Zo, dat was een lange blog-stilte, maar nu weer een verwoede poging om mijn meest recente omzwervingen in woorden te digitaliseren, kort en bondig. Na nog een aantal nachten in het heerlijke Vashischt met haar bronnen en beboste hellingen, houten huizen en goedaardige dorpsbewoners, als wel als een gijsharige Baba met wie we enkele keren rond het vuur zaten, zat mijn repoos er op en was het al weer tijd voor mij om India wederom te verlaten vanwege mijn visa perikelen.
En dus nam ik op een frisse sterne namiddag de bus vanuit manali waar de late zon wolken roos verlichte waar ze zweefde boven de grillige toppen van de donkere berg. We zoefden door de nacht en geraakten zo zonder veel oponthoud in Daramsala, maar dan wel om vier uur s'nachts. Nou is er niet bijster veel te doen in Daramsala om vier uur in de ochtend maar toch was er al een stelletje mannen wakker die op een hoekje chai stonden te maken die ik met wat Tsampa uit mijn tas veranderde in een heerlijk warm en welbehagend ontbijt. Ik herinnerde me deze plek nog redenlijk goed van zes jaar geleden en liep dus na een poosje naar het nabije Dharamkot, door het duister, door het grote stille bomen bos. Nog altijd was het duister toen ik daar geraakte en uit de vallei klonk een jammerlijk doordringend gekerm op vermoedelijk van een sterfgeval. Ik liet me er niet zo door storen en ging op een open plek zitten om de morgen af te wachten. Dat was niet lang meer en al snel verbleekte de vele sterren en de maan todat aleen de Oh zo heldere Jupiter nog fier aan de hemel stond te blinken tot net voordat de zon achter de horizon tevoorschijn kwam. Nou bleek al gauw dat ik weer eens op precies het juiste moment was komen aanzeilen en dat er al de volgende dag een drie daags seminar van de Dalai Lama zou zijn hier in zijn eigen tempel wat redellijk uitzonderlijk is. Ik schreef me dus maar in en zat zodoende de volgende morgen met een vers gescoorde radio aan mijn oor (om de vertaling uit het Tibbetaans te kunnen horen) tussen de vele andere duizende van ieder soort en kleur, maar toch ook overwegend veel diep rood en zonnegeel van de monniken en nonnen uit Tibet. Zo was ik daar voor drie dagen en het dorp was in rep en roer. Maar zoals ik al schreef liep mijn geoorloofde verpoos te einde en dus daalde ik nu af van de Himalaya naar de vlaktes van Punjab, per trein. En niet zo maar een trein, maar een smalle baan trein die zich over honderden bruggen en vele tunels door het vruchtbare sappige groen bewoog al dan niet op een al te hoog tempo. En zo legden we in de volgende zes uur de 141 kilometer af naar Pathankot, een groot kruispunt van vele wegen. The road goes ever on and on,
down from the door where it began.
Now far ahead the road has gone,
And I must follow, if I can.
Pursuing it with eager feet,
Until it joins some larger way.
Where many paths and errands meet,
And whither than, I can not say.
- J.R.R. Tolkien -
In de chaos van Pathankot verbleef ik voor de nacht, en ontbeet met mini poerie's, wat erg schattig was ookal wemelde het er van de vliegen. Toen weer in de trein en op naar Amritsar, de hoofdstad van de Sikhs. Laat geen kwaad woord gesproken worden over de Sikhs, ze waren werkelijk aller vriendelijkst. Er was een gratis slaapzaal, gratis water, gratis eten in een gigantische maschine van een keuken. En alles was on-Indiaas schoon.

