
Daar gingen we dan. Beiden met rugzak op richting de bus. We daalden af door de hoofdstraat die op dit vroege uur nog relatief rustig was, gingen de trappen af door de markt en kwamen langs meerdere grote twee meter hoge gebedsmolens in hun eigen open huisje met daarin mischien wel miljoenen boedistische gebeden voor een vredige wereld. Voor we op het busje stapten aten we eerst alvast een bordje Tsampa omdat dat je zo'n lekker en warm gevoel geeft op de lege morgen maag en je aansterkt voor het wandelen. De bus zette ons er uit ergens op een stof weg langs een rivier na eindeloos langs de vele legerbarakken gecruised te hebben en langs het zwaar bewaakte vliegstripje van Ladakh. We waren in Spituk en werden door een aardig meisje dat daar achter haar muur stond de goede richting uit gewezen. Zo liepen we door de groene velden over smalle dijkjes en over stroompjes springend terwijl de zon al hoger en hoger rees. Wer kwamen langs een huis waar we even wat ruste in de schaduw van de hoge ritselenden populieren en zie, daar waren drie mensen bezich draden op te zetten op een weefgetouw constructie die de hele tuin in beslag nam en uiteindelijk een smalle dikke stof op zou leveren die voor veeler doeleinden gebruikt kan worden. Verder ging het over een ruig pad door de weiden waar koeien rustig graasden en ons met hun zachte ogen vragend aankeken. We vonden een brug en staken de grijs-witte Indus over waarna we algauw de rand bereikten van de groene landen. De kale woestijn lag voor ons en wij doorkruisten haar, althans, gedeeltelijk want na een tijd voelde Aniet zich niet al te best meer en gelukkig kwam er toen ineens een vrachtwagentje de hoek om zetten die na uit zijn eigen stofwolk weer verschenen te zijn ons gewilig meenam over de gruwelijk ruwe weg. Het leek hier en daar wel enkel uit grote keien te bestaan maar het landschap was daar in tegen weer beeldschoon. We reden nu een smalle kloof binnen waar de Indus zich diep beneden doorheen perste met vele kolkingen en gespat en de steile bergen rezen nu rond ons op. We verlieten de Indus en sloegen een zei valei in waar we al na niet al te lange tijd een kampje zagen opdoemen aan de overkant van de rivier waar ook gelijk het einde van de bereidbare wag was. Vijf minuten hier vandaan vonden we toen onze eerste Homestay en werden onthaalt en een vriendelijke kamer toe gewezen met warme munt thee en rammelende glazen ruitjes die enkel met spijkertjes waren bevestigd in de oude houten sponningen van de kleine ramen. Er waren hier slechts drie huizen een wat stallen aan een smalle beek waar veel oude wilgen aan groeiden en terassen waren gemaakt voor het verbouwen van Gerst en Tarwe. Tegen de zondondergang klom ik achter het huis tegen de helling op en hoorde voor het eerst, maar zeker niet voor het laatst een pony caravaan voorbij komen met al hun vrolijke klingende bellen en het geschreeuw van de ponydrijvers. Daar boven in de wind hoorde ik de bergen verbrokkelen en terugspoelen naar de zee. Daar hoorde ik een formatie vogels voorbij scheren met een sureaal razend geluid. Dan was het tijd voor het avond maal en kregen we heerlijke noodel soep met verse groenten erin en drupeltjes deeg, een traditioneel gerecht uit de regio. S'morgens gingen we al vroeg op pad maar kwamen al meteen achter een bruisende beek vast te zitten. Aniet trok echter haar stoete schoenen uit en we waden er gewoon doorheen waarna we verder zonder problemen door konden. Er waren nu kleine bruggetjes van half vermolmde boomstammen gebouwd en alle pony's liepen gewoon door de voorden van de stroom. Zij had het er erg zwaar mee maar na een uur of twee heel gestaag door getrokken te hebben