te doen in Daramsala om vier uur in de ochtend maar toch was er al een stelletje mannen wakker die op een hoekje chai stonden te maken die ik met wat Tsampa uit mijn tas veranderde in een heerlijk warm en welbehagend ontbijt. Ik herinnerde me deze plek nog redenlijk goed van zes jaar geleden en liep dus na een poosje naar het nabije Dharamkot, door het duister, door het grote stille bomen bos. Nog altijd was het duister toen ik daar geraakte en uit de vallei klonk een jammerlijk doordringend gekerm op vermoedelijk van een sterfgeval. Ik liet me er niet zo door storen en ging op een open plek zitten om de morgen af te wachten. Dat was niet lang meer en al snel verbleekte de vele sterren en de maan todat aleen de Oh zo heldere Jupiter nog fier aan de hemel stond te blinken tot net voordat de zon achter de horizon tevoorschijn kwam. Nou bleek al gauw dat ik weer eens op precies het juiste moment was komen aanzeilen en dat er al de volgende dag een drie daags seminar van de Dalai Lama zou zijn hier in zijn eigen tempel wat redellijk uitzonderlijk is. Ik schreef me dus maar in en zat zodoende de volgende morgen met een vers gescoorde radio aan mijn oor (om de vertaling uit het Tibbetaans te kunnen horen) tussen de vele andere duizende van ieder soort en kleur, maar toch ook overwegend veel diep rood en zonnegeel van de monniken en nonnen uit Tibet. Zo was ik daar voor drie dagen en het dorp was in rep en roer. Maar zoals ik al schreef liep mijn geoorloofde verpoos te einde en dus daalde ik nu af van de Himalaya naar de vlaktes van Punjab, per trein. En niet zo maar een trein, maar een smalle baan trein die zich over honderden bruggen en vele tunels door het vruchtbare sappige groen bewoog al dan niet op een al te hoog tempo. En zo legden we in de volgende zes uur de 141 kilometer af naar Pathankot, een groot kruispunt van vele wegen.
The road goes ever on and on,
down from the door where it began.
Now far ahead the road has gone,
And I must follow, if I can.
Pursuing it with eager feet,
Until it joins some larger way.
Where many paths and errands meet,
And whither than, I can not say.
- J.R.R. Tolkien -

In de chaos van Pathankot verbleef ik voor de nacht, en ontbeet met mini poerie's, wat erg schattig was ookal wemelde het er van de vliegen. Toen weer in de trein en op naar Amritsar, de hoofdstad van de Sikhs. Laat geen kwaad woord gesproken worden over de Sikhs, ze waren werkelijk aller vriendelijkst. Er was een gratis slaapzaal, gratis water, gratis eten in een gigantische maschine van een keuken. En alles was on-Indiaas schoon.
Blinkend schone vloeren van glad wit marmer versierd met vele figuren en nagedachtenissen aan Sihks uit de hele wereld. Ik voelde me al heel lang aangetrokken door de gouden tempel in haar schone spiegelvijver, en nu was ik er dan toch beland. Er word constant shanti muziek gespeeld wat het zingen van hun heilige boek is, die word beschouwd als een levende Guru en de hele omgeving is prettig en vriendelijk. Vele malen liep ik rond de grote vijver en bewonderde het schitterende juweel van de tempel in haar midden. het was ook hier toevallig weer een festival en het was er dus afgeladen met vele kleurige betulbande tiepes, sommige met hele sabels aan hun zeide en blauwe flapperende gewaden en rijkelijk bezette gordels. Wat een statige lieden die Sikhs, echt zo uit een oosters sprookje. De keuken is een wonder op zich en voed naar hun zeggen meer dan dertigduizend mensen per dag. Het eten is wel simpel maar gaat rap. Je zit met honderden op de grond in lange rijen en eten word op je bord gegooit in razende vaart. Dan ga je naar beneden waar een geluid vandaan komt alsof twee razende orklegers met volle vaart op elkaar in rennen of alsof een bulldozer over een hele berg golfplaat heet dendert. Het is de afwas die door vele honderden handen tegelijkertijd gedaan word in verschillende bakken en er word gesmeten en gegooit met de vaat dat het een lieve lust is. Behandel de vaat met zachte hand is er hier niet bij, tempo! Maar alles gaat in zo's spirit van vreden en goodwill, ik vond het echt zeer plezant. Ik liet de witte tempels weer achter me en ging nu echt op Nepal aan, weer. De zelfde grens, zelfde verkeers chaos, zelfde hitte, maar een andere tijd en objectief, Vipassana. De nacht bracht mij veilig naar Pokhara waar ik een week mijn tijd afwachte aan de kanten van het groene koele meer. Weer was het net festival tijd, Dasain was het en overal verrezen grote bamboe schommels waar door de kinderen verwoed op geschommeld werd tot laat in de avond, mensen liepen met reuzachtige tika's rond van rode rijst en witte pasta soms wel zo groot als een halve golfbal, erg fraai allemaal. Pokhara met haar bootjes en vissers, riet, koeien en waterbuffels, en het levendige bos. Het heerlijke bos wat de jungle genoemd word die ik hier en daar verkende met een stevige wandeling naar de kam van de heuvel, daar waar de beek uit de grond kwam opwellen. Naar de kam door de velden van droge stopels waar nu man en vrouw gras aan het snijden zijn voor de komende winter, of het droge seizoen. De kam vanwaar je geheel Pokhara kon zien en ook de bergen. De wonderlijke bergen die verstoppertje speelden met de wolken en tegen de avond een rij ongeloofelijke donderkoppen tevoorschijn bracht die oplaaide in het oranje vuur van de zon en ons in de nacht bereikten om de bananen planten buiten mijn raamen te doen zwiepen en buigen om er in de morgen verfomfaaid bij te staan. Die rotsige kam, waar ik als een ongekend koning op de stenen trans mijn plaats deelde met een meester van de wind, kraalogen en vlerken zwart met een illuster blauwe gloed. De week in Pokhara paseerde en ik poogde mij voor te bereiden op wat komen ging. Maar is het echt mogenlijk je op zo iets voor te bereiden? Mischien een beetje, hoe dan ook, op een goede morgen liet ik mijn meeste goed achter onder het bed van mijn hospita en trok naar het meer van Begnas, een dozijn kilometers buiten de stad zoals de bergkraai vliegt. Op een uitstekende heuvelrug hoog boven het oppervlak van het meer vond ik het roodgekleurde retraite centrum en was gelukkig nog op de juiste dag ook. Die avond begon de stilte, ookal was het dichte bos om ons heen nooit stil van de cicaden en krekels en de uberluide alarmkevers die al bij het eerste straaltje licht lieten horen dat ze weer een nacht overleefd hadden met een oorverdovend gesnerp. Om vier uur in de ochtend rezen wij voor tien dagen lang en werden door middel van meditatie en ademhaling de diepere regio's van ons bewustzijn in geleid. Meer dan tien uur per dag zaten wij in de Dhamma hal en leerden de weg van de Gautama de Buddha. De weg van de vrede en compassie. De weg van een eerlijk leven en van het leren kennen van jezelf. Tien dagen waren wij in stilte met een mens of vijfentwintig ondergingen wij dit innerlijke experiment. Het expiriment van Vipassana, dingen zien zoals ze werkelijk zijn. Veel woorden vallen er over uit te storten maar zoals de Buddha al zei, je moet het ervaren, woorden brengen je er niet. Ik raad dus een ieder aan die er meer over wil weten het zelf te proberen, ik heb de website hier boven in het lijsje gezet. Over de pijn van het zitten kom je wel heen, en juist die pijn kan zo een hulp zijn om dieper in jezelf te duiken. Geen verzet, geen lijden, acceptatie en rust. En meneer Goenka liet ons lachen en verwonderen over onze eigen onwetendheid en fasineerde ons met de wijsheid van de Dhamma (Dharma). Ik vond het een onwaarlijke ervaring en wie weet word deze nog vervolgt. Ik mediteer nu in elk geval een stuk meer dan eerst en probeer constant de wereld te voelen, te ademen in bewustheid en lief te zijn voor alle wezens om mij heen. Op een zonnige morgen waarbij de hele Dhaulagiri bergketen voor ons zichtbaar was werden wij weer vrijgelaten in de buitenwereld en ook dat was een wondere ervaring. Zo schoon en kleurig leek de wereld. Maar ook zo onwerkelijk. Wat een wonder, een wonder. Terug naar Pokhara en slapen en zijn in de Boedhistische gompa aldaar met zo veel vriendelijke gezichten die mij aankeken als ik uit de stilte van mijn meditatie kwam opgedoken. Nou ja, stilte, het gekwetter gaat gewoon door ,maar het raakt me op een of andere manier nu minder dan eerst, en ik ben meer gewaar door middel van mijn zintuigen. Maar ook dat was Anithya of tijdelijk en zo vond ik mezelf twee dagen later al weer zeilend bovenop de bus richting Kathy (Kathmandu) terwijl de onwerkelijke witte muur van de Anapurna Himal achter mij verdween, maar het duurde een hele tijd en ik heb meerdere keren mijn nek verdraaid om het sureale spectakel dat ze waren te aanschouwen. Kathmandu begint met een langen trage opstopping op s'lands enige tweebaans 'snelweg' en die duurt eigenlijk wel gewoon voort tot in het centrum van de stad. Maar ik houd van Kathy, het heeft iets. Een diepgewortelde athmosfeer, een huiselijke geur, een charme die ik nooit faal op te pikken, en nu ook een vriend. Jawel, mijn goede vriend en broeder Stephan heeft na vele jaren slavernij en bondage de schakels van het westen van zich af gegooit en is voor het eerst op de bonnevooi op reis gegaan, en ik mag hem hier in de fijnere kneepjes van de kunst inwijden. Zo kwam hij geheel vers en nog geurend naar het Europees continent de deur door, en is hij nu al weer een aantal dagen hier, en weet inmiddels het verschil tussen een puri, een chapatti, een naan en een parotha, als wel de reden waarom Nepal Nepal is. Hij, en ik ook wel vielen weer eens met onze neus middenin de ghee want het is nu Deepawali festival wat vijf dagen duurt en gepaart gaat met een hele hoop feeselijkheid en versierde straten. Het is het lichtjes feest en in de avond, waneer de stroom uit gevallen is zijn alle huizen met boterlampjes versierd, voor de deur en in de kozijnen en er worden prachtige rozetten en figuren op de stoepen gemaakt om Laxmi, de Godin van de overvloed te verwelkomen en er is veel vuurwerk. Vanmorgen toen ik uit mijn slaap geknalt werd begon er een fantastische optocht van wat mij de vele verschillende stammen van de omgeving leken. Allen hadden ze net weer iets andere kledij en de meisjes en vrouwen hadden echt de meest spectaculaire versiersels aan, op hun hoofd vooral. Het ging gepaard met veel getrommel troepen heldere fluitenisten en af en toe een klarinet. Het hele Durbar plein was vol met mensen en er werd ook met lange bamboes gezwengeld waaraan yakstaarten en vlaggetjes bevestigd waren. Het was een feestelijke bedoeling en vandaag gaan alle broers bij hun zusters langs om daar hun band te versterken en krijgen dan touwtjes om hun polsen geknoopt als teken van zorg. Zo ben ik alweer aan het einde van mijn verhaal, maar niet aan het einde van mijn weg. Mijn haar blijft groeien en in nu al weer minstens een centimeter. Vier het leven, vier jezelf, je bent mooi en goed, wees een bron van licht in je wereld, ken je bron en ken jezelf, dan kan je nooit meer iets gebeuren.

