, de mensrijke republiek van China, of Zhongchan, zoals het daar eigenlijk heet. Het gevecht met de innerlijke draak nogaltijd aan de gang reden we op een goeie morgen weg uit Udomxai aan de Laotioaanse kant van de grens. Ik was daar twee dagen en maakte er een fijne wandeling door de omliggende landerijen die nu in een staat van permanente wintersluimering verkeerde maar die toch erg veel weg had van een uitgerekte herfst wegens onze zuidelijke breetegraad. Zo was er donker groen loof van de vele verschillende bamboe bossen, vermengd met het sepia bruine en geel van de dommelende houtige reuzen die waakten over de fris groene veldjes waar sla en kool opbloeide. Hier en daar verscholen zich aangenaam gekleurde hutjes van bamboe waar de werklieden een pittig geurend sigaartje rookten onder hun brede strooien hoeden. Van daar reden we dus door een al maar kalender landschap, reeds lang geleden ontdaan van haar originele groene mantel, afgevoerd naar de papiermolens van het grote rijk. Het grote rijk dat wij ook nu binnen gingen, en wat zag mijn oog? Aleen de bomen meenemen was niet genoeg, nu worden ook de wortelknollen geheel en al uit de grond gerukt voor het vervaardigen van oh zo moderne massieve banken en tafels voor het rijke westen. Het rijke westen? Wat een armoe!! Geen respect, geen geloof, enkel domweg geloven wat je ogen je voorliegen. Geen famillie gevoel, geen verwantschap met al wat er om je heen is, jezelf de stress in werken voor een fantastiesch ideaal dat eeuwig onberijkbaar blijft. Geen voldoening met wat er is, geen wijsheid, geen rust, geen puurheid in de elementen. Rijke westen, wat een grap!Bon, zodra we de megalomane grenspost door waren, die veel weg had van een vluchthaven terminal, veranderde alles. De weg werd drie keer zo breed en perfect, vangrails van RVS en bewegbewijzerings borden in overvloed. Het bos was terug (ze kappen liever over de grens, staat beter) Auto's leken alemaal nieuw en elke mogenlijk centimeter grond leek te zijn gebruikt voor futuristische plastic landbouw, tomatan, aardbeien, vele soorten groen, verzin het, ananassen. Reeds sinds mijn kinderjaren had China mij gefasineerd. Wellich was het het eerste land waar ik over hoorde aan onze houten keukentafel en stond voor mij lang symbool voor ver weg, het oosten, mysterieuze culturen, draken, vuurwerk en mistige klooster bossen. De eerste stop was Mengla, een klein gehucht voor China, maar groter dan de hoofdstad van het land waar ik net vandaan gekomen was. Alles in China lijkt groot te zijn. De aanpak, de massa's, het bewind. En 'vooruitstrevend'. Vooruitgang, vooruitgang gebaseerd op wat? Op een groter NBP, op een grotere mate confort voor meer mensen, op meer, op groter, duurder, Vooruitgang van destructie van onze leefomgeving. Vooruitgang van de afbraak van menselijke waarden. vooruitgang van het omvormen van alle verschillende goepen mensen en hun cultuur en bijzonderheid tot een grote massa worst die universeel uitbuitbaar en controleerbaar is. Jawel, China is erg vooruitstrevend. Overal waar ik ging zag ik de Facade (met dank aan JM). Zodra je de hoofdstraat uit gaat ben je in het echte China, waar er nog vuil bestaat en armoede, waar niet elke gevel van flitsend glas is voorzien of op elke hoek een reusachtig plasma scherm bezig is met haar indoctrinatie. Ik storte mij in het platte land onwetend wat mij te wachten stond, in dit oud keizerreik. Die tweede avond bevond ik mij op bij een oude tempel op een lage heuvel. Het zag er opzich mooi uit maar ook hier had ik het facade gevoel. Is dit echt oud of ziet het er aleen maar zo uit zodat ze geld kunnen innen van de belangstellende? Sinds er geen stal leek te zijn voor een zwervende kluizenaar en de monniken nou niet bepaald overstroomden van de gastvrijheid (ik neem het ze niet kwalijk na zestig jaar overheids tereur en onderdrukking) vond ik een heelijk plekje onde de gigantische Bodhi boom aldaar die met