verwijde het dal zich ineens en kwamen we bij een eerste parachute tent cafe. Vanwegen de oorlog op de gletcher tussen India en Pakistan stikt het hier in de buurt van de witte katoenen parachuten die dan in de zomer geutiliseerd worden als instant afdakjes tegen de felle zon voor langstrakkende toeristen. Daar ploften we neer en rusten een wijnig alvorens ons nog wat hogerop te begeven, maar niet voordat we de vernuftige kleine watermolen hadden onderzocht die daar was gebouwd en die het graan van het dorp tot waardevolle tsampa maalt. We bereikten het dorp van Rumbak wat uit wel twaalf huizen en een gompa bestond en waar we door een schat van een gezellige ronde vrouw en haar dochter werden binnengehaald en onze bedden gewezen. Nou, daar waren wij wel blij om! In de namiddag verkenden we wat de groene vallei met haar vele rijke bloemenwijden vol witte, lila en gele bloempjes die snel van de korte zomer lijken te willen genieten, maar dan wel in hun volle pracht. Beneden bij het beekje bouwde ik een brug van grote platen en blokken steen terwijl Aniet mij met haar aangename gezelschap verblijde. Toen het avond was geworden was er intense duisternis buiten maar de hemel blonk met sterren geflonker van een waanzinigge pracht. Er waren vele vallende sterren en de bergen om ons heen waren nu vaag duister grijs zichtbaar in het overdadige sterrenlicht. We hadden een rustdag in Rumbak waarbij we allebij onze eigen kant op gingen, niet ver, maar vooral om te acclimatiseren, hier op 400o meter. Na onze rusting voelde A zich al een heel stuk beter en we gingen weer op weg, nu door een wijd open dal met een rivier die zich in wel duizend kleine beekjes opsplitste die dan kabbelend en kronkelend hun weg naar beneden vonden. We werden ook ingehaald door enkele karavanen ponny's maar dat vonden we helemaal niet erg, wij deden het gewoon op ons eigen tempo en dat was heel aangenaam. We kwamen langs wat paarse en groene berghellingen die elkaar scherp afwisselden en toen ineens gienen we een hoek om langs drie gompa's en dan lag daar het huis van Yurutse.

Een wit fort tenmidden van de bruine en grijze puinhellingen, omgeven door haar goene sappige velden hoog verheven boven de diepte van het dal. Gevoed door kunstig aangelegde kanaaltjes die het water van veraf aanvoeren en dan door middel van klontjes klei en lompen door gootjes worden gestuurt om zo elk hoekje aarden te weten te bereiken. We vonden er ons hospita en kregen een schitterende kamer met kleurige Tibbetaanse tapeiten op de bedden, gordijnen en prachtig uitgesneden lage tafeltjes met voorstelingen van woeste draken omgeven door rook en tijgers en wat zo meer. Ook hier hadden wij ons twee dagen ingedacht en zodoende hadden wij alle tijd om het boeren leven zich hier te zien afspelen. In de morgen vroeg werden er in de open stallen onder ons raam de geiten gemolken, en dat waren er nog al wat! Witte en zwarte, langharige en hele kleine. Sommige met hele lange gedraaide horens en soms liepen ze gewoon over elkaar heen zo vol was het (echt!). Daarna waren die goeie koeien aan de beurt met hun vreemde horens die alle kanten op staken en ket kalfje dat er dan niet bij mocht. Ik voelde me hier zo thuis. Wat een rustig leven, zo rond en eerbiedwaardig. Hier kegen we in de avond weer een ander gerecht voor gezet wat bestond uit een grote geplooide deegbal van gummie achtige consistentie die je dan at met een groen groenten drapje, niet echt onze favoriet. Nee, dan wat we de voplgende dag daar kregen; een groot stuk gestoomde tsampa die je nog kon kneden en waar je met behulp van je duim dan een lepeltje uit maakte waarmee je dan de verse zelfgemaakte yoghurt opschepte, mmm.