Blinkend schone vloeren van glad wit marmer versierd met vele figuren en nagedachtenissen aan Sihks uit de hele wereld. Ik voelde me al heel lang aangetrokken door de gouden tempel in haar schone spiegelvijver, en nu was ik er dan toch beland. Er word constant shanti muziek gespeeld wat het zingen van hun heilige boek is, die word beschouwd als een levende Guru en de hele omgeving is prettig en vriendelijk. Vele malen liep ik rond de grote vijver en bewonderde het schitterende juweel van de tempel in haar midden. het was ook hier toevallig weer een festival en het was er dus afgeladen met vele kleurige betulbande tiepes, sommige met hele sabels aan hun zeide en blauwe flapperende gewaden en rijkelijk bezette gordels. Wat een statige lieden die Sikhs, echt zo uit een oosters sprookje. De keuken is een wonder op zich en voed naar hun zeggen meer dan dertigduizend mensen per dag. Het eten is wel simpel maar gaat rap. Je zit met honderden op de grond in lange rijen en eten word op je bord gegooit in razende vaart. Dan ga je naar beneden waar een geluid vandaan komt alsof twee razende orklegers met volle vaart op elkaar in rennen of alsof een bulldozer over een hele berg golfplaat heet dendert.
Het is de afwas die door vele honderden handen tegelijkertijd gedaan word in verschillende bakken en er word gesmeten en gegooit met de vaat dat het een lieve lust is. Behandel de vaat met zachte hand is er hier niet bij, tempo! Maar alles gaat in zo's spirit van vreden en goodwill, ik vond het echt zeer plezant. Ik liet de witte tempels weer achter me en ging nu echt op Nepal aan, weer. De zelfde grens, zelfde verkeers chaos, zelfde hitte, maar een andere tijd en objectief, Vipassana. De nacht bracht mij veilig naar Pokhara waar ik een week mijn tijd afwachte aan de kanten van het groene koele meer. Weer was het net festival tijd, Dasain was het en overal verrezen grote bamboe schommels waar door de kinderen verwoed op geschommeld werd tot laat in de avond, mensen liepen met reuzachtige tika's rond van rode rijst en witte pasta soms wel zo groot als een halve golfbal, erg fraai allemaal. Pokhara met haar bootjes en vissers, riet, koeien en waterbuffels, en het levendige bos. Het heerlijke bos wat de jungle genoemd word die ik hier en daar verkende met een stevige wandeling naar de kam van de heuvel, daar waar de beek uit de grond kwam opwellen. Naar de kam door de velden van droge stopels waar nu man en vrouw gras aan het snijden zijn voor de komende winter, of het droge seizoen. De kam vanwaar je geheel Pokhara kon zien en ook de bergen. De wonderlijke bergen die verstoppertje speelden met de wolken en tegen de avond een rij ongeloofelijke donderkoppen tevoorschijn bracht die oplaaide in het oranje vuur van de zon en ons in de nacht bereikten om de bananen planten buiten mijn raamen te doen zwiepen en buigen om er in de morgen verfomfaaid bij te staan. Die rotsige kam, waar ik als een ongekend koning op de stenen trans mijn plaats deelde met een meester van de wind, kraalogen en vlerken zwart met een illuster blauwe gloed. De week in Pokhara paseerde en ik poogde mij voor te bereiden op wat komen ging. Maar is het echt mogenlijk je op zo iets voor te bereiden? Mischien een beetje, hoe dan ook, op een goede morgen liet ik mijn meeste goed achter onder het bed van mijn hospita en trok naar het meer van Begnas, een dozijn kilometers buiten de stad zoals de bergkraai vliegt. Op een uitstekende heuvelrug hoog boven het oppervlak van het meer vond ik het roodgekleurde retraite centrum en was gelukkig nog op de juiste dag ook. Die avond begon de stilte,