woensdag 2 september 2009

30. Aum Shanti

Zo, nadat ik Aniet, mijn lieve moedertje weer op de vliegmachien had gezet was ik nog een dag of twee in Delhi en plande mijn ontsnappingsroute. Delhi met al haar koeien en rikshaws, getoeter, treins en oude zwarte ambassador taxi's. Maar de tijd kwam, het was druk en vochtig, maar de trein verscheen uit het duister met eerst een lange doordringende HoooT en al snel verdwenen de lichtjes van de stad al door de betraliede ramen van de tweede klas slaaper. Ik had het laatste kaartje weten te bemachtigen in de touristen klasse en zat zodoende met twee jonge uitgelaten en immer beleefde Japanners, een Duitser in zwarte gestapo jas en leger kisten, een poetische Spanjaard met een gedichten bundel vol magisch Spaans, een groene Oostenrijker, een Ier en ik zelf in de couchette, nou ja, ik bedoel het
hedendaagse yoga opleidingen aan de voeten van de machtige Himalaya. Maar de trein ging niet zo ver als dat en zo belande ik eerst in de vroege morgen in Haridwar. Ook dit was een heilige stad en zat vanwegen de vakanties totaal vol geboekt dus liep ik maar wat rond en voor ik het wist belande ik met rugzak en al in een gondel en werd zo de berg op gehesen. Daar boven tussen een woelige menigte allemaal in de weer overal rode touwtjes aan te binden en rode pasta op pilaren en beelden te smeren, alles voor het vergaren van veel goede Karma. Ik was helemaal niet uit op enig Karma dus liep er maar wat in stilte rond tot ik een leeg zaaltje vond waar in schemerig licht een beeltenis stond van het wezen die wellicht wel eens, in een ver vorig leven mijn Guru geweest zou kunnen zijn, Shri Shankaracharya, met zijn kale hoofd en simpele oranje gewaad en immer die heldere eerlijke ogen. Nou leefde hij meer dan duizend jaar geleden dus weet niemand presies meer hoe het fysieke omhulsel van deze geest er uit heeft gezien, maar dat doet er ook eigenlijk natuurlijk helemaal niets toe, ik heb iets met die figuur. Zo zat ik even in zijn schemerige lege kamer op de grijs marmeren vloer in eerbied voor deze verkondiger van het monoteisme, alvorens weer af te dalen door de mot regen en op een modderige weg door de jungle te belanden waar ik me erg prettig voelde. Er waren bosvogels en salamanders en alles leefde en ademde er. Het was op de zeide van de berghelling maar toch kwam ik meerdere scheenhoge olifant hopen tegen die er nog erg vers uitzagen. Zouden hier dan olifanten huizen, maar die wonen toch niet in de bergen? Whatever, ik daalde af naar de rivier, de Ganges en was daar op de vele ghats of getrapte oevers. Het was daar een waar bad festijn vanwegen de verjaardag van heer Krishna en er werd geplonst en gedoken en gespat, en het water stroomde stevig wegens de recente regens en de geofferde bladen met lampjes, bloemen en wierook erop werden rap verslonden door de woelige bruine stroom. Ik dipte mijn tenen er in voor ik weer door ging en na een bezoek aan het kolosale Shiva beeld aan de overoever dook ik in een van de post-industrieel ogende mega rikshaws en tufde alzo naar Rikshikesh. Het licht letterlijk in de schoot van de Himalaya's, of tussen de tenen, maar net hoe je het wilt zien, maar het is er groen, deze tijd van het jaar in elk geval. Ik was met het plan gekomen hier iets van yoga te doen maar vond algouw dat ze zich hier wel erg serieus nemen en prefereerde zodoende de rust en balans van de beboste bergen vol lianen en groene kool en rijst terassen vol gele en witte kwikstaarten, beo's en andere leuke vogels. Er waren rotsen totaal begroeit met lange grassen waar ook bomen uit oprezen vol lange spinakige wortels die het natte steen omklemden en op de terugweg van mijn fijne wandeling langs de Oh zo heldere, wit bruisende prana stroom van een rivier schoot er zelfs een lange zwarte slang over mijn pad. Wat een vaart! Nooit voor mogenlijk gehouden dat die dieren zo'n snelheid kunnen bereiken. Nou toen was mijn dag natuurlijk wel gezegend, en toen zag ik ook nog iets van een kwikke bruine slechtvalk als toetje er bovenop. Ik ging toen op een ontdekkings tocht naar Gaurikund wat ik enkel bereikte na een brilliante busrit door wilde steile bergen vol bos en steen en nauwe rotsige spelonken met natuurlijke rivierbeddingen waar elke stroom weer zijn eigen kleur had. Steeds hoger kwamen wij tot we aan het einde van de weg kwamen en in Gaurikund. Dit is het begin van een 14 kilometer lange wandeling naar een van de bronnen van de Ganges en leid tot vlak aan de mond van de Gletcher anderhalve kilometer hoger. Maar in Gaurikund was een hete bron, een heel bad eigenlijk en het eerste wat ik dan ook deed voor ik in de morgen op stap ging was me daar in laten zakken en verwennen door de gift van moeder aarde. Toen ging het omhoog, over een proper pad van gelegde leistenen vol ponny's voor hen die niet lopen willen en soms een voorbij haastende draagstoel gedragen door vier jonge kranige mannen met opgerolde broekspijpen en bezweten ruggen. Maar rustig trok ik omhoog en het bos veranderde van dik tropisch naar laag en wolkenbossig en uiteindelijk enkel nog alpine planten en vele kleurige bloemetjes die zich tegen de rotsen een plakten en vele soorten prachtig korstmos. Steeds slingerde het pad omhoog door een diepe vallei waar aan weerszeiden steeds vele hoge watervallen naar beneden kwamen storten en een imitatie van het paradijs. Net voor ik in Kedarnat aan kwam begon het zachtjes te miezeren maar gelukkig vond ik al gauw een kamer ookal was ik die dag in mijn weekenlijkse stilte periode. Het was er bere koud en nat en ijzig, ik blij dat ik al m'n kleren bij me had, wel nodig ook. Het was maar een kleine nederzetting enkel bestaand vanwegen de oeroude tempel die hier staat ter eren van het heilig drietal Shiva, Parvati, Ganesh. De legende was namelijk zo dat Parvati aan het baden was in het warme water van Gaurikund en aan Ganesh, haar zoon, had opgedragen niemand in de buurt te laten komen. Toen Kwam haar metgezel Shiva aan maar Ganash weigerde hem door te laten omdat hij de belofte aan zijn moeders niet wou verbreken. Shiva, die noggal eens een heftig tiepe kan zijn werd zeer toornig en beklaagde zich bij alle andere goden. Deze stonden hem echter niet bij en bij terugkomst bij het bad, waar Ganesh nog steeds op wacht stond sloeg hij in een wilde opwelling in een klap het hoofd van Ganesh er af met zo'n goddelijke kracht dat het veertien kilometer verder en anderhalf hoger, hier in Kedarnath teracht kwam. Toen Parvati later uit bad kwam was ze natuurlijk niet echt blij haar zoon onthoofd aan te treffen en toen bleek dat Shiva het was geweest beval ze hem iets aan de situatie te gaan doen. Dus beval Shiva zijn trouwe rijdier Nandi de stier het hoofd te gaan zoeken, maar ook na lange tijd overal gespeurd te hebben kwam hij onverichterzaken terug. Toen stuurde Shiva hem er op uit dan maar het eerste hoofd te nemen wat hij tegen kwam, en dat was toevallig van een olifant, zodoende het beslurfde hoofd van de god van het goede geluk en de voorspoed. Enfin, die namiddag zat ik op een rots even buiten het dorp in de wijde lege vallei en zag hoe hier eens een gletscher moet hebben gelegen die dikke morenes heeft opgestuwd aan beide zeiden en het dal uitgeslepen. En soms, als de dikke grijze wolken even optrokken, zag ik als door een toverraam, totaal uit perspectief hoge torenende witte steen pieken bijna recht boven mij, zo onwerkelijk. Alles word steeds lichter, steeds helderder, losser in mij. Het straalt en ik voel me een, en niets, hoe ik oplos, en enkel nog ben, vormloos, oneindig, hoe kan er dan nog dualiteit bestaan. Ik mediteer, of probeer het en voel steeds meer van alles te zijn. Mijn idee was van Kedarnath over de bergen en de gletcher richting Gangotri, een andere heilige bron van de ganges te lopen dus starte ik vroeg in de morgen tegen de steile heivelzeide op. Maar alles was bedekt in een dikke wolken sluier en dus was het erg moeilijk mijn weg zelfs maar te voorzien. Zo worstelde ik een aantal uren omhoog over ongenadig steile paadjes vol onverwachte haarspelden. Over een pad
half beek half waterval ging het tot ik in een soort dal kwam waar ik net even door de optrekkende wolken het pad voor mij kon zien dat zich eindeloos omhoog slingerde tegen de naakte scherpe rotsen. Er waren daar wat paarden aan het grazen op een hoge weide en natte plantjes, hoe mooi was het. Maar om hoog zou ik en dus ging ik verder en het begon te regenen. Ik was nu zeker over de 4000 meter gestegen en het was ijzig koud en winderig en ik bleef maar nauwlijks droog onder mijn ouwe groene gamma zijltje dat mijn enige bescherming was tegen het natte. Langs een megalithiesche rots kwam ik en nog almaar gaf de helling niet op. Na nog een uur besloot ik dat als er nu nog een zo'n verdomde kronkel kwam ik er mee zou kappen. Natuurlijk kwam er nog een kronkel en dus zat ik daar, gehurkt onder mijn zeiltje beschouwde de zaak. Daar vond ik na een tijd weer de essentie van mijn komen naar India. Waarom zou ik in hemelsnaam deze naargeestige kouwe kale bewolkte woestenij in willen gaan? Ik ben toch naar hier gekomen om te leren, te studeren en dat soort dingen, niet om de bergavonturier uit te hangen op onherbergzame plaatsen. Natuurlijk is dit ook mezelf vinden, maar niet alle dromen hoeven werkelijkheid te worden, en dat realiseerde ik me weer eens. Dus, slap of verstandig, draaide ik me weer om en daalde af in een rap tempo. Toen pas besefte ik hoe ver ik eigenlijk al was gekomen, maar het maakte niet meer uit. Nu trokken de wolken op en zag ik de hele lengte van deze hoge ijshemel waar aan het nabije einde een waterstroom zo van het ijs af kwam en zich een baan sneed door het lichte groen. Ik kwam uitendelijk weer op het stenen pad door een veld van blubber en verzopen gras en toen was het verder makkelijk. Hoewel. Door het vele water waren mijn voeten totaal doorweekt en de huid er door mijn simpele Kargiliaanse sandalen snel van afgeschuurd. Dus liep ik maar verder op blote voeten en loop dus sindsdien op die wijze in het rond. Het warmere klimaat van de lagere landen ontving mij warmelijk en net voor het donker was ik weer veilig terug bij het warme water van Gaurikund. En in de morgen stapte ik in een reuze pick-up truck die de smalle weg af raasde in de inmiddels verschenen zonneschijn die alle vochtige blaadjes deed glinsteren en al snel stopten we om een reusachtige zwarte gladde waterbuffel koe in te laden, jawel, met horens, staart en al. Wat een lief dier, wat een reusachtig wild beest met vochtige neus vol prachtige zweet pareltjes en super lang borstelig haar voor haar beweegbare oren. Toen reden we zo met haar in slakkengang de bergen af langs de mooie heldere Ganga en met nog een stel andere voertuigen van allerlij fatsoenen. Zo gelande ik tegen het donker weer in Rikshikesh, maar vond nu een thuis in het Osho Guest house waar ik al meteen wat van zijn wijsleer te lezen kreeg, iets waar ik al een tijdje weer voor open stond, en zo gebeurt het. Maar ik was hier niet terug gekomen om te blijven, en dus nam ik al gauw weer een volgende bus naar Dehra Dun, de hoofdstad van Uttarkhand en toen door, jawel, weer de bergen in. Ik ben verknocht aan de bergen en aan het bos en als een landschap niet tenminste een van deze twee kwaliteiten bezit mag je het voor mij in de meeste gevallen houden. Mijn nieuwe plan was Manali, maar dan niet over de makkelijke en simpele weg die ik voorheen samen met Aniet had genomen maar nee, recht door de krochten en barsten van onze onstuimige aarde. Zo ging de bus ineens de hoogte in, de eerste heuvels die al vrijwel meteen in bergen veranderden en de weg was als een simpele kras in de heuverzeide. Mannen en vrouwen stapte in en uit met kleurige hoedjes en wijde rokken en buiten was het een spectaculair gebeuren. Soms verwijde de vallei zich even om wat groene landbouw toe te staan van terassen met reist en gerstevelden, maar dan werd het weer nauw en reden we hoog boven de rivier over een maniakale weg van enkel los opgestapelde stenen zonder cement die ons langs letterlijk vertikale rotswanden loodsde. Dan werd er ineens weer vol op de remmen getrapt en op een haartje een ander mobiel langs te laten terwijl de rotsen aan de ene zeide de toch al niet zo dikgedekte lak van de bus graag een handje wouden helpen verminderen, of aan de andere kant de dieptes van het ravijn ons gretig verwelkomden. Op een moment was het zelfs zo extreem dat we met 1 wiel in een deuk van de weg zaten met de halve band over de rand en het zand en gruis er al onder vandaan aan het stromen was zodat alle inzittenden van de bus als een man opsprongen en naar de deur doken, maar helaas, die werd geblokeert door de vrachtwagen die we nou juist aan het passeren waren. Gelukkig maakten we het er levend vanaf en was de totale kost van de hele negen uur durende reis slechts een zijspiegel, van een ander in dit geval. We stopten ik dorpjes waar, toen ik er even uit mocht het echt wel leek of ik de eerste vreemdeling was die ze ooit hadden gezien. Nou liep ik ook op blote voeten met een tulband op..... In de avond geraakten we in Rohru. Een gehucht aan de rivier kant van de Tons rivier wat echt maar uit 1 straat bestond, de hoofdweg en wat een ware WildEast feel had. Ik vond de goedkoopste kamer van m'n leven op 90 cent per nacht en zag die avond de vuren oplichten in de simpele shanties van de mensen. Waar honden opgerold in hoeken sliepen, kinderen speelden op de modderige straat en de WC uit een stuk wilde stenen bestond midden tussen de huizen. Muziek klonk op uit oude krakerige transistor radiootjes en ergens klonk het droevive geluid van een eenzame koe. Ik at Channa (een krakerig deeg baksel wat als lokale chips dient) op de hangbrug en speelde fluit voor de nieuwschierige voorbijgangers in het duister. Toen was er weer een bus door nog een schiterende wilde vallei en zon en planten groen en een overstap in een druk dorp vol bussen waar ik kennis maakte met de appel verkopers en de matrassen vullers die het druk hebben nu hier de zomer tot zijn einde loopt. Na een lange dag bereikte ik daar dan Rampur wat een formidabel gehucht was en spendeerde er de nacht in een grot van een kamer met een helikopter op ze kop tegen het plafond geschroeft (zo voelde het altans) en mos op de muren voor meer dan drie keer zo veel als de nacht er voor mijn brilliante lichte kamer in Rohru was geweest. Tja, zo kan het gaan, maar het is al goed, en dit dorp had zelfs wel wat charmistiesch. Er waren oude houten huizen als een ziekenhuisje met prachtige gekartelde tulpenbollen van daken en een brandweer kazerne met voorwereldlijke brandweerauto's met echte houten ladders en een pompwagen met een doffe koperen bel voorop. Van hier trok ik weer de bergen ik in. Ja maar daar had je het toch mee gehad? Jaaa, maar dit was anders. Dit was een stuk lager en in de bossen, en het weer was goed. En er zat een duidenlijk eind en begin aan deze wandeling. Zo ging ik over de rivier de Sutlej en liep een small groen dal in vol mooie velden met mais en sla en kool en bietjes of iets wat er op lijkt, mischien wel snijbiet om te drogen voor de winter waneer dit alles in een mooie sneeuwjas is gehuld. Omhoog ging het, zo is het nou altijd aan het begin van een bergwandeling, begint zelden met afdalen. Ja en weer zo'n ongenadig steile trap van een pad bijna recht omhoog tegen de helling zonder enig mededogen. Maar, na veel zweet en gepuf kwam ik dan op een richel en daar was ook de schaduw van een grote oude boom met een shiva altaartje eronder. Dit was het begin van de appel landen en ze leken wel overal vandaan te komen. Allemaal pakpaarden vol dozen en kisten die dan weer op pick-ups werden gestapeld voor transport naar de markten van Delhi en verder. Himachal graded apples, mmmm. Nu mocht ik wel naar beneden en werd overal appels toe gerijkt, mooie grote ronde rooie en groene, en sappig dat ze waren! Heb mezelf nu bijna een appel overdosis gegeten, en dat mag ook wel, want in het zuiden van India is een appel zowat het duurste wat je kunt vinden kwa fruit. Na een poosje liep ik het gehucht van Arsu binnen en vond al meteen een Chinese toko die me wel wat chow-min wou verkopen als ik maar met ze wou praten. Zo leuk vonden ze het. Ik probeerde logy te vinden bij het government rest house waar voor de deur niet minder dan zes deftige heren bezig waren een rioolpijp in te graven door de tuin, wat inhield dat er Indiagewijs 1 aan het hakken was met een pikhouweel terwijl de andere vijf het eens grondig op zich lieten inwerken. Na een poos wachten en geblader in een paar papieren in het engels waar ze de bellen van begrepen kwamen ze tot de conclusie dat ik hier toch echt niet mocht slapen en werd door een van de heren naar het dichtsbijzijnde en tevens enige GH in het dorp gewezen wat eigenlijk helemaal geen slechte vonst was. Een bar, restaurant, hotel, grootgruiter, pompstation, wat heb je nog meer nodig? Tussen de hennep schreef ik mijn reisrelaas tot ik werd aangevallen door grote hordes dikke zwarte muggen en trok mij zodoende terug in mijn vertrekken achter het huis, met horren. Voor het avondmaal verhitte de waardin een emmer heerlijk warm water voor mij en toen was er Thali wat een bord met rijst, chapatti, daal, groenten en slade is en de standaard noord-Indiase maaltijd. Stilte en vrede voor de zonsondergang, de opkomst van de innerlijke ster. De gastheer en zijn glimlachende vrouw waren erg gastvrij en zagen mij in de vroege morgen weer snel opweg. Nu daalde ik af door de velden en appelboomgaarden en kwam al gauw de zon tevoorschijn achter de gekartelde bergrand. Over een smal paadje vol nat gras kwam ik uiteindelijk op de bodem van het dal waar vele grote dennen groeiden met grove schubbige bast en hele leuke wilde dennenappels met allemaal grote punten erop die wel net op neusjes leken. Over een heldere groene rivier ging ik en nam daar in een rokerig triplexen aanleunhok met kippengaas voor de raamgaten ontbijt alvorens wederom de heuvel te beklimmen. Weer omhoog, maar nu vaak in de heerlijke schaduw van grote bomen en over een soort van een weg waar ik af en toe wel eens iemand tegen kwam. Zo was er een stel mannen waarvan de oudste steeds even aan de kant van de weg stil ging staan om aan een of andere plant te wrijven met zijn handen. Jawel, het is oogstseizoen voor de heelrijk geurende Manali Cream. Het was redelijk steil, ja het zal ook niet maar ik genoot van het heerlijke weer en de lieflijke omgeving en bereikte zo eigenlijk bijna onverwachts Sarahan, samen met een groep wandelende dorpsbewoners. Via via kreeg ik een kamer aangeboden omdat er in dit gehucht geen Guest house is. Maar wat is er allemaal Wel! Wao! Wat een paradijs! Geheel om ons heen groene bossen van donkere hoge sparren waar soms wolken flarden doorheen spelen. Hoge steile rotsen die de relativiteit van het oog tarten. Een schattig dorp van allemaal houten huizen met leien daken en overal koeien en ander vee. Vrouwen die af en aan lopen met enorme bulten hooi op hun rug wat ze van verre hoge weiden hebben gehaald met hun simpele kleine cickels. De geur van houtvuur en de morgen dauw op het open gras. Ja een wonder van een groot open veld is er mischien wel een kilometer in het vierkant liggend tussen de hoge bergen. Aan de rand enkele mossige schuren met balkonnen en verwildering er omheen. Oh hoe snel voelde ik me hier thuis. Wat een leven. Hard, maar zo eerlijk. Wat een oogverblindende natuur pracht. In mijn wandelingen door de omgeving vond ik vallei na vallei steeds weer totaal anders en wilder begroeid met grote rotsen en keien bergoeid met mos en overhangend gras en alles enkel gehuld in de stilte van de hoge bergen. Het regende wel wat maar het deed er niet toe. Het heerlijke klimaat hier op 2500 meter hield me hier wel enkele dagen bezig. Samen met de dorpelingen hakte ik grote stenen tot kleinere met een hamer en een ring, gezeten op de grond, in het steen stof. Dit had ik mensen wel eerder zien doen aan de kant van de weg en had me een vreselijke baan geleken, maar nu ik he zo zelf deed viel dat eigenlijk heel erg mee. Eigenlijk genoot ik er zelfs erg van, zo nuttig destructief te kunnen zijn maar absoluut zonder agressie. Het wekte een diepe rust in mij op die ook erna nog voort duurde. En de mensen van daar blijven constant in communicatie. Iedereen die langs komt roept wel iets en dan komt er een antwoord onder het hakken, of melken, of dragen. Ik denk dat het heel erg een community building ding is, ze zijn nooit echt ver van elkaar. Oh ik had wel dromen om hier te blijven wonen, in dit kleine eden, maar werd uit de fantasie geholpen door de lokale doktor die ook wel van een stevige borrel hield, of tien. Hij zij dat je eigenlijk als vreemdeling hier geen land kan kopen. Nou ja, we zien wel. Hoe ik ook genoot van de vriendelijke mensen en de heerlijkheid van de plek, na drie dagen wou ik toch weer door, en met twee overheerlijke uien parotha's in mijn rugzak ging ik weer op weg. Tegen de vallei op, naar de watervallen en daar achter de pass, die ik al drie dagen had kunnen zien vaak in de nevelen gehuld. Het ging door het oude bos waar nog geen ketting zaag zijn weg naartoe had gevonden en de bomen gigantisch waren. Er was er echter een aan de handzaag gevallen die wel tot mijn borst kwam en ik telde niet minder dan 250 jaarringen. Ik liep hijgend en zingend door het bos, mijn liefde uitend voor deze groene broeders, mijn kin, we are one. Het bos veranderde in hoogland eiken vol baardmos en boomvarens voor ik het winderige zadel in de bergen bereikte waarboven een groep adelaars rondcirkelden in het witte licht dat tussen de nu splijtende wolken door sijpelde. Ik liet de heerlijkheid van de Sarahan vallei achter mij, het vallende verse bronwater en het dichte woud en drentelde aan de andere kant weer naar beneden over de overwoekerde oude weg van een of andere verloren koning waar nu gevallen boomstammen het pad afsneden en planten in modder geworteld waren opgeschoten tussen de eens zo vernuftig gelegde stenen. Voor ik het wist sneed er ineens het Dimention grindende gesnerp van een verdomde kettingzaag door het bos. Ik maakte mij eerst nog wijs dat het een generator of iets dergelijks moest zijn maar door de boomtoppen zag ik al op de tegenoverlichende bergwand de kaalslag en ravage veroorzaakt door de hebzucht en roekeloosheid van het indringende kapitalisme. Ik kwam bij een berg geslachte boomstammen die via kabels van de tegenoverlichende maagdelijke bossen worden ontwoekerd. Mensen met totaal geen idee wat ze aan het aanrichten zijn. Enkel bezorgd om hun eigen overleven in opdracht van een of andere patser in een verre stad met een betonnen hok van een paleis en een Benz 4x4. Hoe verder ik afdaalde, hoe meer de hellingen kaal waren, de geblakerde stompen nu enkel nog uit het opschietende gras stekend zonder kans op regeneretie. En als die komt, hoe lang zal die dan duren? Denk je dat de vogels en bosdieren zo lang kunnen overleven zonder huis? De "Beschaving" begon met een school. Uiteraard, daar word iedereen bijgebracht hoe ze de wereld zo goed mogenlijk kunnen uitbuiten voor hun eigen goed, maar kinderen, waar zijn jullie bossen? Allemaal kinderen ik zwarte plooirokken en met stropdassen om, en sommige in blauwe tenu's van de overheids scholen. Dan de plastic winkeltjes. Niet dat ze niks te eten verkopen maar al dat ik zie is plastic en gif, samen verpakt met afbeeldingen van blonde kindertjes en grote auto's erop. Er stond een bus te wachten maar ik besloot nog even te lopen en ging zo nog 9 kilometer over de gladde zwarte weg langs alweer zo's prachtig groen heldere rivier met vele eilandjes erin en kolken en poelen. Maar het daglicht was nog maar kort en om dat er in het volgende dorp geen loge te vinden was lifte ik achterin een stoffige pick-up met een rappe vaart richting de eerstvolgende stad. Daar was wel een groenige kamer boven een bar restaurant cafe met zuipende kok en barman en een magisch sparkelend vuur dat wit geel en oranje met prachtige vlammen uit de dieptes van de chapatti ton kwam opschieten als een straal van het noorderlicht. Alles ging hier al om acht uur dicht en de honden en koeien sliepen midden op de straat en ze dromen, ik heb het gezien. Dan nam ik weer de bus en belande zo al snel zonder verdere omwegen terug in Manali. Het Manali waar ik zo van genoten had samen met Aniet, terug tussen de appel bomen en de hipsters, de beste momo's ter wereld en de machtige Beas rivier die met geen mogenlijkheid over te steken valt. Ik heb het geprobeert, stond aan de oever en zag het mooie water voorbij haasten over de grote ronde stenen. Latere dagen kwam ook de regen die nu het water bruin kleurde en zelfs de kleinste gedachte aan de oversteek al zowat suicidaal maakte. Maa de regen en de wolken partijen hadden ook een ander effect. Alle hoge toppen van de groene bergen hadden nu een stralend witte hoed van poedersuiker allemaal precies op een lijn ophoudend. Ik kan ze zien de witte piramides van ijs vanuit mijn raam. Mijn raam in Vashisht bij de hete bronnen waar ik nu al weer een week woon. Maak wel hier en daar een wandeling in de connectie, zoals bijvoorbeeld naar de bruisend waterval op een half uurtje lopen afstand die met een groot gebulder door de rots spleten naar beneden komt storten. Overal er omheen zijn grote oude sparren en al om is het innig groen met geurige gewassen. Deze dus ->>> Maar vooral ben ik toch in de stilte. Heb ook yoga gedaan met een zeer kundige meester die ons in alle bochten laat wringen en waar we pranayama van leren waarbij ik me naderhand toch wel heel shanti voel. Ontmoet weer zusters en broeders van de Rainbow Tribe en ook dat brengt me weer meer in de flow. Maar gezegend zij de dag dat het boek over Shree Anandamayee Ma mij vond. Zij is voor mij echt de Incarnatie van de vrouwlijke zijde van de energie van het Universum. Zoveel wijsheid die er van haar uitstroomt. Geen verlicht mens maar gewoon puur licht. Mijn haar is nu zo kort dat ik het niet meer vast kan pakken. Draag mijn oranje alles wat helpt bij het loslaten van deze illusuionaire realiteit. Ik probeer leeg te zijn, en tegelijkertijd vervuld van van het alles, de Shakti van het leven. Hoe kan ik nog mediteren, IK, er is geen ik, enkel een vuile streep op de spiegel die mijn ziel is. Hoe kan IK in stilte zijn waneer er enkel stilte is die word verstoort door mij. Ik laat los en ben in het koninkrijk Gods. In liefde leven zal ik, in het nu zijnd. Non-existent and Infinite, We Are One...... AUM Shantiii.....