Zo zaten we in de grote open keuken die de centrale plaats van ieder Ladakhs huis uitmaakt en dronken boter thee en voelden ons thuis. Maar, de grootste uitdaging van de toch lang nog voor ons, en zodoende gingen we na twee nachten in deze stille doch levendige haven op 4200meter weer op pad. Voor ons lang de Gunung-la pass van 4900 meter en het hoogte punt van ons avontuur te voet. Vanaf de voordeur gingen we het trappetje af, want de woonkamer en keuken licht in Ladahkse huizen meestal op de tweede verdieping omdat de dieren het souterein bewonen, en waren meteen al op het pad. Het voerde ons omhoog langs steile puinhellingen tot we bij een grassig dalletje kwamen waar een kudde bepakte paarden al stond te wachten voor de komende dag. Het was nog nevelig en er viel een lichte mot uit de grijze wolken die zich overal om ons heen leken te bevinden. Het was knap fris maar omdat we flink aan het klimmen waren hadden we het toch niet koud. Verder gingen wij over de murene van waar ooit een gletsjer moet hebben gelegen en vonden daar drie nukkige ezels, een gevlekte, een bruine en een grijze met een zwarte streep over haar schouders die er willoos bij stonden zoals ezels dat zo goed kunnen. Op het basiscamp rusten wij even, nu resten hier enkel de schillen en de sintels van het kamp dat hier zoeven nog gestaan had maar nu weer door was over de ruggen van allemaal trouwe bellende pony's hoog, hoog over de bergen. We zagen en hoorden de fluitmarmotten en oh wat waren ze leuk. Verder klommen wij, mijn schoen begaf het daar op die nootlottige plek maar het maakt niet uit, we moeten door. Een onmopgenlijk steile stofhelling enkel onderbroken door hersenvormige prikbosjes die zelfs de ezels niet lusten en dan, daar zagen wij, De pas. Ook zagen we de hele vallei waar we uit gekropen waren achter ons met wolken bestrooid, uitgewaaid en schoon. Hand in hand liepen we de laatste paar meters en ja, Daar was het dan. Een zadel tussen twee stenige pinakels in, vol vlaggen en mani stenen en, geloof het of niet, Belgen. Een hele boel zelfs en ze hadden het over was in de maschine steken en nog meer van dat soort vrolijke vlaamse praat die ons zeer aan het glimglachen maakte. Uit de wind met onze ruggen tegen de mani muur bekeken we nu ons nieuw bekomen rijk. Lang en wijd, als een halve tunnel lag er een groen dal van waaruit rode en oranje kammen oprezen. Daar achter, ver weg tegen de helblauwe hemel stond een glazig witte muur gevormd door de Zanskar range. Pony's kwamen voorbijgebeld en wij waren ver over gellukkig. We hadden het berijkt, ver over verwachtingen, buiten proporties, hoger dan de Mont Blanc, en dat alles te voet. Aniet liet een gelukzalige traan en toen daalde we in een razende vaart weer af naar onder. Die Aniet die houd van afdalen en nou, dat ging ze wel even laten zien natuurlijk. We raasden langs hele colonies bruin beige fluitmarmotten van veeler formaat, hele dikke, maar ook hele kleine. Schoten pony karavaanen voorbij. vlogen over beekjes en lieten enkel een formidabele wolk stof achter ons, samen met veel opspattend steengruis, vermalen onder onze vlijtende voeten. Zo berijkten we een klein gehucht van drie huizen en bleven er in een, enkel het geluid van een watergedreven gebedsmolen beneden bij de beek die de perfecte stilte verstoorde, ting, ting, ting.... . . . . De nacht kwam, de morgen verscheen en verder ging de reis. Door een nauwe kloof vol wilgen bosjes liepen wij nu en de beek die er hemels doorheen liep, mooier dan een glazen roosje, eleganter dan de fijnste parelketting, gesponnen aan een draad van droomzeide. We verpoosden ons een tijdje aan haar gezegende oever alvorens weer door te gaan en laat in de middag in Sku te belanden. Daar was weer zo's burght van een huis en we hadden een kamer met aan twee kanten grote openklapbare ramen waardoor het roodgouden zomerlicht kwam binnendrijven en de vermoeidheid uit onze spieren blies. Lager stroomde de grote slepende Markha rivier in een bed van ronde rode en grijze kiezels en voor ons raam stonden grote groene populieren met de wind te flirten. Onder ons raam stond de koe die erg haar