ookal was het dichte bos om ons heen nooit stil van de cicaden en krekels en de uberluide alarmkevers die al bij het eerste straaltje licht lieten horen dat ze weer een nacht overleefd hadden met een oorverdovend gesnerp. Om vier uur in de ochtend rezen wij voor tien dagen lang en werden door middel van meditatie en ademhaling de diepere regio's van ons bewustzijn in geleid. Meer dan tien uur per dag zaten wij in de Dhamma hal en leerden de weg van de Gautama de Buddha. De weg van de vrede en compassie. De weg van een eerlijk leven en van het leren kennen van jezelf. Tien dagen waren wij in stilte met een mens of vijfentwintig ondergingen wij dit innerlijke experiment. Het expiriment van Vipassana, dingen zien zoals ze werkelijk zijn. Veel woorden vallen er over uit te storten maar zoals de Buddha al zei, je moet het ervaren, woorden brengen je er niet. Ik raad dus een ieder aan die er meer over wil weten het zelf te proberen, ik heb de website hier boven in het lijsje gezet. Over de pijn van het zitten kom je wel heen, en juist die pijn kan zo een hulp zijn om dieper in jezelf te duiken. Geen verzet, geen lijden, acceptatie en rust. En meneer Goenka liet ons lachen en verwonderen over onze eigen onwetendheid en fasineerde ons met de wijsheid van de Dhamma (Dharma). Ik vond het een onwaarlijke ervaring en wie weet word deze nog vervolgt. Ik mediteer nu in elk geval een stuk meer dan eerst en probeer constant de wereld te voelen, te ademen in bewustheid en lief te zijn voor alle wezens om mij heen. Op een zonnige morgen waarbij de hele Dhaulagiri bergketen voor ons zichtbaar was werden wij weer vrijgelaten in de buitenwereld en ook dat was een wondere ervaring. Zo schoon en kleurig leek de wereld. Maar ook zo onwerkelijk. Wat een wonder, een wonder. Terug naar Pokhara en slapen en zijn in de Boedhistische gompa aldaar met zo veel vriendelijke gezichten die mij aankeken als ik uit de stilte van mijn meditatie kwam opgedoken. Nou ja, stilte, het gekwetter gaat gewoon door ,maar het raakt me op een of andere manier nu minder dan eerst, en ik ben meer gewaar door middel van mijn zintuigen. Maar ook dat was Anithya of tijdelijk en zo vond ik mezelf twee dagen later al weer zeilend bovenop de bus richting Kathy (Kathmandu) terwijl de onwerkelijke witte muur van de Anapurna Himal achter mij verdween, maar het duurde een hele tijd en ik heb meerdere keren mijn nek verdraaid om het sureale spectakel dat ze waren te aanschouwen. Kathmandu begint met een langen trage opstopping op s'lands enige tweebaans 'snelweg' en die duurt eigenlijk wel gewoon voort tot in het centrum van de stad. Maar ik houd van Kathy, het heeft iets. Een diepgewortelde athmosfeer, een huiselijke geur, een charme die ik nooit faal op te pikken, en nu ook een vriend. Jawel, mijn goede vriend en broeder Stephan heeft na vele jaren slavernij en bondage de schakels van het westen van zich af gegooit en is voor het eerst op de bonnevooi op reis gegaan, en ik mag hem hier in de fijnere kneepjes van de kunst inwijden. Zo kwam hij geheel vers en nog geurend naar het Europees continent de deur door, en is hij nu al weer een aantal dagen hier, en weet inmiddels het verschil tussen een puri, een chapatti, een naan en een parotha, als wel de reden waarom Nepal Nepal is. Hij, en ik ook wel vielen weer eens met onze neus middenin de ghee want het is nu Deepawali festival wat vijf dagen duurt en gepaart gaat met een hele hoop feeselijkheid en versierde straten. Het is het lichtjes feest en in de avond, waneer de stroom uit gevallen is zijn alle huizen met boterlampjes versierd,
voor de deur en in de kozijnen en er worden prachtige rozetten en figuren op de stoepen gemaakt om Laxmi, de Godin van de overvloed te verwelkomen en er is veel vuurwerk. Vanmorgen toen ik uit mijn slaap geknalt werd begon er een fantastische optocht van wat mij de vele verschillende stammen van de omgeving leken. Allen hadden ze net weer iets andere kledij en de meisjes en vrouwen hadden echt de meest spectaculaire versiersels aan, op hun hoofd vooral. Het ging gepaard met veel getrommel troepen heldere fluitenisten en af en toe een klarinet. Het hele Durbar plein was vol met mensen en er werd ook met lange bamboes gezwengeld waaraan yakstaarten en vlaggetjes bevestigd waren. Het was een feestelijke bedoeling en vandaag gaan alle broers bij hun zusters langs om daar hun band te versterken en krijgen dan touwtjes om hun polsen geknoopt als teken van zorg. Zo ben ik alweer aan het einde van mijn verhaal, maar niet aan het einde van mijn weg. Mijn haar blijft groeien en in nu al weer minstens een centimeter. Vier het leven, vier jezelf, je bent mooi en goed, wees een bron van licht in je wereld, ken je bron en ken jezelf, dan kan je nooit meer iets gebeuren. 