donderdag 13 augustus 2009

29.5 Julley! Deel 2

Daar gingen we dan. Beiden met rugzak op richting de bus. We daalden af door de hoofdstraat die op dit vroege uur nog relatief rustig was, gingen de trappen af door de markt en kwamen langs meerdere grote twee meter hoge gebedsmolens in hun eigen open huisje met daarin mischien wel miljoenen boedistische gebeden voor een vredige wereld. Voor we op het busje stapten aten we eerst alvast een bordje Tsampa omdat dat je zo'n lekker en warm gevoel geeft op de lege morgen maag en je aansterkt voor het wandelen. De bus zette ons er uit ergens op een stof weg langs een rivier na eindeloos langs de vele legerbarakken gecruised te hebben en langs het zwaar bewaakte vliegstripje van Ladakh. We waren in Spituk en werden door een aardig meisje dat daar achter haar muur stond de goede richting uit gewezen. Zo liepen we door de groene velden over smalle dijkjes en over stroompjes springend terwijl de zon al hoger en hoger rees. Wer kwamen langs een huis waar we even wat ruste in de schaduw van de hoge ritselenden populieren en zie, daar waren drie mensen bezich draden op te zetten op een weefgetouw constructie die de hele tuin in beslag nam en uiteindelijk een smalle dikke stof op zou leveren die voor veeler doeleinden gebruikt kan worden. Verder ging het over een ruig pad door de weiden waar koeien rustig graasden en ons met hun zachte ogen vragend aankeken. We vonden een brug en staken de grijs-witte Indus over waarna we algauw de rand bereikten van de groene landen. De kale woestijn lag voor ons en wij doorkruisten haar, althans, gedeeltelijk want na een tijd voelde Aniet zich niet al te best meer en gelukkig kwam er toen ineens een vrachtwagentje de hoek om zetten die na uit zijn eigen stofwolk weer verschenen te zijn ons gewilig meenam over de gruwelijk ruwe weg. Het leek hier en daar wel enkel uit grote keien te bestaan maar het landschap was daar in tegen weer beeldschoon. We reden nu een smalle kloof binnen waar de Indus zich diep beneden doorheen perste met vele kolkingen en gespat en de steile bergen rezen nu rond ons op. We verlieten de Indus en sloegen een zei valei in waar we al na niet al te lange tijd een kampje zagen opdoemen aan de overkant van de rivier waar ook gelijk het einde van de bereidbare wag was. Vijf minuten hier vandaan vonden we toen onze eerste Homestay en werden onthaalt en een vriendelijke kamer toe gewezen met warme munt thee en rammelende glazen ruitjes die enkel met spijkertjes waren bevestigd in de oude houten sponningen van de kleine ramen. Er waren hier slechts drie huizen een wat stallen aan een smalle beek waar veel oude wilgen aan groeiden en terassen waren gemaakt voor het verbouwen van Gerst en Tarwe. Tegen de zondondergang klom ik achter het huis tegen de helling op en hoorde voor het eerst, maar zeker niet voor het laatst een pony caravaan voorbij komen met al hun vrolijke klingende bellen en het geschreeuw van de ponydrijvers. Daar boven in de wind hoorde ik de bergen verbrokkelen en terugspoelen naar de zee. Daar hoorde ik een formatie vogels voorbij scheren met een sureaal razend geluid. Dan was het tijd voor het avond maal en kregen we heerlijke noodel soep met verse groenten erin en drupeltjes deeg, een traditioneel gerecht uit de regio. S'morgens gingen we al vroeg op pad maar kwamen al meteen achter een bruisende beek vast te zitten. Aniet trok echter haar stoete schoenen uit en we waden er gewoon doorheen waarna we verder zonder problemen door konden. Er waren nu kleine bruggetjes van half vermolmde boomstammen gebouwd en alle pony's liepen gewoon door de voorden van de stroom. Zij had het er erg zwaar mee maar na een uur of twee heel gestaag door getrokken te hebben verwijde het dal zich ineens en kwamen we bij een eerste parachute tent cafe. Vanwegen de oorlog op de gletcher tussen India en Pakistan stikt het hier in de buurt van de witte katoenen parachuten die dan in de zomer geutiliseerd worden als instant afdakjes tegen de felle zon voor langstrakkende toeristen. Daar ploften we neer en rusten een wijnig alvorens ons nog wat hogerop te begeven, maar niet voordat we de vernuftige kleine watermolen hadden onderzocht die daar was gebouwd en die het graan van het dorp tot waardevolle tsampa maalt. We bereikten het dorp van Rumbak wat uit wel twaalf huizen en een gompa bestond en waar we door een schat van een gezellige ronde vrouw en haar dochter werden binnengehaald en onze bedden gewezen. Nou, daar waren wij wel blij om! In de namiddag verkenden we wat de groene vallei met haar vele rijke bloemenwijden vol witte, lila en gele bloempjes die snel van de korte zomer lijken te willen genieten, maar dan wel in hun volle pracht. Beneden bij het beekje bouwde ik een brug van grote platen en blokken steen terwijl Aniet mij met haar aangename gezelschap verblijde. Toen het avond was geworden was er intense duisternis buiten maar de hemel blonk met sterren geflonker van een waanzinigge pracht. Er waren vele vallende sterren en de bergen om ons heen waren nu vaag duister grijs zichtbaar in het overdadige sterrenlicht. We hadden een rustdag in Rumbak waarbij we allebij onze eigen kant op gingen, niet ver, maar vooral om te acclimatiseren, hier op 400o meter. Na onze rusting voelde A zich al een heel stuk beter en we gingen weer op weg, nu door een wijd open dal met een rivier die zich in wel duizend kleine beekjes opsplitste die dan kabbelend en kronkelend hun weg naar beneden vonden. We werden ook ingehaald door enkele karavanen ponny's maar dat vonden we helemaal niet erg, wij deden het gewoon op ons eigen tempo en dat was heel aangenaam. We kwamen langs wat paarse en groene berghellingen die elkaar scherp afwisselden en toen ineens gienen we een hoek om langs drie gompa's en dan lag daar het huis van Yurutse. Een wit fort tenmidden van de bruine en grijze puinhellingen, omgeven door haar goene sappige velden hoog verheven boven de diepte van het dal. Gevoed door kunstig aangelegde kanaaltjes die het water van veraf aanvoeren en dan door middel van klontjes klei en lompen door gootjes worden gestuurt om zo elk hoekje aarden te weten te bereiken. We vonden er ons hospita en kregen een schitterende kamer met kleurige Tibbetaanse tapeiten op de bedden, gordijnen en prachtig uitgesneden lage tafeltjes met voorstelingen van woeste draken omgeven door rook en tijgers en wat zo meer. Ook hier hadden wij ons twee dagen ingedacht en zodoende hadden wij alle tijd om het boeren leven zich hier te zien afspelen. In de morgen vroeg werden er in de open stallen onder ons raam de geiten gemolken, en dat waren er nog al wat! Witte en zwarte, langharige en hele kleine. Sommige met hele lange gedraaide horens en soms liepen ze gewoon over elkaar heen zo vol was het (echt!). Daarna waren die goeie koeien aan de beurt met hun vreemde horens die alle kanten op staken en ket kalfje dat er dan niet bij mocht. Ik voelde me hier zo thuis. Wat een rustig leven, zo rond en eerbiedwaardig. Hier kegen we in de avond weer een ander gerecht voor gezet wat bestond uit een grote geplooide deegbal van gummie achtige consistentie die je dan at met een groen groenten drapje, niet echt onze favoriet. Nee, dan wat we de voplgende dag daar kregen; een groot stuk gestoomde tsampa die je nog kon kneden en waar je met behulp van je duim dan een lepeltje uit maakte waarmee je dan de verse zelfgemaakte yoghurt opschepte, mmm.
Zo zaten we in de grote open keuken die de centrale plaats van ieder Ladakhs huis uitmaakt en dronken boter thee en voelden ons thuis. Maar, de grootste uitdaging van de toch lang nog voor ons, en zodoende gingen we na twee nachten in deze stille doch levendige haven op 4200meter weer op pad. Voor ons lang de Gunung-la pass van 4900 meter en het hoogte punt van ons avontuur te voet. Vanaf de voordeur gingen we het trappetje af, want de woonkamer en keuken licht in Ladahkse huizen meestal op de tweede verdieping omdat de dieren het souterein bewonen, en waren meteen al op het pad. Het voerde ons omhoog langs steile puinhellingen tot we bij een grassig dalletje kwamen waar een kudde bepakte paarden al stond te wachten voor de komende dag. Het was nog nevelig en er viel een lichte mot uit de grijze wolken die zich overal om ons heen leken te bevinden. Het was knap fris maar omdat we flink aan het klimmen waren hadden we het toch niet koud. Verder gingen wij over de murene van waar ooit een gletsjer moet hebben gelegen en vonden daar drie nukkige ezels, een gevlekte, een bruine en een grijze met een zwarte streep over haar schouders die er willoos bij stonden zoals ezels dat zo goed kunnen. Op het basiscamp rusten wij even, nu resten hier enkel de schillen en de sintels van het kamp dat hier zoeven nog gestaan had maar nu weer door was over de ruggen van allemaal trouwe bellende pony's hoog, hoog over de bergen. We zagen en hoorden de fluitmarmotten en oh wat waren ze leuk. Verder klommen wij, mijn schoen begaf het daar op die nootlottige plek maar het maakt niet uit, we moeten door. Een onmopgenlijk steile stofhelling enkel onderbroken door hersenvormige prikbosjes die zelfs de ezels niet lusten en dan, daar zagen wij, De pas. Ook zagen we de hele vallei waar we uit gekropen waren achter ons met wolken bestrooid, uitgewaaid en schoon. Hand in hand liepen we de laatste paar meters en ja, Daar was het dan. Een zadel tussen twee stenige pinakels in, vol vlaggen en mani stenen en, geloof het of niet, Belgen. Een hele boel zelfs en ze hadden het over was in de maschine steken en nog meer van dat soort vrolijke vlaamse praat die ons zeer aan het glimglachen maakte. Uit de wind met onze ruggen tegen de mani muur bekeken we nu ons nieuw bekomen rijk. Lang en wijd, als een halve tunnel lag er een groen dal van waaruit rode en oranje kammen oprezen. Daar achter, ver weg tegen de helblauwe hemel stond een glazig witte muur gevormd door de Zanskar range. Pony's kwamen voorbijgebeld en wij waren ver over gellukkig. We hadden het berijkt, ver over verwachtingen, buiten proporties, hoger dan de Mont Blanc, en dat alles te voet. Aniet liet een gelukzalige traan en toen daalde we in een razende vaart weer af naar onder. Die Aniet die houd van afdalen en nou, dat ging ze wel even laten zien natuurlijk. We raasden langs hele colonies bruin beige fluitmarmotten van veeler formaat, hele dikke, maar ook hele kleine. Schoten pony karavaanen voorbij. vlogen over beekjes en lieten enkel een formidabele wolk stof achter ons, samen met veel opspattend steengruis, vermalen onder onze vlijtende voeten. Zo berijkten we een klein gehucht van drie huizen en bleven er in een, enkel het geluid van een watergedreven gebedsmolen beneden bij de beek die de perfecte stilte verstoorde, ting, ting, ting.... . . . . De nacht kwam, de morgen verscheen en verder ging de reis. Door een nauwe kloof vol wilgen bosjes liepen wij nu en de beek die er hemels doorheen liep, mooier dan een glazen roosje, eleganter dan de fijnste parelketting, gesponnen aan een draad van droomzeide. We verpoosden ons een tijdje aan haar gezegende oever alvorens weer door te gaan en laat in de middag in Sku te belanden. Daar was weer zo's burght van een huis en we hadden een kamer met aan twee kanten grote openklapbare ramen waardoor het roodgouden zomerlicht kwam binnendrijven en de vermoeidheid uit onze spieren blies. Lager stroomde de grote slepende Markha rivier in een bed van ronde rode en grijze kiezels en voor ons raam stonden grote groene populieren met de wind te flirten. Onder ons raam stond de koe die erg haar leuke witte kalfje miste maar de thee was zoet, of zout en zo ook onze dromen. Nu kwamen we bijna aan het einde van onze wandeling, maar nog zeker niet helemaal. Vanaf Sku liepen we langs het dorp wat bestond uit een verzameling stenen huizen en stallen en kruisten door de winderige vallei waar we uitwaren gekomen. We volgden de Markha maar dan hoog op de bank over de reistevelden waar ook veel scherpe rietstengels uitstaken en wat zwart zag van het moederkoren. Hier zag je al duidelijk hoe de ontwikkeling het oude leven aan het afbrokkelen was, de kinderen allemaal naar een of andere verre school gestuurd, betonnen hokken van huizen opgetrokken in plaats van de natuurlijke ronde vormen van het leem, en de velden die door het gebrek aan handen nu aan het verwoekeren zijn, hartelijk dank IMF, WTC en Wereld Bank. Daar was er ineens een ruw aangelegde weg die rauw door de heuvelzeide sneed. Hier en daar weg gespoeld of de halve heuvel verzakt maar, beschaving zullen we ze wel eens even aanleren. India is zeker niet van plan het mooie toeristen paradijsje van Ladakh aan die nare Pakistaners af te staan, behouden al moet het met geweld. Hier wouden we dus niet per se overheen lopen en dus doken we de weg af en namen een gevaarlijk pad dat schuin de heuvel af ging en toen veranderde in een watergoot in aanbouw, ook hier en daar weggevaagd door de plotselinge vloed regens. We liepen zo goed en kwaad als het ging langs de Zansker waar we nu inmiddels bij gekomen waren, de Marka er als een druppende kraan er in verdwenen. Soms klouterden we over gammele boomstammen die over gapende gaten waren gelegd waaronder de rippende Zanskar met een noodvaart verder voerde. Dan schoven we weer op onze buik over een stel buizen met onze rugzak tegen de overhangende rots schrapend. Dan balanceerden we onszelf weer op een voet terwijl we paadjes overstaken van niet meer dan een hand breed over losse bergen scheef puin die recht naar het water voerde. Het lijkt ongeloofelijk maar, we haalden het, ik ben uw bewijs. Daarna was het verder vrij makkelijk afgezien van de kabelgongel dan die over de zuigende Zanskar gespannen was en waar je je in een 1x1 meter bakje met spletige houten boden zelf moest voorttrekken terwijl de wind zowat de haren uit je hoofd rukte en je handen steeds net niet werden geplet door het rollende katrol wat er als een kaaiman achteraan kwam. Zo kwamen we dus op de echte weg