leuke witte kalfje miste maar de thee was zoet, of zout en zo ook onze dromen. Nu kwamen we bijna aan het einde van onze wandeling, maar nog zeker niet helemaal. Vanaf Sku liepen we langs het dorp wat bestond uit een verzameling stenen huizen en stallen en kruisten door de winderige vallei waar we uitwaren gekomen. We volgden de Markha maar dan hoog op de bank over de reistevelden waar ook veel scherpe rietstengels uitstaken en wat zwart zag van het moederkoren. Hier zag je al duidelijk hoe de ontwikkeling het oude leven aan het afbrokkelen was, de kinderen allemaal naar een of andere verre school gestuurd, betonnen hokken van huizen opgetrokken in plaats van de natuurlijke ronde vormen van het leem, en de velden die door het gebrek aan handen nu aan het verwoekeren zijn, hartelijk dank IMF, WTC en Wereld Bank. Daar was er ineens een ruw aangelegde weg die rauw door de heuvelzeide sneed. Hier en daar weg gespoeld of de halve heuvel verzakt maar, beschaving zullen we ze wel eens even aanleren. India is zeker niet van plan het mooie toeristen paradijsje van Ladakh aan die nare Pakistaners af te staan, behouden al moet het met geweld. Hier wouden we dus niet per se overheen lopen en dus doken we de weg af en namen een gevaarlijk pad dat schuin de heuvel af ging en toen veranderde in een watergoot in aanbouw, ook hier en daar weggevaagd door de plotselinge vloed regens. We liepen zo goed en kwaad als het ging langs de Zansker waar we nu inmiddels bij gekomen waren, de Marka er als een druppende kraan er in verdwenen. Soms klouterden we over gammele boomstammen die over gapende gaten waren gelegd waaronder de rippende Zanskar met een noodvaart verder voerde. Dan schoven we weer op onze buik over een stel buizen met onze rugzak tegen de overhangende rots schrapend. Dan balanceerden we onszelf weer op een voet terwijl we paadjes overstaken van niet meer dan een hand breed over losse bergen scheef puin die recht naar het water voerde. Het lijkt ongeloofelijk maar, we haalden het, ik ben uw bewijs. Daarna was het verder vrij makkelijk afgezien van de kabelgongel dan die over de zuigende Zanskar gespannen was en waar je je in een 1x1 meter bakje met spletige houten boden zelf moest voorttrekken terwijl de wind zowat de haren uit je hoofd rukte en je handen steeds net niet werden geplet door het rollende katrol wat er als een kaaiman achteraan kwam. Zo kwamen we dus op de echte weg aan, nou ja, weg. Een streep stof met een gat er door, stof zo dun dat als er een band doorheen ploegde het in wolken opspatte alsof het puur water was. Langs de te gekke Zanskar liepen we met een vieze Bailys kleur (volgens Aniet) en met een melk waar je thee bij gedaan hebt gemixt met afwaswater kleur (volgens Ga) . We keken dan ook voornamelijk naar de andere kant, de muur kant te weten waar zich een kaleidoscopisch schouwspel van hoog geologische waarde zich afspeelde. Lagen zand, klei in vele kleuren en grint waren er laag op laag gestapeld, hier en daar weg gesleten door de wind en dan weer bestaand uit dikke gelijnde rotspuisten. Het grint lag zo los dat we het met een welgemikte steen zo konden laten instorten en we veroorzaakte dan ook geen weining reele steenlawine op schaal. Dan kwam er ineens weer prachtig helder water uit de rots zetten en waren er plantjes. We ontmoeten een groep mensen die daar aan de weg aan het werken waren met kinderen en al en deelden met hun onze mondvoorraad alvorens weer verder te gaan. Om een hoek lag daar Chilling verscholen maar we vonden het en klommen omhoog naar onze laatste Homestay. Weer zo'n brilliant oud huis wat eigenlijk wel een opstapeling leek van vele vergane generaties woonsteden half in en op de rots gebouwd. Voor de deur groeide een mega titaan van een reuzewilg met dikke dikke bruine stam vol grote groeven en kerven tussen haar stevige basten jas. Haar takken zo dik dat sommige onder hun eigen gewicht gevallen waren maar nogsteeds rees daar boven je hoofd een hele wereld van groen loof op dat menig eekhoorn en snelgebekte vogel verscholen hield. Dan waren er de Abrikozen bomen, Oh de abrikozen bomen, zal ik ze ooit kunnen vergeten.

