
Yes, terug to the wortels, naar de grote oranje joekels daar beneden de aarde in de wortelkelder, waar het altijd koel en vochtig is, en de winter eeuwig sluimert. Terug naar mijn geboortelanden, nog niet geheel, maar wel een stuk dichter bij mijn cultuur die mij elke stap weer belanrijker lijkt. Ik weet, ik been reeds eerder voor dit bijltje gevallen, wat te doen, zien hoe het gaat. Buiten is alles groen en leven, bloeien nu de bomen en zingen de voorjaarsvogels, de koekoek bovendien. Ik ben aangeland in Pikkunuppu, een biologish paradijs en boerderij beheerd door de wijze en stevige jaarling Pjotr die hier nu al vijventwintig jaar het land bewerkt, de verukkelijke zwarte bos aarde die een ware zegen is en een genot om in te mogen wroeten. Maar het begon allemaal een maand eerder, nog in mongolia die ook op de rand van de winter balanceerde, de ene dag sneeuw, dan weer zon en zomervreugde. De laatste dag van mijn verblijf aldaar zijn we met Bolora en Froit het wild in geweest, naar de heuvels met de Benz, over een woeste weg door een vallei vol zomerhuisjes Mongol style, met beerput schijthuisje naast de weg. Op de pas gekomen liepen we door de sneeuw door de oude lariksen waar een shamaan een ritueel deed vanwegen een soort speciale dag en hoorden de roep van de raaf allom rollen tussen de dooiende bomen. Hierna reden we naar de geheel overliggende zeide van de Ulan Baator vallei en beklommen daar te voet een zeer pittige heuzel die, zoals gebruikelijk weer eens veel groter was dan aanvankelijk geschat. Bovenop vonden we een gigantische berg palen en gebedsvlaggen opgestapeld in een chaotische hoop minstens zo groot als een huis, overdekt mat adelaars poep, heilige stenen, gebroken vodka flessen en heilige wierook, jawel, het was een ovoo. Van daar konden we nu mijn vaders gehele nieuwe domijn bezien, ver naar het oosten, de vlaktes, de bergen, de mist en wolken uitgespuwd door UB´s drie elektrischiteidscentrales. De stad die er van zo´n afstand zo onschuldig uit zag, en je maar nauwlijks hoorde. Een vader zoon moment, zwakke zon van de namiddag, en toen weer afdalen, door het nog half bevroren bos naar het open. Daar liep ik nu over het gouden gras dat glom in de zon, mijn

leuke langharige vader fier stappend voor mij terug richting de wagen en een stel witte stupas in een dubbele rij. De bomen werden nu schaarser, en het laatste zonlicht toonde zich in een gordijn van fluweelen licht. De wind, immer present, waaide de laatste flardes Azie uit mijn haar en spoede mij reeds richting de lange treinreis die mij nu te wachten stond. De volgende dag was het zover. Wederom nam ik de benen, ging er van tussen en met de trein mee naar het westen. Het was niet de eerste keer dat ik deze weg koos, maar nu was het toch anders, winter, en weg van een thuis, waar wij voorheen enkel dwaalers geweest waren. Kedeng-kedeng, de trein zet zich in beweging, vier dagen lang een onophoudelijk kedeng-kedeng, enkel gestaakt waneer wij onze korte ademhalings pauzes maken op de vele vergrijsde perrons van het Siberisch hinterland. Nog voor de dag over is rijden wij door het verre open, eindeloze leegtes van centraal Azie, bewoond door de mistgeesten en de reizende wolken die nooit halt houden. Bergen aangeknaagt door de tand des tijds en het barre klimaat steken uit deze voormalige zeebedding. Maar de winter is duidelijk op z´n retour. Nu staan de paarden te briesen in het lange gras. Nu beweegt er weer van alles op de prairie. Door de nacht ingehaald val ik in slaap, om te ontwaken aan de ijzige droom van Lake Baikal. Het grootste zoetwater bassin ter wereld is het voornaamste deel van het jaar strak dicht gevroren, enkel de oevers zijn in beweging met het kruuiende ijs. Een gladde spiegel tot ergens aan de verre onzichtbare overkant, de bergen in nevelen gehuld. We slingeren ons Siberie in, waar de weg steeds recht is en de huizen telkens bijna gelijk. Berken, berken en dennen en meer berken, vooral die witte stammen die een muur lijken te vormen tussen