aan, nou ja, weg. Een streep stof met een gat er door, stof zo dun dat als er een band doorheen ploegde het in wolken opspatte alsof het puur water was. Langs de te gekke Zanskar liepen we met een vieze Bailys kleur (volgens Aniet) en met een melk waar je thee bij gedaan hebt gemixt met afwaswater kleur (volgens Ga) . We keken dan ook voornamelijk naar de andere kant, de muur kant te weten waar zich een kaleidoscopisch schouwspel van hoog geologische waarde zich afspeelde. Lagen zand, klei in vele kleuren en grint waren er laag op laag gestapeld, hier en daar weg gesleten door de wind en dan weer bestaand uit dikke gelijnde rotspuisten. Het grint lag zo los dat we het met een welgemikte steen zo konden laten instorten en we veroorzaakte dan ook geen weining reele steenlawine op schaal. Dan kwam er ineens weer prachtig helder water uit de rots zetten en waren er plantjes. We ontmoeten een groep mensen die daar aan de weg aan het werken waren met kinderen en al en deelden met hun onze mondvoorraad alvorens weer verder te gaan. Om een hoek lag daar Chilling verscholen maar we vonden het en klommen omhoog naar onze laatste Homestay. Weer zo'n brilliant oud huis wat eigenlijk wel een opstapeling leek van vele vergane generaties woonsteden half in en op de rots gebouwd. Voor de deur groeide een mega titaan van een reuzewilg met dikke dikke bruine stam vol grote groeven en kerven tussen haar stevige basten jas. Haar takken zo dik dat sommige onder hun eigen gewicht gevallen waren maar nogsteeds rees daar boven je hoofd een hele wereld van groen loof op dat menig eekhoorn en snelgebekte vogel verscholen hield. Dan waren er de Abrikozen bomen, Oh de abrikozen bomen, zal ik ze ooit kunnen vergeten. De pure wellust van hun overdaad, de heerlijke tractatie van hun zoete lekkernij, zo van hun tak in jou mond. Overal stonden ze, hele rijen knoestige trouwe wachters, beschermers en verzorgers van deze mensen die verkiezen op zo's onherbergzame uithoek van de wereld hun intrekken te nemen. Daar omheen lagen de velden die, op deze betrekkelijk geringe hoogte van 3160 meter naast gerst en tarwe ook vele bloemen, boontjes en olizaden voortbrachten in wat welhaast een levend en sappig eden leek na onze dagen in de steenwoestijn. Hij was er nog wel, en je kon hem zien over de toppen van de bomen, barstig en naarlijk, maar ook eerlijk, de kale rotsen zo nabij. Na wat rusten daalde ik af langs de watermolen die ook hier draaide, weliswaar zonder ting, ting, ting... . . . en vond een heerlijke koele beek die door een smal dalletje kabbelde vol vlinders en planten en geurige bloemen. Het was er stil en overal droop water van de rotswanden vol mos en varens. Daar zat ik aan het water, en erin, en toen begon zelfs het water zo recht uit de hemel te vallen, als een laatste vloeibare zegen. Toen ik terug kwam bij het huis was Aniet daar met de moeder des huizes abrikozen aan het openmaken om ze te drogen maar ik had er inmiddels zo veel op dat ik geen pit meer kon zeggen en heb ook nu zelfs nog overdosis verschijnselen. De avond voor ons vertrek zaten we na het eten in de keuken met de familie dat is, de jonge moeder met haar stevige rok, twee dochters die allebij het grootste deel van het jaar in Leh leven om daar naar school te gaan omdat in de winter de weg dichtgesneeuwd is en grootmoeder in haar donkere treditionele schortejas van donkerpaars vilt met vele plooien. Zij was constant aan het spinnen op een kleine stenen spintol met een houten stokje erdoor en spon zo de meest perfecte dunne gelijke draden met het grootste gemak,als het moest met het puntje ijverig in een theekopje tollend. Een navraag naar hoe lang ze dit al deed, ach, een jaartje of zestig. Ze begon toen ze 24 was, dat maakt haar nu dus 84, zit ze er nog kwiek bij voor zo'n oudje, melkt koeien, loopt de hele dag rond, jaa, slecht leven hoor die Ladakhis, dat moeten we beslist ontwikkelen. De volgende morgen kwam de bus en reden we zo algau weer terug richting Leh. Maar de rit zelf was een hele tour opzich en we zagen de Zanskar bij de Indus komen, we zagen de bergen overgaan in het zand en de vlakte van de vallei van Leh en even, al bovenob de bus gezeten, zag ik daar de witte toppen van de Karakoram range, oplichtend in het namiddag licht, ver en onwerkelijk, maar toch eigenlijk ook wel zo dichtbij, in Pakistan. Zo kwamen we terug in Leh en sliepen weer bij Ama-le in die grote lege kamer aan de touristen ghetto straat. Ook bezochten we nog twee kloosters, die van de oude Ladhakse hoofdstad die grotendeels dicht was, maar wel een grote Boeddha had, rustig zittend in de spaarsverlichte zaal. En Spituk, dat we via een merkwaardig paadje bereikte en waar we eerst op een open platform kwamen waar we zowat werden afgeblazen door Jan de wind, maar niet de Boeddha die daar zat. Die zat in zijn stenen vorm onbewegenlijk en vredig, uitkijkend over de leegtes van dit verborgen Sangri-la. Toen planden we onze uittocht route, weg van Ladakh en namen zo de bus naar Alchi, iets ten noorden gelegen. Na een snelle rit bereikten we dit dan ook en bleven er voor de nacht. Voor het klooster daar waren we gekomen en het word gezegd dat het het oudste is in Ladakh dat nog resteerd. De muren zijn dan ook donker vol roet van de vele jaren maar de vriendelijke schilderingen blijven helder en vrolijk uit die tijden dat hier nog geen westerling ooit voet had gezet en de winden nog vrij konden rondspelen, ongehinderd door telefoon masten of electrischiteidskabels. Een zandmandala was daar, zoo ongeloofenlijk intricaat, zo perfect en stralend in zijn pure schoonheid. De Kalachakra in een glazen doos, wat een intens web van vormen, en al dat ik hoorde om mij heen was; oh, ja, wat een mooie kleuren, ja wel leuke kleuren he? Het deed er niet toe het was mooi. Ik kwam in de laatste kamer waar vier Tara's in het schemerlicht stonden, goud, groen, rood en wit. Omringd door door symbolen en wilde dieren koppen waren zij, vier beelden elk een windrichting vertegenwoordigend, het licht uit een gat in het dak er doorheen stralend. Een oer gevoel gaf het mij, een animistische totum in dit centrum van zulk mooi Tibbetaans Boedhisme. Een tijdje zat ik in de abrikozen boomgaard en vergaarde mijzelf en de indrukken van dit wonderlijke Ladakh terwijl om mij heen de vruchten uit de hemel op de grond neer ploften, maar niet op mij. Op weg naar buiten kwam ik langs de grote witte stupa die daar was met vier poorten er onderdoor en langs de bibliotheek waar we eerder de vele dikke omwonden heilige geschriften hadden gezien weggeborgen achter glazen ruitjes en bewaakt door de boeken bewaarder. Ik liep terug langs de velden waar hier al de halmen in schoven lagen te wachten op het komen van de dorsmaschine en dan de molen. De akkers lagen er nu geel bij en de lucht vibereerde door de intense energie van de schoonheid. Ik zat op een rots en zag hoe de oude huizen van modder werden weggespoeld door de spaarse regen en hoe nieuwe hun plek in namen. Ik zag de wolken om de stenen pieken spelen en de zon verdwijnen uit het dal terwijl de lucht en het water van de stroom de zelfde kleur aan namen. In de morgen werden we met de auto naar de brug gebracht en stonden langs de weg. De bus was vol dus lifften wij en kregen algauw een rit die on helemaal naar Kargil meenam in een luxe voyager. Zo kwamen we aan in de Moslim gebieden en waren we in Kargil, waar we twee nachten op de bus wachten moesten. Het was niet erg, we bevrienden de lokale kapper met zijn geweldige oeroude houten kapperstoelen en enkel gaas voor de ramen. We maakten wandelingen door de bossige omgeving en vonden alweer een abrikozen boomgaard met zoveel oogst op de grond dat het moeilijk was een plek te vinden om te zitten zonder een oranje vlek op je deriere te krijgen. Maar de bus kwam en nam ons mee door de nacht naar Srinagar aan het meer van Dal waar we niet in een veradelijke woonboot bleven slapen maar een aardig hotelletje vonden begroeid met klimhop en wingert, en zelfs piespotjes. Waar we een uitzonderlijk schone kamer kregen en zelfs zoiets als onze eigen bel boy om ons steeds weer warme camille thee te bezorgen. Diezelfde dag nog ging ik de heuvel van Shankaracharya op die vol zat met het dichtste knopering jungle groen wat ik in tijden gezien heb en zag daar de tempel gewijd aan de Shivalinga die er bovenop staat. Ook zag je van daar het meer en de uitgestrekte stad en de rijen woonbootjes die dreven op de gladde waterspiegel van het meer. Na wat uitgerust te zijn en weer gewend aan het warmere klimaat hier beneden gingen we toen de volgende dag voor een wandeling tussen de wilgen en belanden in een broek achtig gedeelte waar overal scheefgezakte huizen op palen stonden net aan de waterrand en die met elkaar waren verbonden door middel van karakteristieke houten vlonders en bolle bruggetjes. In dit idilische oord liepen wij een tijd rond en werden nog uitgenodigd voor echte Kashmiri Khawa thee met specerijen erin bij een familie thuis in een wonderlijk mintgroen geschildert huis. Daar hadden we het zo eens over de oorlog die hier wel lijkt te woeden omdat je op elke straathoek een soldatenpost ziet staan met veel beton en prikkeldraad en over het mileu dat op het spel staat door de vervuiling van de vele woonboten. Toen gingen wij weer verder en bij een man met een heel groot dik schaap wat uit Rusland bleek te komen vonden we een jongen met een bootje en voeren we weg. Het was een schattig schuitje met een versiert dak en bloemgordijntjes en ze peddelden ons langzaam door de kanalen en vaarten van het meer van Dal. Het was er werkelijk wonderschoon met drijvende tuinen van riet en waterlelies en soms een groot veld bloeiende roze lotussen die fier met hun magische reine bloemen boven het water uitstaken. Het water zelf was van een ongeloofelijke helderheid en het kabbelde kalmpjes onder de boeg van ons bootje. We kwamen door straten die geheel van water waren maar waar er wel gewoon winkels waren als een kapper, een meubelzaak en een gruiter, allen gewoon met hun eigen aanlegsteigertje. En zo voeren en mensen en kinderen in kano's om boodschappen te doen of om even wat te gaan halen in de stad. Wat een wonderlijke wereld, zo op deze waterspiegel, we konden er geen genoeg van krijgen. Uren dreven we rond met hier en daar een uitleg of aanweizing van onze entousiaste bootjongens en aten zelfs pakora bij een drijvende snackbar midden op het water. Na door nog wat hele smalle kanaaltjes te zijn gevaren gingen we weer op land aan en was de dag ten einde. Nu zo ook bijna onze gezamelijke reis maar voor we naar Delhi zouden terugkeren hadden we nog twee dagen te besteden en dus gingen we voor die tijd naar een vallei een stukje buiten Srinagar. Daar, in Palgham sliepen we hoog op de berg in het huis van een eigenaardige man genaamd Bashir met een lange zwarte baard die trouw vijf keer per dag zijn gebed naar het westen uitvoerde zo op het gras voor ons huis. We maakte een fijne lange wandeling door de heerlijk geurende dennen en ceder bossen met hier en daar een reuze spar waar het stikte van de cikaden met hun groene lijven en overal vonden we hun oude vervellingen die nog tegen de basten van de bomen aan gehaakt zaten met hun scherpe klauwen. Ook zagen we enkele bos Roma die hier in simpele kampementen met hun dieren leven en waarvan de vrouwen kleurige rokken en hoedjes dragen. Oh zo heerlijk was het bos, maar nu was het echt tijd voor ons om terug te gaan naar die grote gestoorde stad, de exit naar Delhi. Terug naar Srinagar en toen de bus waar we bij het wachten taaie broodjes aten met verse paneer en heerlijke yoghurt hadden toe, uit een echte yoghurt beker. Over de bergen en de hitte in, bam! Dat is wel een klap in je gezicht, en al je porien die weer eens flink gaan spuien. En bij het aankomen een torrentiale tropische stortbui waarbij we bij het schuilen samen met minstens vijftien korte Indiase jongens onder een klein afdakje gepropt stonden, en dan die paraplu ergens uit die tas proberen te krijgen. Sorry, was dat je oog? Hee schuif eens een beetje op man en sta niet zo te duwen, ja hij is toch al doorweekt, nee, he? Wat, wil je ook wat paraplu?, zeg! Etc. etc. Goed, toen de regen wat bedaard was en de straat niet meer een rippende stroomversnelling was namen we een rikshaw en werden in een belachelijk semi lux hotel binnengelaten waar alles wel net en posh leek te zijn, maar het eigenlijk net niet was, maar het eten was wel lekker, en, voor het eerst van me leven met echte Roomservice!! Tataa! Die goeie ouwe trein nam ons toen mee in zijn vaart naar het capitool en na de eerste honderd kilometer in de tweede klas gezeten te hebben met allemaal gezellige mensen verplaatsten we toen naar de eerste VIP klasse met air-con en couchette en super deluxe bordeaux rode ligbanken met leeslampjes en zelfs een plek om je pak op te hangen, stel dat je het had. Hier luisden wij op de schone lakens, volledig uitgestekt en in royaal comfort, ons afscheid nabij. Wat een geweldige reis was het weer geweest, en hoe anders dan de vorige keer. Andere energie, andere dingen om te vertellen, andere lessen. Ohh hoe heb ik genoten van de aanwezigheid van mijn liefste en wijze moeder, met haar liefde en compassie, grappigheid en emoties. Zo een trouwe reiskamaraad en zo'n stoeren moeder. We vertelden elkaar verhalen en gedichten, noemden omstebeurt bomen op en kwamen wel op een stuk of zeventig, tachtig, een wandelende natuur enceclopedie waren wij samen, en een wezen wonder. Zo nam ik weer afscheid, maar ook niet echt, het is die draad die nimmer gebroken is, een ei waarin wij samen leven. We liepen door Delhi's rook en chaos en ik bracht haar s'avonds naar het vliegveld. Zo verdween zij weer uit mijn fysieke leven achter die glazen wand met al die mensen, maar van mij vandaan is zij nimmer, hoe zou dat ook kunnen, ik ben immers, een levend deel van haar, een twijg aan haar tak, van onze goddelijke wortels, de wortels, van het leven.