Het is de afwas die door vele honderden handen tegelijkertijd gedaan word in verschillende bakken en er word gesmeten en gegooit met de vaat dat het een lieve lust is. Behandel de vaat met zachte hand is er hier niet bij, tempo! Maar alles gaat in zo's spirit van vreden en goodwill, ik vond het echt zeer plezant. Ik liet de witte tempels weer achter me en ging nu echt op Nepal aan, weer. De zelfde grens, zelfde verkeers chaos, zelfde hitte, maar een andere tijd en objectief, Vipassana. De nacht bracht mij veilig naar Pokhara waar ik een week mijn tijd afwachte aan de kanten van het groene koele meer. Weer was het net festival tijd, Dasain was het en overal verrezen grote bamboe schommels waar door de kinderen verwoed op geschommeld werd tot laat in de avond, mensen liepen met reuzachtige tika's rond van rode rijst en witte pasta soms wel zo groot als een halve golfbal, erg fraai allemaal. Pokhara met haar bootjes en vissers, riet, koeien en waterbuffels, en het levendige bos. Het heerlijke bos wat de jungle genoemd word die ik hier en daar verkende met een stevige wandeling naar de kam van de heuvel, daar waar de beek uit de grond kwam opwellen. Naar de kam door de velden van droge stopels waar nu man en vrouw gras aan het snijden zijn voor de komende winter, of het droge seizoen. De kam vanwaar je geheel Pokhara kon zien en ook de bergen. De wonderlijke bergen die verstoppertje speelden met de wolken en tegen de avond een rij ongeloofelijke donderkoppen tevoorschijn bracht die oplaaide in het oranje vuur van de zon en ons in de nacht bereikten om de bananen planten buiten mijn raamen te doen zwiepen en buigen om er in de morgen verfomfaaid bij te staan. Die rotsige kam, waar ik als een ongekend koning op de stenen trans mijn plaats deelde met een meester van de wind, kraalogen en vlerken zwart met een illuster blauwe gloed. De week in Pokhara paseerde en ik poogde mij voor te bereiden op wat komen ging. Maar is het echt mogenlijk je op zo iets voor te bereiden? Mischien een beetje, hoe dan ook, op een goede morgen liet ik mijn meeste goed achter onder het bed van mijn hospita en trok naar het meer van Begnas, een dozijn kilometers buiten de stad zoals de bergkraai vliegt. Op een uitstekende heuvelrug hoog boven het oppervlak van het meer vond ik het roodgekleurde retraite centrum en was gelukkig nog op de juiste dag ook. Die avond begon de stilte,
ookal was het dichte bos om ons heen nooit stil van de cicaden en krekels en de uberluide alarmkevers die al bij het eerste straaltje licht lieten horen dat ze weer een nacht overleefd hadden met een oorverdovend gesnerp. Om vier uur in de ochtend rezen wij voor tien dagen lang en werden door middel van meditatie en ademhaling de diepere regio's van ons bewustzijn in geleid. Meer dan tien uur per dag zaten wij in de Dhamma hal en leerden de weg van de Gautama de Buddha. De weg van de vrede en compassie. De weg van een eerlijk leven en van het leren kennen van jezelf. Tien dagen waren wij in stilte met een mens of vijfentwintig ondergingen wij dit innerlijke experiment. Het expiriment van Vipassana, dingen zien zoals ze werkelijk zijn. Veel woorden vallen er over uit te storten maar zoals de Buddha al zei, je moet het ervaren, woorden brengen je er niet. Ik raad dus een ieder aan die er meer over wil weten het zelf te proberen, ik heb de website hier boven in het lijsje gezet. Over de pijn van het zitten kom je wel heen, en juist die pijn kan zo een hulp zijn om dieper in jezelf te duiken. Geen verzet, geen lijden, acceptatie en rust. En meneer Goenka liet ons lachen en