De pure wellust van hun overdaad, de heerlijke tractatie van hun zoete lekkernij, zo van hun tak in jou mond. Overal stonden ze, hele rijen knoestige trouwe wachters, beschermers en verzorgers van deze mensen die verkiezen op zo's onherbergzame uithoek van de wereld hun intrekken te nemen. Daar omheen lagen de velden die, op deze betrekkelijk geringe hoogte van 3160 meter naast gerst en tarwe ook vele bloemen, boontjes en olizaden voortbrachten in wat welhaast een levend en sappig eden leek na onze dagen in de steenwoestijn. Hij was er nog wel, en je kon hem zien over de toppen van de bomen, barstig en naarlijk, maar ook eerlijk, de kale rotsen zo nabij. Na wat rusten daalde ik af langs de watermolen die ook hier draaide, weliswaar zonder ting, ting, ting... . . . en vond een heerlijke koele beek die door een smal dalletje kabbelde vol vlinders en planten en geurige bloemen. Het was er stil en overal droop water van de rotswanden vol mos en varens. Daar zat ik aan het water, en erin, en toen begon zelfs het water zo recht uit de hemel te vallen, als een laatste vloeibare zegen. Toen ik terug kwam bij het huis was Aniet daar met de moeder des huizes abrikozen aan het openmaken om ze te drogen maar ik had er inmiddels zo veel op dat ik geen pit meer kon zeggen en heb ook nu zelfs nog overdosis verschijnselen. De avond voor ons vertrek zaten we na het eten in de keuken met de familie dat is, de jonge moeder met haar stevige rok, twee dochters die allebij het grootste deel van het jaar in Leh leven om daar naar school te gaan omdat in de winter de weg dichtgesneeuwd is en grootmoeder in haar donkere treditionele schortejas van donkerpaars vilt met vele plooien.

Zij was constant aan het spinnen op een kleine stenen spintol met een houten stokje erdoor en spon zo de meest perfecte dunne gelijke draden met het grootste gemak,als het moest met het puntje ijverig in een theekopje tollend. Een navraag naar hoe lang ze dit al deed, ach, een jaartje of zestig. Ze begon toen ze 24 was, dat maakt haar nu dus 84, zit ze er nog kwiek bij voor zo'n oudje, melkt koeien, loopt de hele dag rond, jaa, slecht leven hoor die Ladakhis, dat moeten we beslist ontwikkelen. De volgende morgen kwam de bus en reden we zo algau weer terug richting Leh. Maar de rit zelf was een hele tour opzich en we zagen de Zanskar bij de Indus komen, we zagen de bergen overgaan in het zand en de vlakte van de vallei van Leh en even, al bovenob de bus gezeten, zag ik daar de witte toppen van de Karakoram range, oplichtend in het namiddag licht, ver en onwerkelijk, maar toch eigenlijk ook wel zo dichtbij, in Pakistan. Zo kwamen we terug in Leh en sliepen weer bij Ama-le in die grote lege kamer aan de touristen ghetto straat. Ook bezochten we nog twee kloosters, die van de oude Ladhakse hoofdstad die grotendeels dicht was, maar wel een grote Boeddha had, rustig zittend in de spaarsverlichte zaal. En Spituk, dat we via een merkwaardig paadje bereikte en waar we eerst op een open platform kwamen waar we zowat werden afgeblazen door Jan de wind, maar niet de Boeddha die daar zat. Die zat in zijn stenen vorm onbewegenlijk en vredig, uitkijkend over de leegtes van dit verborgen Sangri-la. Toen planden we onze uittocht route, weg van Ladakh en namen zo de bus naar Alchi, iets ten noorden gelegen. Na een snelle rit bereikten we dit dan ook en bleven er voor de nacht. Voor het klooster daar waren we gekomen en het word gezegd dat het het oudste is in Ladakh dat nog resteerd. De muren zijn dan ook donker vol roet van de vele jaren maar de vriendelijke schilderingen blijven helder en vrolijk uit die tijden dat hier nog geen westerling ooit voet had gezet en de winden nog vrij konden rondspelen, ongehinderd door telefoon masten of electrischiteidskabels. Een zandmandala was daar, zoo ongeloofenlijk intricaat, zo perfect en stralend in zijn pure schoonheid. De Kalachakra in een glazen doos,