29. Julley! Deel 1

KKrrrchchkrr...GrakkRrgratt..sst! Halla?....Halloooo?? Jaaaa, hey jawel, jaa we zijn er nog, hoewel, wij eigenlijk niet meer. Nu ben ik weer aleen, in Delhi, in de hitte en de gekte, maar in rust van binnen, en aleen, ach, eigenlijk nooit werkelijk aleen, omringd door de hele schepping. Het begon allemaal anderhalve maand geleden. Op een namiddag liep ik vanuit mijn groezelige bladerige hotel vol afgereisde hippsters, leeggelopen rugzakkers en entousiaste nieuwkomers door de markt naar de bushalte, op weg naar het vliegveld. Naar mijn weten, toen nog, zou daar die avond mijn liefste moeder Anita arriveren met het plan om dan samen een tijd door het noorden van India rond te reizen, met name naar het mysterieuze en illustere verscholen bergrijk van Ladakh. Ruimschoots optijd kwam ik bij het vliegveld waar het drukke en warme India botst met de ge-air-conde en 'glas en staal' droom van het verre westen. En ik maar wachten, genietend mediterend in een glazen hokje tot ik er uit gestuurd werd door de beveiliging. Ze zou rond middernacht aankomen, maar om drie uur zat ik er nog, en al wat ik zag, geen Aniet. Ik ging het dus maar eens vragen, liet haar omroepen en kreeg toen te horen dat ze blijkbaar nooit was ingestapt. What the heck!? Ik bellen naar huis, en Thomas, die daar oppaste gaf mij het doorslaggevende nieuws; Ze had haar vlucht gemist. Wat een geweldige leerschool was dit. Wachten en geloven dat ze komt, en ze komt niet, ook dat is goed. Geen teleurstelling maar acceptatie van sittuatie. Rust en innig heid voelde ik enkel, Aum.... Het was al tegen de dagenraad voor ik terug was in de stad en pas laat in de ochtend legde ik mij dan eindelijk ten ruste. En zie! De volgende dag kwam ze toch! Daar liep ze statig in paarse jurk achter de muur vandaan en waren wij weer een. Ik bracht ons thuis met de bus en toen de rikshaw die ons door de nachtelijke straten rolde waar overal mensen sliepen op zakken, dozen of nog bij kleine plastik vuurtjes een zwart potje aan het borrelen brachten. We vonden ons thuis en onze kamer met vele kleine openklappende ramen, en onze reis begon. Na een dag in Delhi met chow-minh noodles en bewondering van de vele Bodhi bomen die gewoon overal uit de muren van de huizen groeien en het groot loslopend vee namen we toen bij het krieken van de dag de leuke Indiaase trein richting het noorden naar Kalka. In de tweede klas zaten wij ingeklemd tussen de vele families in de vakantie tijd en zagen het begin van de heuvels komen. Daar stapte wij over en met een groot geluk bemachtigden we een kaartje voor het kleine treintje dat vanaf hier tegen de heuvels op ging, het begin van de Himalaya. Tegenover een klef net getrouwd indiaas stelletje in hun beste kleren reisden wij omhoog en de lucht werd al frisser en frisser. De bomen werden nu groener en er verscheen zelf een enkele naaldboom. Het was een heerlijke reis met veel stops bij kleine houten stationnetjes om van het spectaculaire uitzicht te genieten en steeds weer vers gebakken versnaperingen. Zo geraakten wij in Simla wat een oud Engels toevluchtsoord was voor de hete perioden van het jaar, zijnde acht maanden lang. Een groot deel van de Engelse Raj regering vertoefde hier en het is er dan ook vol europees ogende wit en bruine vakwerkhuizen die hier en daar al de eerste tekenen tonen van het begin van het industriale tijdperk. We vonden een ruime kamer bij het WMCA in ook weer een oud landhuis en begonnen van daar onze ontdekkingstocht. We verkenden het dorp dat zich maar net aan de steile richel waarop het is gebouwd lijkt te kunnen handhaven en gingen ook nog de heuvel op waar we heerlijk liepen over een 45 graden helling tot we werden overvallen door een leger Makaken en toen dus maar wat meer op onze hoeden waren. Bovenop was een tempel gewijd aan, wie ook anders op zo'n plek, de apengod Hanuman met de vliegende berg, de gouden knots en zijn lange harige staart. Aniet had in het begin nogal wat problemen met haar ademhaling vanwegen de hoogte maar toch gingen we na enkele nachten door en namen de bus naar Manali. Het was heel apart, zes jaar geleden toen ik hier in India was had ik op een moment de keus naar of Manali, of Dharamsala te gaan. Ik heb toen de laatste gekozen maar nu we er dan toch kwamen voelde het bijna alsof ik hier al was geweest. Het voelde zo bekend, vertrouwd en natuurlijk om hier te zijn dat het mij geen enkele moeite koste mij er thuis te voelen. Mischien kwam het ook door de brilliante kamer die wij kregen middenin een appelboomgaard met een teras, schone bedden en wc en zelfs horren voor de ramen. Ook zou het kunnen komen door mijn bekendheid met het voornaamste export product uit deze regio van de geurige en levendige cannabis indica ook al geniet ik al lang niet meer van haar bruine liefde. Of zou het komen door het feit dat alle zeiden van de vallei van Manali zijn bedekt met een groen fluwelen reuzen tapijt van gigantische Deodar bomen met hun reizige stammen en groenen naalden die zachtjes op de verre boden vallen en alles doen verstillen in een magische zweem van hun geurige en rijke bloed. Ja, of het zou ook best het heerlijke warme water geweest kunnen zijn van de heilige hete bron dat uit en oeroude stenen gat kwam stromen versierd met uitgebeitelde bloempatronen en vormen van vergetelde wulpse goden, begroeid met parmantig en sierlijke mosjes en druppelende varen blaadjes. Oh hoe heerlijk om in de hitte van het water op te lossen, al je verdedigingen te moeten laten varen en enkel puur te zijn op de rand van de verbranding. Hoe dan ook, we hadden het dus maar goed daar in Manali, en wouden al bijna niet meer weg, maarrr.... het verre Ladakh bleef ons roepen en enkel haar magnetisme deed ons dan na enkele dagen dan ook weer ons gaartje bij elkaar rapen om weer de bus te nemen naar een gehucht genaamd Keylong. Een kleine anderhalf kilometer hoger en een rit van negen uur verder over een torenhoge besneeuwde pas, waar we met vele scherpe haarspeldbochten tientallen oranje benzine trucks passerden die ons soms op centimeters passeerden waarbij de afgrond onze banden toelonkte en soms de rotsen de toch al niet zo compleete lak van onze bus nog wat maarde te verdunnen. Uit het dal stegen wij omhoog over de rotspieken en tot boven de boomgrens waar enkel brokkoli achtige bosjes het barse klimaat kunnen weerstaan om op het zadel van de berg grote kuddes paarden aan te treffen die daar caterde aan de vele aanwezige Indiaase toeristen. We bleven echter niet hangen en raasden nu weer naar beneden, een nieuw dal in, op het eerste oog leeg van mensen maar enkel de pressentie van een bulderende bruin witte rivier. Dan de eerste veldjes en stenen bouwsels en dan later noten en abrikozen bomen al vol met de vruchten van het nieuwe jaar. We staken een afgeragde metalen brug over en reden nu aan op det dal van Kylong waar we, toen het stalen monster eenmaal tot rust was gekomen pension namen in een hoog lichtblauw huis en genoten van het uitzicht rondom ons. Groene rijzige hellingen die uit een nauwe kloof opstegen om dan bovenaan te lijken zijn afgescheurd en dan besmeerd met een lik witte verf van een gouden penseeltje. Overal waren de hoeden van de witte ijzige pieken te bespeuren terwijl wij ons enkel bade in de rust van de hoge Himalaya's. Een dorp aan de rand van een stoffige weg, als een ruwe messnede in de zeide van de berg gekerft, overal verzakt en gestut met opgestapelde stenen. Gebedsmolens groot waren er en ook de tekenen in het geloof van vrede en compassie in ieder huishouden, een klein plaatsje, een boterlampje of een paar woorden: Aum Mani Padme Humm. Om te aclimatiseren deden we niet veel maar spendeerde een dag op ons bed en in het locale cafe om daar het standaard eten van deze regio te sampelen, Stampa en Momo's. Tsampa word hier in Ladakh eigenlijk niet zo veel meer gegeten door de influx van de vele gesubsidieerde indiase westerse voedingsmiddelen als rijst en linzen maar traditioneel gesproken werd dit overal dagenlijks gegeten. Het bestaat uit meel van geroosterde gersten korrels dat word aangelengd met zoute boterthee en een klont dikke romige yakboter wat je dan tot een melig deeg kneed dat zo of met een groente spulletje word gegeten. Momo's zijn kleine gestoomde deegflapjes of bolletjes gevuld met kool, wortel en wat er nog meer voor hande is aan groente. Omdat origineel iedereen in dit gebied Boedhistisch was word er nauwlijks vlees gegeten, dit werd namelijk beschouwd als slecht en oneerbiedwaardig. De volgende dag maakten we een fijne wandeling tegen de berg op naar een klooster waar we elkaar even kwijtraakte en wat ook dicht bleek te zijn maar bij onze afdaling kwamen we langs de tuin waar een kolosale wilg en een minstens even zo grote levensboom of Taxus zich uit de grond omhoog hadden geworsteld en de lucht verzochten met hun uitgestrekte twijgen. De mannen die daar ginds aan het werk waren keken vreemd op toen wij deze houtige reuzen zacht omhelsden maar waren erg lief en hielpen ons zelfs met het zoeken naar de gestolde tranen van de boom in zijn diepe vezelige bast die een bruin-gouden kleur bezaten. Aniet houd van afdalen en dat ging dan ook rap, rap naar beneden. Langs een pad dat een beekje was, overal groen loof en geurig kruiden plezier. Vlinders dartelden in het warme zonlicht en daar hervonden wij de weg. Deze weg, die ons over drie hoge stenen passen naar het rijk van Ladakh zou dragen. Hotsend en botsend over wat de weg genoemd werd. Oneindige velden van steen en stof doorsneden door kristalheldere of juist vaag witte gletsjer stromen die al tuimelens en bruisend hun steile weg naar beneden kozen. Enkel langs deze aderen van de aarde bloeide het groen op en verder was er enkel de wind die de ruimte constant omroerde en de regen en sneeuvlokken (jawelll) elkaar deden najagen door door het open bruine land. Als een epische reis voelden het, een onbekend heelal dat aan de stoffige ruiten van ons vreemde voertuig voorbijtrok en waarvan wij eigenlijk geen waarlijk deel leken uit te maken. Constante stromen van tankwagens kwamen voorbij of haalden we in die ons deden wonderen wat ze daar allemaal uithalen in de oude woestijn van Ladakh Op een moment was de weg zelfs zo smal dat toen we een vrachtwagen als tegenligger hadden geen van beiden kon passeren en allebei de chaufeurs vonden dat de ander maar naar achter moest. Zo stonden we daar nu, met de motor uit en twee koppige mannen achter het stuur. Gelukkig leken ze gecharmeerd toen ik ze wat Hollandse stroopwafels aan bood en de vrachtwagen gaf ons de weg. Over de Lachung-La kwamen wij op 5360 meter om dan weer af te dalen en geraakt te zijn binnen de grenzen van de vallei van Leh. We zagen de eerste grote witte huizen die hier het gebruik waren en als een burght opreizen uit het landschap van een duizend tinten beige, geel en bruin. De kleine ronde gersteveldjes als rokken er omheen met hun frisse groene halmen wuivend in de open wind. Hoe oud en archaisch ziet dit er allemaal uit. Hoe puur en eerlijk. Een directe wisselwerking met de natuur en de elementen, zonder vervuiling, verkwisting en politiek. Zo was het, een gelukkig leven, van familie en gebondenheid, zo was het in Ladakh, voor de komst van de weg. Tot dan toe was Ladakh vrijwel van de wereld afgesneden en nog het makkelijkst te berijken vanaf het spaars bevolkte Tibetaans plateau. Toen kwam met veel vuur en teer de weg tot stand en stroomde de westerse wereld naar binnen onder het mom van de ontwikkeling. Mensen waren ineens arm omdat ze nu dingen in de winkel moesten kopen omdat hun locale producten als ouderwets werden gezien. Verloren hun eigen waarde door de beelden van Indiase modellen en films en families werden uit elkaar gerukt door mannen die in de stad gingen werken en kinderen die naar scholen gestuurd werden om daar totaal onzinnige dingen te leren die hen aleen maar meer vervreemde van hun eigen harmonische samenleving. Ladakh werd een stukje derde wereld land op een totaal onmogenlijke uithoek van India waar voorheen nooit honger of armoede was geweest. In deze staat bevind het zich nogsteeds, geholpen door de overdadige aanwezigheid van het Indiase leger dat alle wegen bewaakt om te zorgen dat de dreiging maar goed voelbaar is. De geschapen dreiging van Pakistan en China in een krampachtige poging om India een te laten zijn. Hoe maak je een land een dat in zijn hele historie heeft bestan uit kleine staatjes, een land met 400 officiele talen, vele dialecten en duizende verschillende volken, kasten en meer dan 1 miljoen goden. Leh was voor ons dat ook een beetje een schok met een ware reizigers ghetto vol franse bakkers, biertenten en protserige hotels die als paddesstoelen uit de grond lijken te schieten, totaal het originele rustige sfeertje van het land overschaduwent. Gelukkig vonden we een veilige haven bij een omatje genaamd Ama-le of moedertje en ookal was ze eigenlijk vol, we mochten wel in het bed van haar dochter slapen die toch het grootste deel van het jaar in India studeerde om iets nutteloos te worden, een diploma voor een baan die er niet is en waar in Ladakh geen behoefte aan is en al zeker niet de grondstoffen. Wat een illusie om hier een slechte kopie van een kopie van een sameleving te gaan bouwen van het westen als er hier niets is dan veldjes en wat schaars water. Goed, Ama-Le's huis was nog een oude wat ooit in de velden moet hebben gestaan en de kamer die we de volgende dag kregen was dan ook ruim. Vanaf hier planden we onze tocht. Maar voor wij op dit wilde avontuur gingen waren wij eest nog naar de Gompa of het klooster van Thikse wat als een grote schimmel een hele rotsige knol heeft overdekt met aan een kant een scherpe afgrond. Het ziet er helemaal wit van de tempels, stupa's, huizen en heiligdommen en kijkt uit over de wijde groene vallei van het Leh dal. Naar boven klommen wij en zagen daar verschillende kloosterzalen allen zo gevuld met trommels en vlaggen en hangsels en bankjes en de muren zo schitterend beschilderd met boedha's en andere goden en de koning van oud tibet. Verder waren er draken en vele grappige beesten sommige binnenstebuiten gekeerd, andere in stukken of vliegend omringd met religeuze symbolen. Hoe vol het ook is in zo'n zaal, het is er vreemdgenoeg nooit te druk, het lijkt wel of alles zo tegen elkaar is afgewogen dat het in een subtiele balance verkeerd. Vele plaatjes van de Dalai Lama zagen wij ook en gouden en groene Tara's in glazen kasten. In een van de gebouwen vonden wij een reuzen bouddha al staand die zich wel door drie hele verdiepingen heen werkte naar boven waar hij overhangen was met dikke lagen gebeds sjaals die over zijn dikke gouden schouders hingen en op zijn oranje schoot. Na ons voldoende gevonden te hebben in Thikse daalden we weer af naar de vlaktes en namen nog een busje naar Stakna Gompa. Dat licht geheel afgezonderd op een andere rots aan de overkant van de rivier Indus die we met een hangbrug overstaken. De brug was geheel behangen met kleurige vlaggestjes in de tinten van het Tibetaans boedhisme, geel, wit, rood, blauw en groen en was een lieve lust voor het oog. Thikse was nog een paar jaar geleden gerestaureerd en alle wandschilderingen waren dus van een stralende helderheid. Er was hier slechts 1 monnik omdat de rest naar een viering waren ergens verderop in de vallei maar hij liet ons graag alles zien en ging na een tijd zelfs voor het beeld van de Sakyamuni Bouddha zitten reciteren van een heel bijzondere athmospheer schiep. Over de ronde rotsen van de rivier liepen we terug naar de weg en kregen al gauw een busje vol heilige stickers en nieuwerwetse Ladakhse muziek op de radio. Nu waren we weer terug in Leh en aten een broodje met Nepalese Yak kaas van de Engelse bakker, wat dat dan ook mag betekenen, en sliepen in onze lege ruime kamer op de zachte bedden. Een van die dagen waren wij ook in het Ladakhse vrouwen iniciatief centrum en kwamen daar een hele boel te weten over het wel en wee van de ladakhse 'ontwikkeling' en wereldwijde globalizatie. Ook gebruikte wij daar voor het eerst het traditionele Ladakhse WC wat uit een hoog huisje bestaat met een gat in de tweede verdiepings grond waar je dan je ding doet en wat er onder in beste compost veranders, en door het droge klimaat daar absoluut niet stinkt als je het goed gebruikt. Hier vonden we ook de connectie met het Snow Leopard Conservancy Fund die ons hielpen onze trek te organiseren. We besloten het te doen op de Homestay manier wat inhoud dat je elke nacht bij een familie thuis slaapt in hun eigen huis en daar ook eet. Dit leek ons een goeden manier om duurzaam in de gemeenschap te investeren die vaak weinig van trekkers profiteerd en ook fijn om zo dicht bij de mensen te staan en hun eten te ontdekken. Dus, na enkele dagen voorbereiding, gingen wij dan op pad, zo licht mogelijk bezakt voor de wandeling boven de drieduizend meter. Voor nu genoeg, Deel 2 volgt snel.