haar massieve takken de hele hemel bestreek. Maar omdat het nu winter was waren vele van haar tedere blaaren gevallen en kon ik nu dus daar boven, tussen de gloed van de verre stad de purperen hemel zien met haar vele heldere diamanten fonkelend aan het gewelf. Aan mijn ene zijde was de massieve oude stam van de boom, aan mijn andere zijde het open panorama van de heuvels en valleien enkel doorbroken door een stupa waar geofferde kleefrijst nu tot harde balletjes van bekomen. Aan mijn voeteneinde rees een puntig bouwwerk op met vier kanten en een rond dak dat wellicht enige relekwieen bevatte van een vaag verleden. Aan de punten van de daken hingen vele koperen bellen die hun pure stemmen lieten klinken in de wind, ongetemperd door al de politieke perikelen die zich hier hebben afgespeeld. Toen de grijze morgen kwam lifte ik verden, of liever, ik deed een verwoede poging maar gaf het al gauw op om een van de vele bussen te kiezen die dezelfde weg namen. Pas toen snapte ik waarom mijn liftpoging onsuccesvol was geweest. Het bleek dat de stad die ik op mijn in het chinees geschreven liftersbordje had gekalkt een zeer lange dagrijs verder was, over een aantal stoute bergen en een niet al te lieve weg. Op de kaart had dit echter een gemakkelijke rit geleken, ik had me voor het eerst vergist in de afstanden in China. Toen ik na vele uren ploegen in een of ander oord belande werd ik zo hartelijk ontvangen door een famillie in hun groen houten herberg en kreeg een eigen thermoskan heet water en een paar sloffen. Beneden speelden mensen fanatiek mayong en rookten dat het een stinkende lust was, maar ik voelde me zeer welkom. Nog drie dagen deed ik er over om op een eenigzins aangename plek aan te komen. In de wildernis van zuid Yunnan scheurend door de groene jungle en stenige bergen en massieve steden tot we uiteindelijk de snelweg bereikte bij Baoshan. Van daar was het maar een korte, snelle rit naar Dali die op mijn kaart aangegeven stond als een toeristische, maar ook bezienswaardige plek. Dali, dat heet, Oud Dali want daar kwam ik niet meteen aan. Ik werd eerst gedumpt in de zusterstad die bekend staat als de stad van de wind. Nou, t'is waar, waaien dat het deed! Toen ik een grote maanbrug over stak, gebouwd van kolosale blokken wit vlammend steen,
Nu, Dali was een plek om even een beetje aan te komen na mijn afgelopen week van wild gebus in het inheemse land waar niemand engels sprak. Wel leerde ik zo snel karakters herkennen, wat ook heel leuk was. In dit supe relaxte hostel met plantjes binnen groeiend recht uit de grond en dreamcatchers, gordijnen en groovy vibes verbleef ik dus een tijdje, en verkende de stad. Voor een oude stad vond ik dit echt heel groot en het duurde dan ook een poos voor je in het touristische gedeelte kwam waar alle huizen nep oud waren en alles gemanicuurd. Een beek stroomde door een verhoogde bedding op straatniveau met hier en daar stenen om er overheeen te stappen in een super Zen semi-natuurlijke staat. Erboven hingen vele rode lampionen in de wind te bungelen en langs de kanten was het een aaneengesloten gebeuren van hippe cafe's vol buitenlanders en aanhang, wat een bizare ervaring. Ergens verscholen achter een grote elegante poort stond het ouwe paleis, of de tempel, die in China vrij identiek zijn. Beneden, op een binnenplein lagen de vier magische dieren in een mozaiek op de grond. De draak, de vuurvogel, de schildpad en de tijger rond de Tai Chi, of yin-yang. En in de zwarte en witte stippen twee verhogingen met daarop beeltjes van merkwaardige monsters, en zie, jawel, dit is China ala 2010, het zijn niet zomaar beeldjes,