verwonderen over onze eigen onwetendheid en fasineerde ons met de wijsheid van de Dhamma (Dharma). Ik vond het een onwaarlijke ervaring en wie weet word deze nog vervolgt. Ik mediteer nu in elk geval een stuk meer dan eerst en probeer constant de wereld te voelen, te ademen in bewustheid en lief te zijn voor alle wezens om mij heen. Op een zonnige morgen waarbij de hele Dhaulagiri bergketen voor ons zichtbaar was werden wij weer vrijgelaten in de buitenwereld en ook dat was een wondere ervaring. Zo schoon en kleurig leek de wereld. Maar ook zo onwerkelijk. Wat een wonder, een wonder. Terug naar Pokhara en slapen en zijn in de Boedhistische gompa aldaar met zo veel vriendelijke gezichten die mij aankeken als ik uit de stilte van mijn meditatie kwam opgedoken. Nou ja, stilte, het gekwetter gaat gewoon door ,maar het raakt me op een of andere manier nu minder dan eerst, en ik ben meer gewaar door middel van mijn zintuigen. Maar ook dat was Anithya of tijdelijk en zo vond ik mezelf twee dagen later al weer zeilend bovenop de bus richting Kathy (Kathmandu) terwijl de onwerkelijke witte muur van de Anapurna Himal achter mij verdween, maar het duurde een hele tijd en ik heb meerdere keren mijn nek verdraaid om het sureale spectakel dat ze waren te aanschouwen. Kathmandu begint met een langen trage opstopping op s'lands enige tweebaans 'snelweg' en die duurt eigenlijk wel gewoon voort tot in het centrum van de stad. Maar ik houd van Kathy, het heeft iets. Een diepgewortelde athmosfeer, een huiselijke geur, een charme die ik nooit faal op te pikken, en nu ook een vriend. Jawel, mijn goede vriend en broeder Stephan heeft na vele jaren slavernij en bondage de schakels van het westen van zich af gegooit en is voor het eerst op de bonnevooi op reis gegaan, en ik mag hem hier in de fijnere kneepjes van de kunst inwijden. Zo kwam hij geheel vers en nog geurend naar het Europees continent de deur door, en is hij nu al weer een aantal dagen hier, en weet inmiddels het verschil tussen een puri, een chapatti, een naan en een parotha, als wel de reden waarom Nepal Nepal is. Hij, en ik ook wel vielen weer eens met onze neus middenin de ghee want het is nu Deepawali festival wat vijf dagen duurt en gepaart gaat met een hele hoop feeselijkheid en versierde straten. Het is het lichtjes feest en in de avond, waneer de stroom uit gevallen is zijn alle huizen met boterlampjes versierd,
voor de deur en in de kozijnen en er worden prachtige rozetten en figuren op de stoepen gemaakt om Laxmi, de Godin van de overvloed te verwelkomen en er is veel vuurwerk. Vanmorgen toen ik uit mijn slaap geknalt werd begon er een fantastische optocht van wat mij de vele verschillende stammen van de omgeving leken. Allen hadden ze net weer iets andere kledij en de meisjes en vrouwen hadden echt de meest spectaculaire versiersels aan, op hun hoofd vooral. Het ging gepaard met veel getrommel troepen heldere fluitenisten en af en toe een klarinet. Het hele Durbar plein was vol met mensen en er werd ook met lange bamboes gezwengeld waaraan yakstaarten en vlaggetjes bevestigd waren. Het was een feestelijke bedoeling en vandaag gaan alle broers bij hun zusters langs om daar hun band te versterken en krijgen dan touwtjes om hun polsen geknoopt als teken van zorg. Zo ben ik alweer aan het einde van mijn verhaal, maar niet aan het einde van mijn weg. Mijn haar blijft groeien en in nu al weer minstens een centimeter. Vier het leven, vier jezelf, je bent mooi en goed, wees een bron van licht in je wereld, ken je bron en ken jezelf, dan kan je nooit meer iets gebeuren. 