wat een intens web van vormen, en al dat ik hoorde om mij heen was; oh, ja, wat een mooie kleuren, ja wel leuke kleuren he? Het deed er niet toe het was mooi. Ik kwam in de laatste kamer waar vier Tara's in het schemerlicht stonden, goud, groen, rood en wit. Omringd door door symbolen en wilde dieren koppen waren zij, vier beelden elk een windrichting vertegenwoordigend, het licht uit een gat in het dak er doorheen stralend. Een oer gevoel gaf het mij, een animistische totum in dit centrum van zulk mooi Tibbetaans Boedhisme. Een tijdje zat ik in de abrikozen boomgaard en vergaarde mijzelf en de indrukken van dit wonderlijke Ladakh terwijl om mij heen de vruchten uit de hemel op de grond neer ploften, maar niet op mij. Op weg naar buiten kwam ik langs de grote witte stupa die daar was met vier poorten er onderdoor en langs de bibliotheek waar we eerder de vele dikke omwonden heilige geschriften hadden gezien weggeborgen achter glazen ruitjes en bewaakt door de boeken bewaarder. Ik liep terug langs de velden waar hier al de halmen in schoven lagen te wachten op het komen van de dorsmaschine en dan de molen. De akkers lagen er nu geel bij en de lucht vibereerde door de intense energie van de schoonheid. Ik zat op een rots en zag hoe de oude huizen van modder werden weggespoeld door de spaarse regen en hoe nieuwe hun plek in namen. Ik zag de wolken om de stenen pieken spelen en de zon verdwijnen uit het dal terwijl de lucht en het water van de stroom de zelfde kleur aan namen. In de morgen werden we met de auto naar de brug gebracht en stonden langs de weg. De bus was vol dus lifften wij en kregen algauw een rit die on helemaal naar Kargil meenam in een luxe voyager. Zo kwamen we aan in de Moslim gebieden en waren we in Kargil, waar we twee nachten op de bus wachten moesten. Het was niet erg, we bevrienden de lokale kapper met zijn geweldige oeroude houten kapperstoelen en enkel gaas voor de ramen. We maakten wandelingen door de bossige omgeving en vonden alweer een abrikozen boomgaard met zoveel oogst op de grond dat het moeilijk was een plek te vinden om te zitten zonder een oranje vlek op je deriere te krijgen. Maar de bus kwam en nam ons mee door de nacht naar Srinagar aan het meer van Dal waar we niet in een veradelijke woonboot bleven slapen maar een aardig hotelletje vonden begroeid met klimhop en wingert, en zelfs piespotjes. Waar we een uitzonderlijk schone kamer kregen en zelfs zoiets als onze eigen bel boy om ons steeds weer warme camille thee te bezorgen. Diezelfde dag nog ging ik de heuvel van Shankaracharya op die vol zat met het dichtste knopering jungle groen wat ik in tijden gezien heb en zag daar de tempel gewijd aan de Shivalinga die er bovenop staat. Ook zag je van daar het meer en de uitgestrekte stad en de rijen woonbootjes die dreven op de gladde waterspiegel van het meer. Na wat uitgerust te zijn en weer gewend aan het warmere klimaat hier beneden gingen we toen de volgende dag voor een wandeling tussen de wilgen en belanden in een broek achtig gedeelte waar overal scheefgezakte huizen op palen stonden net aan de waterrand en die met elkaar waren verbonden door middel van karakteristieke houten vlonders en bolle bruggetjes. In dit idilische oord liepen wij een tijd rond en werden nog uitgenodigd voor echte Kashmiri Khawa thee met specerijen erin bij een familie thuis in een wonderlijk mintgroen geschildert huis. Daar hadden we het zo eens over de oorlog die hier wel lijkt te woeden omdat je op elke straathoek een soldatenpost ziet staan met veel beton en prikkeldraad en over het mileu dat op het spel staat door de vervuiling van de vele woonboten. Toen gingen wij weer verder en bij een man met een heel groot dik schaap wat uit Rusland bleek te komen vonden we een jongen met een bootje en voeren we weg. Het was een schattig schuitje met een versiert dak en bloemgordijntjes en ze peddelden ons langzaam door de kanalen en vaarten van het meer van Dal. Het was er werkelijk wonderschoon met drijvende tuinen van riet en waterlelies en soms een groot veld bloeiende roze lotussen die fier met hun magische reine bloemen boven het water uitstaken. Het water zelf was van een ongeloofelijke helderheid en het kabbelde kalmpjes onder de boeg van ons bootje. We kwamen door straten die geheel van water waren maar waar er wel gewoon winkels waren als een kapper, een meubelzaak en een gruiter, allen gewoon met hun eigen aanlegsteigertje. En zo voeren en mensen en kinderen in kano's om boodschappen te doen of om even wat te gaan halen in de stad.