zondag 28 juni 2009

28.Namaste

En dan nu, de fotospecial, met extra veel plaatjes voor het begerig oog. Twee dagen lang sudderen in een zuidindiase trein laat je er uitbreken in een manie van plakkerig zweet, stof en aangekoekt vuil dat je er enkel met minstens twee keer mandi-mandi-en afkrijgt. Het was een eindeloze rit geweest van nodeloos wachten in the middel of nowhere waarbij ik mij telkens als dit voorkwam een weg naar buiten wurmde om samen met de andere mannen onder de schaduw van een boom te gaan zitten of op de rails om wat op mijn fluit te blazen, zie ginds komst de stoomboot, de torenspits van zltbommel, de lambada en zo meer. Dit had als bijwerking dat zich al gauw een dichte haag van toeschouwers verzamelde die zelfs het laatste zuchtje wind wegnam waarvoor ik nu juist naar buiten gekomen was zodat ik mij dan weldra weer naar een andere locatie verplaastte waar het hele proces zich dan weer van vooraf aan afspeelde. We reden door de verschroeide vlaktes van centraal India waar de verzengende zon met de cepter zwaait en het een wonder is als je meer dan een paar huizen bij elkaar ziet staan. In het station van Patna haalde ik deze keer zonder problemen Wanda van de trein en zo fietsten we algauw richting busparkeerplaats. Wat toen volgde is niet echt het vermelden waard maar het was een opeenstapeling van botsende bussen, ongewillige hoteleigenaren, stakingen en stroomuitval die ik enkel overleefde met de hulp van een engel op een fiets vermomd als een jonge bruinen jongenman. Het terugkeren in Nepal voelde een beetje als het vinden van en eenzame pinda op de bodem van mijn tas, een gebeurtenis die mij immer grote vreugde inboezemt. Het leek er wel niet veel veranderd aan de buitenkant, maar de littekens van de afgelopen vijf jaar worden vooral gedragen door de vriendelijke bewoners van Kathmandu zelf. De jaren van een dictator van een monarch, maoistiesche rebellen en een in en in corrupte regering hebben diepe sporen nagelaten in de Nepalese sameleving. De voedingsmiddelen die de mensen het meest gebruiken als rijst, dahl en melk zijn soms wel vijf keer zo duur geworden. Water is schaars en stroom onberekenbaar terwijl er in Nepal grote wilde rivieren stromen met heerlijk schoon bergwater. En wie is het die hier het meest onder lijd? zeker niet de politicie in hun burgten van huizen die je van muren en posters toe grijnzen met hun vette koppen. Het zijn de mensen onderaan de economische schaal die hun kinderen het centrum in sturen om te bedelen waar ze s'nachts vuil en grijs op de betonnen toritoirs slapen in groepen onder de bedwelming van de lijm die zij in plastic zakjes bij zich dragen. Thuisloos als ze zijn, na een hopeloze dag niet genoeg, nooit genoeg hebben opgehaald en bang zijn om weer naar huis te gaan met kans op een aframmeling. Dit is een werkelijkheid van Nepal, maar gelukkig zijn er ook mensen die hier iets aan proberen te doen. Zo is er een tehuis gerund door een vrouw genaamd Amma bekend als het 'Hopefull home for helpless children' waar ik vroeger ook ben geweest, om te helpen met het maken van huiswerk of het bedenken van spelletjes voor de kinderen. Inmiddels hebben ze een veel mooier en groter huis gekregen aan de randen van de stad tenmidden van de groenen rijst en kolen velden onder de wakende hoede van de bossige groene berzijden. De kinderen van toen nu veel groter en geschoold, en ik? Mischien een beetje kleiner geworden of enkel ouder. Meteen het eerste weekend in Kathmandu werd ik uitgenodigd voor een vage trance gathering ergens in de bergen en ik besloot te gaan al was het enkel voor de ervaring. Ons meetingpoint was Freak street, nabij de oude tempels en paleizen van Kathmandu, op een hoek bij de Bio-shop. Het duurde een tijdje voor alles geregeld was en dus verzamelde zich langzaam een kleurige groep chillende freaks met wie ik al trommelend en fluitend de zonnige namiddag passeerde. Toen alles compleet was liepen we met ze allen naar de microbus waar we ons met z'n 25 inpropten en gingen opweg. Voor we goed en wel het beige stof van de stad achter ons hadden gelaten was het in middels zonsondergang en na een poosje klommen enkelen van ons op het dak voor een wervelende rit. Toen we even pauseerden danste ik daar sky high op de frisse berglucht en de euforie, crystal clear. Toen, een lekke band en dan een weirde eetstop waar iedereen massaal aan de Dahl Baath ging, maar ik verkoos mijn yoga als geestelijk voeding. Daar zag ik de laaste vallende sterren, rood opgloeiend in mijn innerlijk universum, en de wonderen van het wanderende leven. De bergen, zo bewerkt door mensenhanden, de rijsterassen hoog boven mij uitstrekkend. Toen, terug in de bus voor een duizelende rit full power over een smalle bergweg. Dude, dit is trippy, ik denk niet dat ik ooit zo speecend in een voertuig heb gezeten. Het hele heelal kwam door de bus heen, en gooide mij van mijn koers op een goeie manier. Dan, eindelijk waren we er en het was een wonderschone plek. Onder ons stroomde en wild bruisende rivier in haar wilde bedding, rondom ons waren de duistere bergen en in het hemels zwart was inmiddels de bijna volle maan verschenen die ons vriendelijk toelachte. Ik voelde de aarde en was er. Helaas was de muziek mij veel te base, enkel de onderste chakra's stimulerend terwijl ik juist van boven overstroomde. Dus ging ik maar aan de verstilde weg zitten, op het grijze steen en mediteerde tot het eerste licht van de zon zich weer vertoonde aan de heldere hemel. Ik voelde mijn hele lichaam, van binnen. Elke spier en fiber in gewaarzijn en afstemming. In die rust, is het enige dat ik nog behoef yoga. Innerlijk vrede kan enkel bereikt worden waneer er eerst vrede is met het lichaam. Toen de gouden zon ons weder met zijn gouden licht betaste daalde ik af naar de schoonheid van de grote rivier en verwonderde me over haar pure pracht en weelde, deze gift van moeder aarde. In haar vloeibare lichaam bereikte ik de ultieme frisheid en was klaar voor een nieuwe dag. Ik bevond me in een van de schoonste valeien van de Himalaya en besloot dus maar eens een goeie wandeling te gaan maken. Ik liet de blowende en chillende feestlieden voor wat ze waren en stuurde mijn voeten richting de hoge bergen van de Bhote Koshi. Het verstilde dorp dat nu ontwaakte met het dreunen van de base was een sureaale gewaarwording. Mensen in grauwe simpele kleren die bundels hout of zakken rijst met banden over hun hoofd droegen. De kinderen met piekerig haar die maar eens kwamen kijken wat die vreemd buitenlanders nou aan het doen waren daar de hele nacht. Ik kan het aleen maar met hun eens zijn dat het een vreemd gebeuren was op deze bijna heilig natuurlijke plaats, ontaardend. Ik liep, en liep, soms naar beneden, maar voornamelijk omhoog, langs plekken waar mensen met hamers en wiggen platen gekleurd leisteen uit de rots aan het bikken waren en die dan door kinderen naar beneden lieten dragen om te verkopen aan de weg. Ik kwam door gemanikuurde dorpjes, maar niet op een burgelijke manier, waar bloemen over de balkons groeiden en de bewoners duidelijk plezier hadden in hun leven. Is het mischien de armoede barriere die hun, ookal hebben ze niet veel, toch laat genieten van wat ze hebben in dankbaarheid? De bergen ook maar proberen te raken met woorden zou een daad zijn van pure arrogantie en zelfoverschatting. Overal waren terassen en mensen die aan de overkant van de diep gesneden vallei met buffles hun landjes aan het ploegen waren. Al gauw kwam ik in de Boedhistiesche gedeelten waar de vrouwen vrolijk gestreepte schorten dragen en gebetsvlaggen over de huizen en tempeltjes wapperen. De hele dag liep ik en kronkelde door de grote vallei, nog lichtelijk in de waas van mijn droombetovering, zulke ongeloofelijk oude dingen, mensen, een groep schoolkingeren in uniforms die mij een heel stug vergezelden en wie ik de engelse woorden leerde van de dingen om ond heen: Bus, river, bag, road, hair, hydroelectric dam etc. etc. Er was een plek, waar de vallei een scherpe buiging maakte, waar in een arm van de rivier, een grote grote bodhi boom groeide, in verstrengeling met een kolosaal rotsblok, er geheel omheen groeiend. Een Shiva shrine was er onder, en ik voelde dat ik daar zijn wou. Ik werd toegelaten door een vrouw die er gras aan het maaien was met een korte cikkel en zat op de grijze stenen platen. Zo'n krachtplek dit, en ik liet er de tranen van de witte woestijn zwart naar de aarde rollen. Daar ligt het nu, in een stralende bol van energie, toevoegend aan wat daar al was, een monument van energie, lichtend voor de eeuwigheid op het veld van Akasha. Aan het einde van de dag bereikte ik het beloofde oord Tattopani, of terwel heet water, waar ik een houten hokje aan de rivier vond met uitzicht over de beboste helling. Ik liet mij in het hete water van de bron weken en was toen zeker klaar voor de nachtrust. Volgende dag, op het dak van de bus terug naar Kathmandu, de laatste tien kilometer te voet vanwegen de Maoistische staking wat inhoud dat gewoon geen enkel voertuig het moet wagen te bewegen of anders zal de met stokken en palen gewapende meute wel eens even je ruiten en koplampen komen uittesten op breekbaarheid. Toen begon het visa gebeuren. Ik was hier naar Nepal gekomen om te proberen een nieuw Indiaas visa te bemachtigen en dat is niet zo makkelijk. De eerste morgen was ik bij de poort om zes uur en na drie en een half uur wachten werd ik dan uiteindelijk geholpen. Ja, je mag over een week terug komen, we gaan eerst chekken of je geen crimineel bent. Okee, dus ik ging eerst maar eens wat de heuvels rond Kathmandu in, oh ja, en een beetje naar Bodhnath hier beter bekend als Bouddha, de grootste stuppa in Nepal en altijd een mooie vredige plaats om te zijn. Met wanda rolden we er heen, waren, zagen de boeddistische monniken die aan het zingen waren in het klooster aldaar, versierd met schitterende mandala's en thanka's. Toen, bij de uitgang terwijl ik Wanda aan het losmaken was stond daar een Taxi aan wie ik voor de grap vroeg of hij haar niet wou kopen. Hij nam dit echter serieus en aarzelde niet mij de gevraagde 5000 ruppees te overhandigen en bood mij ook nog aan me af te zetten bij de tempels van Pasupatinath. Zo zag ik een half uurtje later Mijn vertrouwde tweewielster vaarwel in de achterbak van een kleine witte Maruti en was het verhaal af. Het geld was voor het Hopefull home aan wie ik haar eigenlijk had beloofd, maar aan fiets kan je niet eten, en sinds er zo'n 400 euro aan reist per maand door heen gaat daar dacht ik dat ze het geld beter konden gebruiken dan Wanda. Bon, ging dus wat de heuvels in om te trainen voor mijn geplanden renddevous met Anita en wandelde enkele dagen in de heerlijke heuvels tussen de sparren en dennen. Nagarkot was mijn bestemming en ookal was er nu, vanwegen het stof in de lucht geen berg te zien, het mocht de pret niet drukken. Op de terugweg kwam ik weer door Bakthapur wat een oude, geheel autoloze stad is van geheel opgetrokken uit rode bakstenen. Het stikt er van de tempels en baden, pleintjes en heilige hoekjes en mensen zitten gewoon op hun drempel omdat het een prettige plek is om te zitten, zonder al dat verkeer. Wat een heerlijhkheid, kinderen spelen op straat, oudjes zitten op verhoogde platform in de schaduw, het is er stil en de lucht is zuiver, zouden ze overal moeten doen, vooral in verstikkend Kathmandu. Anyway, terug in Kath ging het visa verhaal verder en op m'n verjaardag zou ik het dan echt krijgen. Maar helaas had de ambassade in Nederland niet geantwoord op mijn boemanbrief en dus mocht ik twee dagen later weer terug komen, voor de derde keer om zes uur s'moreges. Mijn verjaardags dag was echter geweldig. Ik had weer twee vrienden ontmoet die ik al kende uit Israel van de Walk About Love en met hun at ik Appelkruimel taart en ik kreeg wel drie kadootjes! Als omgekeerde traditie bliesen we geen kaars uit maar stakan we er een aan, veel mooier vind ik. Er was nog 1 dag voor dat mijn Nepalese visun af zou lopen en dus ging ik naar Swayambunath, de stupa op de heuvel vol apen en met duizenden gekleurde gebedsvlaggen die in dikke trossen over de heuvels vol grote en kleinere stupes gespannen zijn. Zo een mooi gezicht is het om daar onder te zitten en het geluid te horen van de wind die er zachtjes doorheen suist. De dikke sparren met hun donkere takken, het geluid van twee jonge monniken op de achtergrond die op hun lange alpenhoorn achtige toeters aan het oefenen waren waar een enorm geknetter uit kan komen. Onder de rustige ogen van de boeddha die over de vallei uit kijken wat ooit een meer was, enkel geledigd, zo vertellen de mythen, omdat Shiva met zijn degen de rotsen kliefde aan het zuiden, en werkelijk, hoe kon het minder waar zijn?
Ik kreeg mijn visa en maakte me nog die zelfde avond uit de voeten. In de bus, in de file, voor vijf uur, slapend op het dakrek. Eindeloze slierten gekleurde vrachtwagens langs de weg, en vrolijke lichtjes van binnen. Het werd fris en dus nam ik weer een stoel maar toen het licht werd ging ik snel weer naar boven om de schoonheid van de mist te aanschouwen die als een zachte deken in het dal hing onder ons en de scherpe kloven vol tuimelende rotsblokken in de groene wand aan onze linker hand. We bereikten de vlakten en reden door de bossen van Het Chitawan park tot we de grens bereikten. Daar regelde ik samen met een Israelische broeder een rickshaw en kruiste de frontier met India. Wonderbaarlijhk was het hoe, zodra we de poort onderdoorgelopen waren die; 'Welcome to India' las, de chaos begon waarvan ik bijna vergeten was dat die zo intens was, hier, in India. Staan in de bus, gepropt in de trein, kinderen vrouwen opgestapeld slapend in het gangpad, rochelende mannen tot zo'n extentie dat je gelooft dat ze het er om doen. Het was me iets te veel en dus dook ik de trein uit in Lucknow voor een tweedaags verpozen aldaar. Ook daar was het gekte, en hitte, maar tenminste had ik er een plek om me thuis te voelen, in een guest house met een waard van de indiase maffia die mij sterk aan een kruising tussen Elvis, Cry Baby en Donny Brasco deed denken, maar uiteindelijk erg vriendelijk bleek. Toen ik Lucknows rivier, grafmonumenten met extreme hoeveelheid heldergekleurde exuberante kroonluchters en wasghat voldoende in mij had opgenomen zette ik mij reis wederom voort naar het voorlopige keerpunt, Delhi. Ook dit voelde een wat als terug thuis komen maar dan meer alsof alles is omwonden met een suikerspin rag van vettige vingers en oud zweet. Weer bemachtigde ik een kamer in het afthanse hotelfenomeen Navrang en spendeerde de eerste twintig minuten in mijn kamer met het ontwaren van de talloze aandenkingen en rotstekeningen die vorige bewoners op de muren hadden achtergelaten zonder schaam of schroom. Delhi, in afwachting verblijf ik. Nu is het enkel nog een avond voor ik vermoedelijk mijn verwekster hier ga weerzien en het is een aparte ervaring. Ik voel me niet bijzonder, maar wel heel vredig bij de momenten van innerlijke weerspiegeling waar de middaghitte mij toe gemaard. Het is de ademhaling waar de hele binnenste galaxis omheen draait, en ik vind het heerlijk er steeds meer mee te versmelten en het te zien zoals het is. Laat al het andere maar voor wat het is. Ken je dat, dan ken je ook al het andere wat er omheen is opgebouwd. Het is zo simpel, het simpelste wat er is, maar steeds, maken wij, het zo moeilijk.... Namaste