De pure wellust van hun overdaad, de heerlijke tractatie van hun zoete lekkernij, zo van hun tak in jou mond. Overal stonden ze, hele rijen knoestige trouwe wachters, beschermers en verzorgers van deze mensen die verkiezen op zo's onherbergzame uithoek van de wereld hun intrekken te nemen. Daar omheen lagen de velden die, op deze betrekkelijk geringe hoogte van 3160 meter naast gerst en tarwe ook vele bloemen, boontjes en olizaden voortbrachten in wat welhaast een levend en sappig eden leek na onze dagen in de steenwoestijn. Hij was er nog wel, en je kon hem zien over de toppen van de bomen, barstig en naarlijk, maar ook eerlijk, de kale rotsen zo nabij. Na wat rusten daalde ik af langs de watermolen die ook hier draaide, weliswaar zonder ting, ting, ting... . . . en vond een heerlijke koele beek die door een smal dalletje kabbelde vol vlinders en planten en geurige bloemen. Het was er stil en overal droop water van de rotswanden vol mos en varens. Daar zat ik aan het water, en erin, en toen begon zelfs het water zo recht uit de hemel te vallen, als een laatste vloeibare zegen. Toen ik terug kwam bij het huis was Aniet daar met de moeder des huizes abrikozen aan het openmaken om ze te drogen maar ik had er inmiddels zo veel op dat ik geen pit meer kon zeggen en heb ook nu zelfs nog overdosis verschijnselen. De avond voor ons vertrek zaten we na het eten in de keuken met de familie dat is, de jonge moeder met haar stevige rok, twee dochters die allebij het grootste deel van het jaar in Leh leven om daar naar school te gaan omdat in de winter de weg dichtgesneeuwd is en grootmoeder in haar donkere treditionele schortejas van donkerpaars vilt met vele plooien. 




























Thiruvannamalai is ook de plaats van de Ashram van Sri Ramana Maharshi, die hier woonde en zijn verlichting realizeerde, waarna hij voor twintig jaar in een grot heeft gewoont, aan de voet van Arunachala. Er zijn ook nog enige andere ashrams van verlichte meesters maar zijne is ronduit het meest bezocht, vooral door veel buitenlanders. De stille Meester is reeds zestig jaar geleden heen gegaan maar zijn geest zweeft nog immer over de gronden. Ik was in totaal drie dagen in Thiruvannamalai, hoe ik me er ook thuis voelde, de hitte werd me echt te veel, en ik besloot op een later tijdstip terug te keren. Het is een ongeloofelijke plek, mannen lopen er in dhotti's, veel mensen en zelfs schoolkinderen lopen blootvoets. Of het is omdat ze geen schoenen hebben of omdat ze het hele gebied als een grote tempel beschouwen weet ik niet, maar het is ongeloofelijk. De aarde op deze heilige plaats bracht in mij een wonderlijke stilte en rust teweeg, een aanwezigheid die continu was en zelfs nog voortduurde toen ik al honderd kilometer verderop was. Een bewustzijn van het 'mij' in mij, als een spil waar het hele innerlijk universum omheen draait, dat overal mee heen beweegt en zo krachtig is. Ik ontsnapte naar het oosten, waar, zo vertelde mij de kaart, zich een groep heuvels bevond met daarop enige dorpjes die, zo dacht ik, me wellicht enige verkoeling zouden kunnen bieden. Dit bleek een gouden zet. Ik stuite op een verborgen juweel. Vanaf Coimbatore ging de bus ineens steil omhoog, door dicht beboste hellingen waar wolken boven dreven (een mede reiziger vroeg zich af of dat nou een wolk was, hij had er nog nooit een van zo dichtbij gezien). Almaar hoger en hoger stegen wij, en de lucht werd merkbaar koeler. Hoog boven de vlakte uitgestegen waren er ineens hele groene heuvelzijden bedekt met theeplantages overschaduwd door zilverachtige bomen. Er waren oude coloniale huizen en villas met rode dakpannen en geschilderd in een vaal vanille geel. De lucht die tegen m'n gezicht aan stroomde veroorzaakte waarachtig verfrissing, het was een wonder. 