ons en het de wildernis. Deze ader die wij steeds weer volgen, naar ons futiel doel. Een leven apart speelt zich af op deze trein. De Mongolen, die hun handel vanuit de deuren laten stromen telkens als we even landen, de Russen die gretig roebles afgeven in ruil voor goedkope Chinese kleding, wat dan ook, het doet er niet zo veel toe, handel. En dan weer verder, van deze 15 minuten van gekte, rust in de trein. Een interesante sociale wereld mixt zich hier, een eilandje van vier buitenlanders waarme ik in de coupee zat, en de rest die van ons zijn afgesloten door de taalbarriere, maar waar je constant mee in aanraking bent, door geduwd word, beademt, samen lachen. Na vier nachten en vier dagen barst een ieder dan ook uit de trein, blij bevrijd te zijn van de beklemming, maar regelrecht Rusland in. Moscow, duizenden dronkaards die zich overal en nergens laven aan de straatstenen. Russiesche politie met hun hoge petten zo dat ik me afvraag wat ze doen als het hard gaat waaien. Een dag dwaal ik rond en beland in een belachelijk mooie ortodoxe kerk die druk bezocht word door gelovige. Overal afbeeldingen van vrome tiepes, kaarsjes, en heel intime maar ook heilige sfeer. De versieringen van een soort die mijn onbekend voor komt, het voelt wel wat als een grot, een gouden grot. Nachtelijk met de trein naar St. Petersburg gerold, Leningrad, wie had dat ooit gedacht. Ik daal vroeg in de morgen af in

de super diepe metro met haar prachtige pre-kapitalistiesche versieringen. Een eindeloos gat in de grond dat mij een gevoel geeft van een mijn. Aan de andere kant van de buis word ik opgewacht door een aardig meisje bij wie ik mag logeren, via de hospitality club geritseld. Daar sliep ik twee nachten en we zaten op de keukenvloer terwijl we kookten en praten met haar andere gast, een meertalige Italiaan op doorreis door Rusland. Overdag zocht ik naar een kaartje weg van dit oord, en viel zomaar in slaap in het treinstation, nu voelde ik me wel echt een vagebond, en dan de kou die mijn knieen verijsde, maar het lukte, met de goede hulp van velen. Volgende dag bezocht ik het befaamde Hermitage, gratis met mijn lang verlopen studenten kaart en zag daar de vele schoone zalen en hallen, gangen en kunstwerken in vele kleuren. Wat een wonder dit palleis, niet vreemd dat het een muzeum is. Wat een ongelimiteerde luxe in de hoge plafonds, de barokke pilaren, de houtsnijwerken vloeren en eindeloze beelden en kunstschatten uit alle landen. Toch raakte ik goed de weg kwijt menig maal, wat ik ook helemaal niet erg vond, zwerf en vind was mijn motto. Zo ook in de stad, bizar mooie hekwerken met reusachtige ijzeren bloemen, een magische kerk met tover bollen als dak. De grachten die zo merkwaardig bekend leken, als een noordelijk Amsterdam uit de fantasie van een Russisch Tsaar. De vreemde Europees heid, mij een wonder na mijn lange omzwervingen, maar nog niet overtroffen voor wat ik de volgende dag aanschouwde. Racend door de bossen van Karelia naar de grens, de laatste grijze petten langs en dan