de andere kant. Verder afdalend kwam ik langs het 'Feary Peaks' klooster waar inderdaad een stel wonderlijk stijle pieken ontwaard konden worden begroeid met een verzameling moedig groen waar zeker nog nooit een mensenvoet getreden had en uiteindelijk, een heel stuk lager, langs scherpe kliffen van rood steen begroeid met fel groene plantjes bij het eerwaardige bomen (venereble trees) plateu en klooster. Hier bleef ik voor mijn tweede nacht op de berg, wat een groote berg, en wat een mooie. Dit was een echt oud uitziend complex met meerdere binnenplaatsen met overdekte gallerijen, alles van hout en een stille athmospheer, afgezien van het kleine witte keffertje met zijn platte snuit die braaf een half wilde fontijn bewaakte waar riet en gladde vissen in huisden. Hier groeiden vele grote bomen van verschillende soorten en het bos veranderde langzaam al gelang ik lager kwam. Ook kwam ik al gauw een troep dikharige apen tegen die met hun winter vacht wel gewapend waren tegen de ijzige kouw. Geen staarten echter hadden zij. Het regende, maar het maakte mij niet uit, ik had mijn regenponcho en liep verder door het bos en de raveinen, over de heuvels waar bamboe groeide samen met korstige woudreuzen, meerdere bomen op elkaar, onmogelijk bevatbaar hun groote en volgens de bordjes wel 700 jaar oud. Die dag kwam ik terug in het dorp waar China het gemaakt had, een nepwaterval, toeristen bussen, dure restaurants, overal bordjes. Verder nu, naar het noorden, opzoek naar de kouw. In een eerste klas slaper omdat er geen andere beschikbaar was, gecontroleerde luxe, stalen vrouwen in strakke uniforms met vele gouden blinkers, ja, de partijspeld was ook aanwezig. Lang leve trots op onze made in China onderdrukking, angstpolitiek en corruptie. Lang leven de welvaart! Xi'an. De oude hoofdstad van antiek China. Ook hier een muur, maar nog groter, twaalf kilometer in het vierkant, twaalf meter hoog, zeker zo dik, maar dat niet aleen. Dit is China 2010. gigantische bogen zijn er bij het 'restoreren' weg gelaten zodat nu de lijn met kantelen hoog boven je hoofd door de lucht voert, onmogelijk high-tech China. Grote geordende stad, ja, daar hadden ze in oude tijden al een keizerlijk handje van hier, alles in schaakbord patroon, ik raak in dat soort plekken altijd de weg kwijt, komende uit de radiale chaos van Amsterdam. Massa's van alles, zo veel autos, een rotonde met zeven banen breed asfalt, onderdoorgangen, reuze gebouwen, men als ik dit zie kom ik echt uit een durp. Ik blij dat ik me kon verschuilen in de kantine van het hostel waar ik zat. Nee ik ben niet naar de beroemde teracotta legers geweest, laat dat maar aan de toeristen over, teracotta warriors kan je ook gewoon kopen in grotere winkels, net zo echt, of mischien nog wel echter. Nee, ik heb de moslim wijk verkent waar ze brood en tahin verkochten en nog veel meer leuke dingen als soya yoghurt die je eet met pittige soep ef allerlij gebarbecude groenten, paddestoelen en tofu baksels. Mijn favoriete plek in Xi'an was zondermeer het Ringpark wat ze om de hele muren hebben aangelegd en wat vol staat met vage semi-accupresurale fitnis aperatuur in geel en wit die constant in gebruik zijn. Overal zijn mensen spelletjes aan het doen, mayong, ping-pong, badminton, Taichi, wat dan ook, iedereen is in beweging in zo'n gemoedelijke atmosfeer, echt erg gezellig. Het lijkt in China lastig te zijn een kleine stad te vinden, een dorp, alles heeft reusachtige brede straten en uitgebrijde woonwijken, wat het er zeer voetganger onvriendelijk maakt. Dit alles word nog eens vergroot als je eenmaal in de hoofdstad aan komt, Beijing. Gelukkig had ik een vriendin in Beijing die mij van het metrostation kwam ophalen. Voor het eerst sinds lange tijd was ik weer in een woonhuis. Geen vaag guest house of veeg brothel. Geen bamboe hutje of muf hok maar een gewoon huis van twee jonge vrouwen, mijn viendin Shanshan en haar kamergenote uit America en hun twee dikke katten. Er was niet echt veel extra slaapplek maar gelukkig was Shanshan's bed groot genoeg voor ons twee en ze deelde dat zonder problemen. Een kleine week was ik in Beijing om oa. mijn mongoolse visa nu echt goed te regelen (de vorige was verlopen voor ik hem had kunnen gebruiken) en om de muur te zien. De muur. Voor mij