woensdag 17 juni 2009

27. Het Neusje

Lang verwacht maar niet gebeurt, hier dan episode 27. Kochi was een heerlijke tijd en ik dwaalde tussen de resten verkruimelende kolonialiteit en reuzachtige groene overschaduwende boom reuzen die alle straten lijnden. Ook was ik bij een nabij strand vol volledig geklede zwemmende indiase toeristen maar werd algauw verdreven door de overdadige hoeveelhijd regen die er plotseling uit de hemel kwam zetten, jawel, de monsoon is begonnen. Wat u hier rechts van u ziet is een ware Kerelaanse lekkernij wel bekend als een Dosa of een roast en is een knapperige pannekoek van reistemeel. Het oranje sausje heet Sambar en is een pittige currie, het witte goedje staat bekend als chutney en is een zacht koele saus op basis van geraspte kokos en peperkorrels. De lepel die hier op de foto te zien is is puur voor decoratie, die word nimmer gebruikt, enkel de rechterhand is als eetgerei toegestaan. Dit was vrijwel dagelijkse kost zolang ik in het zuiden van india verbleef.
Goed, van Kochi nam ik de boemel trein naar Kottayam om nog die zelfde middag van ergens achter een politie uitpost in een haven een boot te scoren richting Alappuzha. Er was een lichte miezer die hier enkel als verfrissend werkt. Het gehele wateroppervlak was bedekt met een dikke laag reuze waterhyacinten in paarse bloei waarover een menigte van kleine wit-beige reigertjes heen en weer wandelden op zoek naar een verscholen hapje. De boot starte de motor die open en bloot in het midden van het vaartuig gemonterd was, een soort oer rondvaartboot van hout en begon zich een weg te ploegen door het groene vloeibare landschap. We voeren door de binnenwateren van Kerala, door de ondiepe kanalen die soms bijna overstroomde als wij er door kwamen, aan beide kanten slechte geflankeert door dunne meterhoge dijkjes waarachter zich eindeloze uitgestrekte reistvelden uitstrekten, nu ondergelopen door de regen, waarin waterbuffels zich ernstig thuis voelden met buffelpikkers op hun rug en al, soms enkel hun gebogen hurens en zwarte kopen boven het oppervlak uitstekend. We voeren en meerden soms even aan bei een eilandje in deze water landen waarop een of twee huizen stonden, nu afgesneden van de rest van de wereld, de plekken waar wij onze passagiers ophaalde, op weg naar de markt, of de buren. Toen verschenen er ineens een heleboel grote deluxe vila boten met rijke opvaarders die op hun veranda met tv en air-co aan van de natuur aan het genieten waren en waarachter locale vissers in hun kano's meeliften opweg naar huis. Een wijd meer en dan waren we in Aleppy, in het midden van de groente. Vrijwel meteen werd ik opgepikt door een man met brommer die mij naar zijn huis mee nam en mij daar een kamer gaf me vreemde barok/romance achtige plaatjes van halfnaakte bosfeeen op schommels. Ik vond het alang best en knoopte mijn klamboe op en genoot van de geluiden van de jungle om mij heen die door de open ramen naar binne kwam stromen. Ik vond een boek genaamd 'Three cups of tea', en sloeg het open waarbij er enkele pagina's uitvielen en een hoop zand op mijn buik landde, dit boek had duidelijk al een verhaal te vertellen opzich. In de morgen liep ik maar eens richting het strand en vond een stralend witte katholieke kerk nabij de branding in Portugese stijl die herinnerde aan de dagen dat de Europeanen hier vochten met de locale regeerders en hun driemasters voor anker legden voor deze kusten op zoek naar de rijkdommen van de binnenlanden. Een bijna lege loods waar de mensen van 2009 op blote voeten achter archaiesche maschines zaten en op trapkracht katoen spinden tien rollen tegelijk. Wel handig als de trroom het meer dan de helft van de tijd laat afweten, dat wel, maar wat een leven. Over het echte strand liep ik waar vissers hun netten repareerden en de grote oceaangolven op het zand beukten. Waar een stenen dijk deed herinneren aan de tsunami die hier heeft toegeslagen. Dit was ook erg merkbaar toen ik nog wat zuidelijker in Amma's ashram was, waar alle omwonenden er zo de pest in leken te hebben. Ze hadden al zo wijnig, en ook dat werd hun ontnomen. Waarom gaan ze dan ook direct aan het strand wonen vroeg ik mij af? Maar ze hebben nergens anders om heen te gaan, geen land, geen fortuin, zelfs geen hoop. Ze voelen dat ze zijn overgeleverd aan hulp van buitenaf, die, nadat de mediahype over was, even snel terug trad als het ziugende water van de reuzen golf. Ik voelde me heerlijk in de ashram, steeds, ik voel me er zo op m'n gemak en in de vibe, zo rustig en waarachtig. Ik leerde er bio-dynamische compost maken met een zon-gebruinde Californier en we mixten koeievlaai en GFT en hooi en bladeren en takken maakte er een heerlijke ultra biologische taart van vol dikke hongerige microben en bacterien en schimmels en meer van dat soort types van wel een meter hoog. Amma was er niet maar zoals een van de baba's zei 'het maakt niet uit, ook zij is tijdelijk, de ashram is waar het om gaat'. Een soort spirituele composthoop is het, een plek van transformatie. Ik was daar enkele dagen en trok toen verder naar het zuiden en spenderde en vreemde nacht aan het strand van Varkala in een Bamboe hut die evenzo rook op een hoge klif en deed mijn yoga op het muffige bed. Dan verder naar Thiruvananthapuram, de hoofdstad van Kerala en een chaos op zich. Maar het had toch wel wat, onder andere een treinstation waar ik de volgende morgen de trein nam naar het neusje van india, Kanyakumari. We reden langs schoone ronde half begroeide graniet bergen grijs en bruin en daar voor, reistvelden met daarin de uitzaai vakjes waarin de ongeloofelijk groene sprietjes van de nieuwe reist in golven wuifden in de wind gecreerd door de drukgolf van onze locomotief. Het neusje, het heerlijke eindeloze eindje. Kaap Comorin en de drie zeeen die samenvloeien daar. In het miden van dit al staan enkele rotsen in de woeste branding waarop een beeld van meester Thiruvannalar en een rode tempel van heer Vivekananda staan met prachtig in zwart graniet uitgebeitelde figuren bestreken met wit poeder. Ik liep over het strand, het spectaculaire strand van geel, rood, grijs, wit, bruin en zilveren zand dat glitterde en in vlammen en figuren door de golven werd uitgespreid. Ik ontmoette een jonge Babba op straat met een vrolijk gekleurde fiets die bij de naam Pagal Baba ging en mij meenam naar een overhangende richel aan zee waar enkele beelden en lingas over de horizon uitkeken. We hadden een prettige converzatie en ik voelde me erg aangenaam in zijn aanwezigheid ookal had hij nog een hoop wild vuur in zich. Toen was er weer de trein die op mij wachtte en ik speelde op mijn 20 ruppee fluit bij het open raam waarachter de zon verdween achter de bergen, nu van de andere kand gezien, en we net voor het donker door een eindeloos veld windmolens reden, zeker tienduizend van velerlei soorten die de wind vingen die tussen de bergen door kwam. Zo kwam ik aan in Madurai en vond een kamer in een hotel dat ook als aleenstaande mannen huis diende zodat het er altijd gezellig vol was. De tempel van Madurai is groot en kleurig en heeft vele torens volgestapeld met beelden van mannen en vrouwen met dierenkoppen al dan niet naakt, gespiest of in een of andere vreemde houding, demonen en bloemen en hun bijbehorende rijdieren, slangen en wapens. Daar loop je dan onderdoor en kom je in de gekte van al de mendsen die hun eer moeten betonen aan elk beeldje, want je zou toch niet willen dat je een van die vurig ogende tiepes ontevreden stelt. Ook de olifant was present die mensen over het hoofd aaide voor een muntje als zegening en het blonk van het brons en goud. Maar ergens achter, weg van al deze overdaad en drukte, stond een enkele lingam in een hoekje waarbij een vrouw trouw puja aan het doen was. De rook van de brandende stokjes kringelde omhoog en lichte op in een enkele streep blauw zonlicht die van boven kwam om op de stenen vloer uiteen te spatten in een bron van celestijnse hemeligheid. Bergen oude bloemen en offeringen lagen ergens in een hoek geveegd te verotten. Ze goot melk en water over de stenen elips en waste hem zo zorgvuldig. Zo bijzonder vond ik het, voor haar is er absoluut geen twijfel. Dit is geen steen, dit is een levende god, en dient zo behandeld te worden. Het boterlampje brande in stilte, een man zat in lotus op de grond. Dit is india, zo oneindig, voortdurend.
Vrolijk op mijn fluit spelend liep ik door de drukte van de stad en kwam daarbij door een markt die in een reuzachtige tempel opgezet was met intens versierde pilaren waarvan er sommige gewoon hele beelden bevatten die dan ook weer aanbeden werden en vol gesmeerd waren met rood en geel poeder en waar wierook voor brande. Het was zo een bizarre combinatie daar, die hyste van plastic en verkoop drang, een heel stuk waar de naaimaschines door ratelde, en dan keek je omhoog en dan waren daar die fijn uitgehakte dieren en demonen koppen en dikke stukken oeroud steen. Terug bij mij guest house terwijl ik de trap beklom zag ik uit het gat in de muur dat als raam diende de oude vervuilde thirthank, het heilige bad voor de deur dat nu totaal omheint was door een roofbou van hutjes en winkeltjes die alles uiteraard in het water dumpten. Nu niet zo heilig meer, enkel nog een paradijs voor muggen die zich op het zwarte water lieten drijven tot hun tijd van voerangeren gekomen was. In een dag van bussen en treinen en een heleboel stof geraakte ik in het dorp genaamd Chidambaram naar de gelijknamige tempel aldaar. Ik was speciaal naar hier gekomen omdat ik gehoord had dat dit een plek is waar de Nataraj vorm van Shiva centraal staat. Hier word hij gezien als de gene die met het stampen van zijn voeten met het dansen het universum in beweging heeft gezet en houd. Deze vrolijkerd trekt mij wel aan en dus bezocht ik zijn 'hometown'. Het tempelcomplex is gigantish, nog veel groter dan in Madurai en bevat meerdere grote tempels en een groot bad en pleinen en deed mij wel een beetje denken aan Karnak in Egypte. De oude zuilen galerijen hier nog in gebruik, de daken niet vervallen en de beelden niet vekocht aan musea maar vereerd met kaarsjes en gebeden. Het is zo spacend van India, de levende oude cultuur in beweging. Maar ook in afbraak. Zo zijn er nu nog maar weinigen van de jeugd die echt iets van een spirituele opvoeding krijgen die in oude tijden een standaard deel was van het leven en de hele maatschappelijke structuur in stand hield. Een leven van de eerste twaalf jaar als kind spelen en ontdekken, dan twaalf jaar spirituele en practiesche opvoeding en les van een guru. Dan vierentwintig jaar gevangen in het familie leven van zorgen en materialiteit, dan weer twaalf jaar alleen, maar nu rondzwervend als heilig bedelaar, en dan, wat er nog van je leven over is, weer samen met je levensgezel, maar nu niet in een familie situatie maar enkel als elkaars wederhelften. Zo was het, en dat werkte duizenden jaren lang. Bij het avond Puja in de tempel werden de twee kerkklokken geluid die daar midden in de hal stonden en een rek met vele kleine belletjes er op werd ook met vol entausiasme heen en weer geslingerd. Meerdere grote kandelaars met vele pitjes werden voor de onzichtbare Nataraj gewoven (hij was zo dik onder bloemkransen bedekt dat je enkel nog een gouden neus zag als je goed keek) sommige zo groot dat ik werkelijk dacht dat ze de hele boel in de hens gingen zetten, maar het ging allemaal goed en op het einde kreeg iedereen wat heilige as toebedeeld dat op het voorhoofd werd gesmeert. Dwalend ook nog de volgende dag en me vergapend aan de ongeloofelijk versierde richeltjes en randjes in zo'n mooie harmonieuze stijl die wel met de natuur lijkt te willen blenden maar toch ook heel karakteristiek menselijk is. Het was er soms stil en dan weer vol bedevaart gangers, er waren vele baba's en in het wit geklede pundits en swami's en overal waren weer kleine hoekjes met een lampje of een plaatje of een beetje rode veeg. In een andere zijtempel was alles bedekt met de mooiste kleurge figuren, zowel in oude natuur kleuren als in gloeiende dayglow. Grote mandalas op de oude gladgelopen stenen gekalkt en pilaren bedekt met verf van de eeuwen. Wat een wonderlijke plek, zeker toen de Swami mij vroeg op mijn fluit te spelen en de zachte tonen van de hyme of the Fayeth tussen de oeroude muren van de tempel weerklonken. Ik was zo ontroerd en stil dat ik niet wist wat nu nog te doen. En ging dus maar zitten voor een stenen uitvoering van de Sri Yantra en speede wat mijn hart me ingaf. Omhoog langs de kust richting Pondychery, de oude franse colonie waar alle straten ineens in het frans genaamd waren. Hier deed ik niet moeilijk en nam maar gewoon een kamer direct naast het busstation om de volgende dag Auroville te bezoeken. Deze droomstad gebaseerd op de ideeen van Sri Aurobindo en The Mother was eens een expiriment op een dor plateau, maar is in de afgelopen dertig jaar verworden tot een groen paradijsje vol vruchtbomen, vogels en zongebruinde types die in zo groot mogelijke harmonie proberen te leven, alles centrerend om een Banjan boom en een grote gouden bol. De boom stond er eerst, de bol is het spirituele centrum van de stad in wording. Ik liep de gehele dag rond onder de bomen schaduw en bekeek hun zonne keuken die met behulp van een grote zonneschotel stoom produceert om voor duizend man te kunnen koken. Ook genoot ik van hun Auro water dat gestraald en gezuiverd is en leeft en erg gezond behoort te zijn. Bij terugkomst in Pondy had ik de meest ongeloofelijke ontmoeting met een fietsrickshaw rijder die mij, omdat ik er nogal armoedig uit zag, zijn zuurverdiende geld wou geven. Ik kon dat niet accepteren maar na lang aandringen dronken we samen een mangosapje op zijn kosten en gingen toen ons eigens weg. Wat een wonder, een engel van een man, wat een schat, moge hij voor eeuwig gezegend zijn. In de late ochtend arriveerde ik voor de tweede keer in Thiruvannamalai en was wederom thuis, voor twee dagen. Weer de brilliande dosa van de dosa kar op het plein. De tempel in voor die ene plek waar een afbeelding hing van Yogacharya, een prestorische verlichte monnik en wijsgeer, maar ontdekte dat er nu een grote plasic spandoek van een of andere andere god voor het altaaar hing, duidelijk gesponsert door de bank voor Jong India. Jawel, zo dringt het commerciele wezen dus de tempel binnen. Het stormde die avond maar de volgende dag was het weer helder en liep ik de 15 kilometer om de heilige berg Arunachala waar nu honderden lui standjes aan het opzetten waren voor de menigte van de avond, want, zo bleek. Omdat he volle maan was waren er vele mensen die om de berg gingen lopen. Wel een stuk of 500.000 in de twee nachten daar op. Mijn hotel was direct aan de straat waar ze langs kwamen en de gehele nacht liep er een stroom van mensen voorbij, allen op blote voeten! Een oneindige stroom was het die vrij stil liep voor indiase begrippen, wat een wonder. Weer veerliet ik echter Thiru sneller dan gewilt maar met een reden en het was ook goed zo. De heilige hoogtes van Arunachala werden steeds kleiner door de achterruit van de bus toen we ons eenmaal een weg gebaand hadden door de wandelende pilgrims en voerde mij spoedig naar Bangalore.
Bangalore, centrum van gekte en voortspoedende mensen massas, verkeer en verkoop. Het eerste wat ik deed daar gekomen was naar het treinstation gaan want, ik had vernomen dat daar iemand op mij wachtte. Na al mijn omzwervingen was, tegen alle hoop in, Wanda dan toch daar geariveerd en wachtte nu al weer onder een laag stof van veertig dagen in het hok van de pakjesdienst. Na een hoop gezeur over mijn slonzige afhaalbriefje dat in vier rafelige stukjes uit elkaar was gevallen mocht ik haar dan vrijkopen en na haar boeien te hebben afgelegd rolden we al gauw weer door de hete straten.
Het duurde echter niet lang, want al de volgende dag vertrok mijn trein terug naar het noorden en ook dit keer ging Wanda op hoop van zegen mee in de trein tenminste, dat hoopte ik dan maar. Ik sliep een laatste nacht in Bangaore in alweer een dormitorie, het lijkt er wel bij te horen, met box bedden en dikke besnorde mannen in hun witte hemden onder de 'meshmerizende' ventilators. En die nacht, toen ik aan de wandel ging voor een laatste zuid-indiaas maal, zag ik op de voetgangersbrug de maan staan. Wit en rond was zij daar, hoog aan de grauwe hemel. En zij was gekleed in een wit avondgewaad, zacht doorzichtig en met een lichte hint van regenboogschijnsel. Ik probeerde het aan de voorbijspoedende menigte te tonen, maar ze zagen het niet. Al wat zij zagen wat een vreemde buitelander op blote voeten die in de lucht ond te wijzen. Maar ik zag haar, en vond haar mooi, en daarmee weet ik, dat het goed was.