de vrijheid in, of is dit juis gevangenschap, hier, in fort Europa? Het voelde mij in ieder geval als bevrijding van het visa gedoe, als een thuiskomen in vriendelijke landen, en in de bekendheid. Niet lang of we waren in Joenssu, op de nationale feestdag, dag van de arbeid, die alle studenten in gekleurde overals met witte petten op zag samenkomen om te feesten. Maar ik ging een andere kant uit, ik ging het bos in, met Pjotr, die mijn algouw kwam ophalen en die wij verwelkomde in zijn prachtige rode huis omringd door bos en veld. In de heuvels, met beneden een duister meertje omringd door berken en populieren met lange ranke stammen. Op de heuvels dicht dennen en sparren bos geheel om ons heen. En beneden naast het ven het land, dat toen nog slapende lag na de strenge winter. Maar dat is niet meer. Na een week aleen samen met mijn gastheer te hebben gewerkt kwam er versterking. Een Finse jongen Samu genaamd, met lange blonde dreads kwam, en ook vaak een sportief roadharig tiep kwamen ons helpen bij het voorbereiden van het land, het plamten en zaaien. De eerste week echter was er een van aardse stilte, van het werk onder de grond bij de heerlijk geurende wortels reusachtige wortels, gekke, en elke keer dat ik dan buiten kwam, de puurtste stilte, een merel die haar zang liet weerklinken door de fragiele lucht, de koekoek die het bos in roering

brengt, het ruisen van de wind in de hooge bomen dat weerkaatst op de heuvels aan de overkant. Wat een rust na al die beroering van het reizen. Wat een heerlijkheid om te kunnen ploegen en kneden in deze mooie aarde met mijn eigen handen. Om te zaaien en te planten, kleine baby plantjes, zo veel verschillende dingen. Selery, prei, sla, uitjes, koolrabi, kool, snijbiet, aardappels, pompien, bonen, verzin het. Zo veel kan hier in deze noordelijk grond. Eerst was het wachten tot de grond ontdiiode en toen ineens was de zomer daar. Scheen op de bessenstruiken en ontwaakte hen, glitterde op de berken en haalde hen uit hun sluimer, verwarmde het gras en liet het uitluiken. Alles was groen in twee dagen, een wonder, en wereld wonder, in het hart van de natuur. In een kleine houten kamer slaap ik, met uitzicht op de dik bemoste stenen en de ontsproten twijgen. Op het liggende gras waaronder de veldmuizen of hamsters hun tunnels bewonen van gebogen blaadjes. Om vier uur gaat de zon op en dan houd ik mijn stug voor dat het nog geen morgen is. Ik bedoel echt, om vier uur vlammen de toppen van de bomen op in rood oranje gloed en beklimt de zon het hemelgewelf om daar gedurende de dag haar lange baan af te werken naar de noordwestelijke hemel, die nooit echt donker word. Overdag lopen wij met kruiwagens heen en weer, schoonde ik de sloot van overhangend wild en berken getijsem en harken wij het veld. Soms verwijderen wij wortelknollen van oeroude bomen uit het veld die daar al vele eons in lijken te zitten in perfect gepreserveerde staat, smeulende draken. Af en toe maak ik een wandeling door het heerlijke bos, zo wild, zo natuurlijk dat het wild is, zoveel leven van onder de sneeuw waarvan de laatste pas een enkele weken geleden gesmolten is.

Nu bloeien de bloemen op en dwarreld het stuifmeel door de lucht. Zo fijn is het om hier te zijn, te kunnen doen, te kunnen werken, mijn luie gelederen te kunnen rekken en inzetten voor een goed doel. Zo lekker bij de grond te zijn, omringd door de natuur en er mee te kunnen werken. Zoals een wijze Zen meester eens sprak: "No work, No food." En zo voel ik het ook. Immer in strijd met mijn gesplitste zelf ontdek ik steeds meer van wat er verborgen licht onder de huid van mijn bewustzijn. Het word nu nog niet makkelijker, enker moeilijker, maar ook word ik steeds zekerder dat wat ik doe goed is, en dat het doel nuttig is. Dit is een periode van leren, manifesteren en transformeren, en daar ben ik nog wel even zoet mee. Nu ik terug ben in Europa ga ik dit blogschrijve langzaam afronden, mischien nog eentje, nummer 40 en dan is het mooi. Tijd voor al de rijzigers om op avontuur te gaan, van binnen of van buiten, op de groote ontdekkingstocht, van ons leven.