symbool van afschijding en megalomanie, tyrannie en volharding. Toch wel een grote muur, en ook goed voor het toerisme. Toeristen zag ik dan ook genoeg, maar wonderbaarlijk genoeg was er ook een stille kant waar men nog de kans had meer muur te zien dan mens, tegenover de drukke kant, waar het een letterlijk in de rij lopen gebeuren was, zelfs midden in de winter. Sneeuw, Zoveel er van, sneeuwpoppen in de plansoenen, en mensen maar klagen dat het koud is, ik vond het echt brilliant. Op een andere dag metrode ik naar het plein van de hemelse vrede, wat naar verwachting groot, vol en autoritair uitgerust was. Mao kijkt nog steeds uit over zijn onderdanen vanaf de wijnrode bastile waarachter de verboden stad schuil gaat. Nu niet zo verboden meer echter, meer een soort verboden het te missen als je naar Beijing gaat, daar deed ik dus niet aan mee en ging de tegenovergestelde kant op, niet zo zeer uit protest, alswel dat me samen met een andere honderd gros mensen een stel overgerestaureerde gebouwen bekijken terwijl zij hun camera's laten gaan me nou niet echt trekt, en er ergens verderop een bizar soort blauwe bubbel stond die ik echt moest gaan bekijken. De bubbel bleek het nationale theater maar je mocht er niet in, dus dwaalde ik verder om in een buurt van kleine straatjes en huizen te belanden, geheel onbedoeld, waar nog kleine eethuizen waren die gestoomde buideltjes maakten met verschillende soorten groenten er in en, tot mijn verbazing, geen vlees. Zo, al wandelend bereikte ik toen de imperiale tempel tuin, waar vele mensen vele dingen aan het doen waren, sommige mij een totaal raadsel, andere meer concreet, en ik werd meteen uitgenodigd bij een ringen gooi spel waarbij we een soort simit (zie, http://en.wikipedia.org/wiki/Simit ) achtige stoffen ringen naar elkaar overgooiden die je dan moest proberen te vangen met je hoofd. Verder, achterin het park was het bijna een bos en er groeide vele statige jeneverbessen en taxus bomen zeker vele honderden jaren oud met dikke vervrongen stammen schubbig en bars van de oudheid. Op een bepaalde mannier heb ik wel respect voor de manier hoe China nu zijn dingen op orde heeft. Ik zie hun logica, hun drang zich te bevrijden van de coloniale schakels en het beeld een derderangs natie te zijn. Maar aan de andere kant zie ik ook hoe ze net zo slecht bezig zijn als in het westen mensen in een onmogelijk systeem te forceren dan niemand gelukkiger maakt. Het is zon gek land, ik ben er van gaan houden, van hun prachtige schrift dat zo vol dynamiek, rytme en karakter zit. Het schrijven er van geeft op zich al zo'n harmonizerend gevoel. Van hun geweldige eten in al zijn diversiteit, van deze oh zo vriendelijke mensen met hun open armen. Van hun grappige geinstitutionalizeerde thee fenomeen, zelfs de meest strakkeEn nu? Nu zit ik hier in Ulan Bator in et warme huis van mijn vader en zijn nieuwe gemalin mevrouw Bolora die mij zeer vriendelijk heeft ontvangen. Nu zit ik hier tenmidden van al mijn rijkdommen en nogsteeds ga ik de fout in. Maar ik voel me gesterkt met de hulpvolle woorden van Mr. Goenka. De waarheid van het zien wat er is, zonder preconcepties, in mind, only mind, in seeing, only seeing, etc. Zo veel pijn en problemen zie ik om mij heen, en ik weet dat ze geholpen kunnen worden door Vipassana. Maar wie ben ik om te oordelen? Hier ben ik in het slagveld van mijn eigen strijd en moet constant alert blijven om te weten waar ik sta. Ik wil weten wie ik ben. Ik wil totale kennis en controle over deze bubbel Ik. Ik wil zijn, mijn eerste objectief. Ik wil waarheid ademen in alles wat ik doe. Op momenten sta ik zo sterk in dit, en dan weer word mijn hele toren geschud als een knikker op een rietje. Hoe kan ik tegelijkertijd trouw zijn aan een mij zelf terwijl ik juist dat zelf probeer op te lossen. het is zo'n intrigerend gebeuren dit Ik, deze rare illusie die een wig drijft tussen mijn