maandag 18 mei 2009

26. Mijn Vuur

Toen de cursus af was was ik heel blij dat ik het gedaan had. Geinspireerd en vervuld besloot ik van de heuvels af te dalen en de Isha Yoga Ashram aan te doen. Zodoende doken we vanaf de koele hoogtes weder de hete soep in van daaronder, een permanente zweem hangt over de landen, een rood oranje gloed van diep doorgedrongen hitte. Goed, na enig wachten in Coimbatore verscheen er een bus met veler onleesbaar opschrift, een ook onder andere de woorden Isha Yoga. Daar jumpte ik in en het landschap vloog voorbij. De bus vol landsmannen, beschonken en paan kauwend, rochelend en luid pratend om over het geronk van de bus heen te komen altijd weer met de vraag; 'Your country?'. Ik vraag mij af, 'wat is het dat het voor hen zo belanrijk maakt te weten waar je vandaan komt?' Is het een vraag naar identificatie, om je te kunnen plaatsen? Is dit iets in de Indiase cultuur, dat je zonder afkomst niets betekend? Op een kruising aan de rand van het bos werd ik afgezet tezamen met nog enkele andere Isha Yoga gasten en liepen we een stuk over een stofweg aan beide zeiden geflankeert door dicht doch droog bos afgeschermd met electrische hekken, tegen de tijgers, olifanten en andere wilde dieren, werkelijk. In de Ashram aangeland werd ik eerst een tijdje van het kastje naar de muur gestuurt maar kreeg een slaapplek toegewezen in de grote open hal waar alle vrijwilligers sliepen en een matras werd later geregeld op de vloer. Wonderlijk was het hoe er wel steeds iemand de Shambhavi aan het doen was wat je kon horen aan het chanten wat ze deden wat soms samenklonk en in de hele hal weergalmde, en de enige connectie was over het schot tussen de mannen en de vrouwen zeide. Ik knoopte m'n klamboe op en was content. Eerst de Shambavi doen, de oefeningen die ik geleerd heb op de cursus, en dan eten. Dat gebeurt daar ook in een lange open hal waar iedereen in rijen naast elkaar op de grond zit en de opscheppers komen dan langs met emmers eten. In stilte word het verukkelijke genoten, maar niet teveel natuurlijk, want het is maar ilussie! Eten echt van superieure kwaliteit. Veel Rauw eten en heerlijke pap en rijst en fruit en zoetigheden bijvoorbeeld eerste kwaliteit dadels gerold in cashew noten en besprenkeld met kokos raspsel, gewoon, als tussendoortje. De volgende dag zette ik mij dan ook met veel liefde aan het werk in de reusachtige keuken die dagelijks voor de duizend plus man en vrouw kookt in zo'n overdaad, het lijkt werkelijk oneindig. Grote stomende ketels op een rij, giga bak pannen, bergen pompoenen, schappen vol kokosnoten, een paar tobbes vol wortelen, komkommer hopen. Wat een feest, met z'n alle schillen en snijden en steeds proberen die focus te bewaren en het alles met liefde te doen, wat een kans. De Ashram is dus midden in het bos maar ontvangt voldoende bezoekers die naar de tempel komen kijken. Het hele terein is constant nog in ontwikkeling en het geluid van de steenhauwers klinkt dan ook tot in het binnenste van de tempel dome. Waar het allemaal om gaat is de Dhjanalinga. Een vier meter hoge zwart graniete lingam met een lichte bom vorm op een voet van donkerbruin steen die een grote opgerolde slang voorstelt. Het water en de melk die over de lingam gegoten word bij volle maan stroomt dan door de open bek door de koperen gifbuis van de slang in een emmer er onder, het teken van geven en nemen. Het geheel staat in een vierkant van water dat overkoepeld word door een twintig meter koepel met een gat in het dak vanwaar een grote gouden schaal hangt vanwaar constant water druppeld op de top van de lingam. Dit word door Sadhguru beschreven als de gedistileerde essentie van de yoga wetenschap. Hij zegt dat het de enige vorm is die permanent een grote hoeveelheid energie kan vasthouden. Het zijn in deze tempel veroorzaakt een meditatieve staat van gewaarzijn waarin spiritueele vooruitgang bevorderd word, en karma opgelost. Het is er altijd warm binnen en stil. Je kan er op de zwarte vloer zitten of in de kleine alcoven rondom in de muur. Alles staat hier in het teken van de slang, die geaccocieerd word met de Kundalini of vitale levensenergie die als een opgerolde slang verborgen licht in de basis van de ruggengraat en door Yoga vrijgemaakt kan worden. Dit is dus een Yoga tempel, en dus vrij voor alle religies. Voor de deur staat een obelisk met de tekenen er van en je word enkel gevraagd respect te tonen en stil te zijn. Ik voelde dat hoe langer ik daar zat, hoe minder er van m'n ego overbleef. Het protesteerde, joeg me er soms weer uit, maar Ik loste langzaam op. Er is daar buiten ook nog de Thirtankh. Een bad diep in de grond met stenen trappen er naar toe waarin een 700 kilo zware gesolificeerde kwik lingam net onder water staat. Nou is hard kwik bij kamertempratuur volgends de wetenschap niet mogelijk maar er word gezegd dat het door middel van lange Yogisch formules en meditaties gedaan is. Het hele bad is van rood koper en zo'n tien meter lang. Er valt van hoog boven een waterval in en het water is een vreemd groen. Je mag er in zwemmen waraan vele helenswaardige eigenschappen toegeschreven worden en is erg gezond zo, maar aleen in traditionele oranje gewaden. Dit word elke dag aan geraden omdat ze zeggen dat als je huid nat is je ontvankelijker bent voor hogere staten van zijn en trillingen. Terwijl ik mijn oefeningen deed tweemaal daags liep ik hier tussen rond in een intense staat van zijn. In rust, maar ook mijn onzekerheden. Wat te doen. Het was volle maan en de Ashram werd overstroomd door bezoekers die bloemen en melk kwamen offeren aan de Dhjanalinga. Ik vertrok met de intentie wel weer terug te keren, maar nu moest ik even bewegen. Dus reed ik weer in de bus terug naar Coimbatore, en verder naar Mettup pallayam waar ik de volgende morgen de stoomtrein wou nemen. In een schattig pension verbleef ik voor maar 100 ruppees en het regende dat het goot. Het regenseizoen vangt langzaam aan, t'is vroeg maar mij hoor je niet klagen, alles om de tempratuur naar beneden te brengen is wat mij betreft goed. Dus de trein.
Stomend en toetend. Overal rook en sissing. Grote bewegende ijzeren stangen en wielen. We vertrokken langzaam tot we bij de voet van de bergen kwamen, en toen ging het nog langzamer. Jij klaagt als de trein niet opschiet? Deze doet drie uur over dertig kilometer, maar dan wel steil omhoog, en op stoom, ha! Het was helaas een dieselstomer wat inhoud dat ze met diesel water verhitten dat dan vervolgens weer de trein aan drijft. Lijkt wat omslachtig mischien, maar die zwitsers die de loco gebouwd hebben hadden het dan ook nooit zo bedoeld, origineel was het gewoon een kolen stomer, vage indiers. Eniwee, tuf tuf tegen de berg op. Weer door het heerlijk woekerende groen, lianen en exploderende rode accasia bomen. Eigenlijk was het nog leuker de loco te zien dan in de trein et zitten, maar geeft niet, moest het gedaan hebben. Ook de coupe was oud en tweede klas en gemaakt voor vier personen op een bank, niet twee hele families zoals er nu op zaten, dus confort minimal, indian Style. Zou ook confort Zero kunnen zijn, dan was het Africa style. Weet je, het is eigenlijk best bijzonder. Hier in India zie je helemaal geen bussen met gebroken ruiten, wel met een heleboel verschillende ruiten, maar ze zijn in ieder geval heel. Wegen, ook voornamelijk heel. Dingen worden hier gerepareerd. Dat is in Africa niet zo, behalve plastic emmers, die worden er met een beetje kokosvezel en wat draad weer dicht genaaid als ze een scheur hebben. Er zijn daar namelijk geen reserve onderdelen. In Africa komen alle voertuigen tweedehands uit Europa of japan, en dan mogen ze de rest van hun dagen slijten op de verotte binnenwegen van het donkere continent. Als de ruit breekt, ja, wat doe je er aan? Als de weg breekt, ja, geen nieuwe weg maschine of zo. Dat was een keer een donatie van een of ander fonds en die is inmiddels verkocht voor schroot aan china zodat de locale burgemeester zijn tweede huis kon afbouwen. Of die staan nu ergens te dienen als kippenhok. Overal suikeriet, maar vergeet maar dat ze er sap van maken zoals hier heel gewoonlijk is in India, geen maschine, dat is investering, dat heeft niemand en is gevaarlijk. Blenders om fruit te versappen, vergeet het, geen stroom. Okee, maar ik kwam dus weer boven aan, terug in Coonoor en bleef, en sliep in een tripleks hok zonder raam, tafel of stoel, een bed met drie poten een een grijze ratten familie als kamergenoten, heel gezelli. Werd die avond ziek, zweefde als een spook in m'n deken gehuld over straat naar de kliniek en bleek na een test een infectie te hebben in m'n bloed. Doktor schreef ABC voor en de volgende dag was ik weer opperbest, enkel een paar miljoen bacterien armer. Dat was de dag waarop Sadhguru een Satsang zou geven in; Jawel, Kotagiri voor alle recente cursisten, dus daar ging ik, op daar heen. Vierenenhalf duizend vrouw en man waren daar verzameld, we werden welkom geheten door mensen in witte gewaden die ons glimlachend toe namaste'den en mochten ons schoeisel achterlaten in een gigantische schoenen stalling in rijtjes op de grond. Eenmaal nedergezeten was er eerst muziek en toen werden we gezamelijk door de Shambhavi heen gesproken door een Bramachari, een ingewijde. Daar kwam dan Sadhguru. Levend Licht. Can you see the aura of that man?! It's huge? Het leek wel oneindig, door te vloeien in andere dimenties. Een oceaan van stilte, van rust. Zo'n wijsheid in elke handeling, begrip, weten. Ik heb een ware heilige gezien, wat een wonderlijk wezen. Als hij begon te spreken bleek het alles in Tamil te zijn, ookal spreekt hij dat zelf niet zo goed. Tantelizing was het om te weten dat hij het veel beter in Engels zou kunnen uiten, maar dan zou de helft van de aanwezigen het waarschijnlijk niet verstaan. Ik las zijn bewegingen, handgebaren en stem. De energie en het licht. Het was magisch, de-mystificerend ookal verstond ik het niet. Drie uur was hij daar, en het werd mangnificient donker, de hele hemel gedeeld in banen helder en donker licht van verre donderwolken. Heb me nog nooit zo dicht bij iets gevoeld dat ik werkelijk als heilig beschouwde. Nu begrijp ik al die aanbidding beter. Het is een soort kracht die achterblijft. Verdaast blijf je staan zo overwelmt door de open energie, door de puurheid van de ervaring. Zo'n dicht contact met de absolute waarheid. Na afloop duizenden gekke dansende extatische indiers. Huilend, krijsend, laat er uit wat anders nooit toelaatbaar is, brilliant en grappig. Dit achter me verder. Richting Mysore in de staat van Karnataka. Maar opweg daarheen
gevangen door de schoonheid van het bos waar wij door reden. Zo puur en onangetast was het. Ik zag een olifant en een hert. Dat is het, 'I'm getting out!' Zo belande ik in de natuur en was twee dagen in een miniscuul dorpje aan de rand van het reservaat dat door de jungle overspoelt werd. Met een gids ging ik vroeg in de morgen voor een wandering walkabout en we zagen vele herten en hoorde wilde pauwen, een luipaard, olifanten en zagen de graafsporen van een zwarte tapir beer. Het was een wonderlijk half open half dicht begroeid landschap van gras en reuze bamboe pollen en vele bloedrode accasia's. Een fijne wandeling was het aan de voeten van de bergen, waarna ik weer verder reisde en in Mysore aan lande. Mysore is geen slechte stad opzich maar ik was er niet zo open voor en dwaalde een tijdlang in dromen verzonken rond. Dromen die beginnen te komen over de plek waar ik mischien rusten kan. Waar mijn geest rust vinden kan kwa deze wereld en wat voor deel ik daar in inneem. Het is geen zekerheid, het is enkel een visioen, een idee dat uit kan groeien tot meer. maar het feit dat het gestart is is voor mij al van grote betekenis, het betekend het mogelijke einde van mijn rijzen in ieder geval voor een tijd. Het kan nog wel even duren, een jaar of meer, maar het zaadje neemt vorm aan, nu wacht het nog op een goede plaats om te ontkiemen. Van Mysore naar de kust, naar Kerala, en maar vrezen voor de hitte. Het werd me ook bijna te veel, maar dan dacht ik; 'Zeg, je laat je toch zeken niet wegjagen door een beetje hitte, kom op man'. En dus bleef ik. Gelande in Mahe, een oud franse colonie en werd ineens weer in het frans toe gesproken, erg appart, net Africa. Hier in Kerala voel ik inneens weer echt de geur en geest van Zuid-oost Azie. Zijn het de geuren, het eten, de taal. Zijn het de mensen en dieren of is het de zee. Het is in elk geval magisch het te merken, die zoete rust van bamboe en de jungle roep. Het water dat stroomt, boten en stijgers, Oh Asia! Nu keerde ik zuidwaarts en treinde langs de kust naar Cochin of Kochi. De hele dag reden we en s'avonds begon weder de regen uit de onzichtbare wolken te gieten. Letterlijk gieten. Het kwam in zilvere straaltjes voorbij de open deur van de rijdende trein. Als een duizend veranderlijk dansende slendere slangen was het voor de duisternis van de rode nacht. Wat een koele zegening het op mijn hand en armen te laten spatten, wat een godsgift voor het land dat haar verukkelijke aroma loslaat als dank voor het hemel water. Wat een geur is dat toch, kon ik dat maar in een flesje vatten.
Weer vond in zo'n vreemde kamer. Dit maal wel met ramen maar aan een hele drukke straat en geen slot of toilet beschikbaar. Het bleef regenen en de straat was helemaal onder gelopen in een modderige stroom. De volgende morgen bleek ik waarlijk niet ver van Kochi te zijn maar voor die dag was het genoeg geweest. Kochi ontving mij hartelijk en het eerste wat ik zag toen ik van de knalrode bus stapte was een reusachtige behaarde boom die zich over de gehele straat uitspande. Haar stam een zuil, meer dan dat, een rots van een pilaar vanwaaruit een tiental lange bochtige bomen oprezen om een hemel van groen omhoog te houden. Deze ecotoop omvatte een oude pickup truck, eens helder beschilderd maar waar nu planten en een jonge boom uit de bak groeiden, het hout vermolmt was en de ruiten verdwenen. En half verscholen achter de enorme stam, stonden ook nog een stel afthanse auto rikschaws hun tijd af te wachten met gescheurd dak en lekke banden, nu enkel nog goed als schuilplaats voor een wilde viskat. Ik zeg viskat omdat dat is wat ze hier zijn. Omdat er voldoende vis word gevangen eten ze enkel dat, en stralen dus een hele vissige air uit. Het is een heerlijk rustige plek, een oude colonie stad, van Portugezen, Hollanders en Engelsen die vele witgewaste monumenten van kerken, residenties en paleizen achter gelaten hebben en het geheel een geordende athmosfeer hebben gegeven. Overal reusachtige bomen, met straatventers er onder. Een kade waar met grote gespannen netten vis opgehaald word van de kant met behulp van een vernuftig kantel systeem van stenen en ruwe balken. Het is heerlijk, de zee, fruit, rust, andere buitenlanders om perspectief mee te delen. Ik ben bezig met mezelf. Is dit egoistich of eerlijk? Dit is de wereld, is die eerlijk of oneerlijk? Ik leef om te kunnen delen. Ik ben om te kunnen zijn, hier, daar, waar dan ook, het maakt niet uit. Maar laat mij het leven leren, laat mij deze mensen leren begrijpen, en wij elkaar. Want als we elkaar niet bergijpen kunnen, hoe kunnen we dan de wereld kennen. Als wij ons zelf niet begrijpen, hoe kunen wij dan ooit denken dat we een ander kunnen bergijpen.