Wat een wonderlijke wereld, zo op deze waterspiegel, we konden er geen genoeg van krijgen. Uren dreven we rond met hier en daar een uitleg of aanweizing van onze entousiaste bootjongens en aten zelfs pakora bij een drijvende snackbar midden op het water. Na door nog wat hele smalle kanaaltjes te zijn gevaren gingen we weer op land aan en was de dag ten einde. Nu zo ook bijna onze gezamelijke reis maar voor we naar Delhi zouden terugkeren hadden we nog twee dagen te besteden en dus gingen we voor die tijd naar een vallei een stukje buiten Srinagar. Daar, in Palgham sliepen we hoog op de berg in het huis van een eigenaardige man genaamd Bashir met een lange zwarte baard die trouw vijf keer per dag zijn gebed naar het westen uitvoerde zo op het gras voor ons huis. We maakte een fijne lange wandeling door de heerlijk geurende dennen en ceder bossen met hier en daar een reuze spar waar het stikte van de cikaden met hun groene lijven en overal vonden we hun oude vervellingen die nog tegen de basten van de bomen aan gehaakt zaten met hun scherpe klauwen. Ook zagen we enkele bos Roma die hier in simpele kampementen met hun dieren leven en waarvan de vrouwen kleurige rokken en hoedjes dragen. Oh zo heerlijk was het bos, maar nu was het echt tijd voor ons om terug te gaan naar die grote gestoorde stad, de exit naar Delhi. Terug naar Srinagar en toen de bus waar we bij het wachten taaie broodjes aten met verse paneer en heerlijke yoghurt hadden toe, uit een echte yoghurt beker. Over de bergen en de hitte in, bam! Dat is wel een klap in je gezicht, en al je porien die weer eens flink gaan spuien. En bij het aankomen een torrentiale tropische stortbui waarbij we bij het schuilen samen met minstens vijftien korte Indiase jongens onder een klein afdakje gepropt stonden, en dan die paraplu ergens uit die tas proberen te krijgen. Sorry, was dat je oog? Hee schuif eens een beetje op man en sta niet zo te duwen, ja hij is toch al doorweekt, nee, he? Wat, wil je ook wat paraplu?, zeg! Etc. etc. Goed, toen de regen wat bedaard was en de straat niet meer een rippende stroomversnelling was namen we een rikshaw en werden in een belachelijk semi lux hotel binnengelaten waar alles wel net en posh leek te zijn, maar het eigenlijk net niet was, maar het eten was wel lekker, en, voor het eerst van me leven met echte Roomservice!! Tataa! Die goeie ouwe trein nam ons toen mee in zijn vaart naar het capitool en na de eerste honderd kilometer in de tweede klas gezeten te hebben met allemaal gezellige mensen verplaatsten we toen naar de eerste VIP klasse met air-con en couchette en super deluxe bordeaux rode ligbanken met leeslampjes en zelfs een plek om je pak op te hangen, stel dat je het had. Hier luisden wij op de schone lakens, volledig uitgestekt en in royaal comfort, ons afscheid nabij. Wat een geweldige reis was het weer geweest, en hoe anders dan de vorige keer. Andere energie, andere dingen om te vertellen, andere lessen. Ohh hoe heb ik genoten van de aanwezigheid van mijn liefste en wijze moeder, met haar liefde en compassie, grappigheid en emoties. Zo een trouwe reiskamaraad en zo'n stoeren moeder. We vertelden elkaar verhalen en gedichten, noemden omstebeurt bomen op en kwamen wel op een stuk of zeventig, tachtig, een wandelende natuur enceclopedie waren wij samen, en een wezen wonder. Zo nam ik weer afscheid, maar ook niet echt, het is die draad die nimmer gebroken is, een ei waarin wij samen leven. We liepen door Delhi's rook en chaos en ik bracht haar s'avonds naar het vliegveld. Zo verdween zij weer uit mijn fysieke leven achter die glazen wand met al die mensen, maar van mij vandaan is zij nimmer, hoe zou dat ook kunnen, ik ben immers, een levend deel van haar, een twijg aan haar tak, van onze goddelijke wortels, de wortels, van het leven.