donderdag 25 maart 2010

37. Made it to China.

Welkom in het leven in de PRC, de mensrijke republiek van China, of Zhongchan, zoals het daar eigenlijk heet. Het gevecht met de innerlijke draak nogaltijd aan de gang reden we op een goeie morgen weg uit Udomxai aan de Laotioaanse kant van de grens. Ik was daar twee dagen en maakte er een fijne wandeling door de omliggende landerijen die nu in een staat van permanente wintersluimering verkeerde maar die toch erg veel weg had van een uitgerekte herfst wegens onze zuidelijke breetegraad. Zo was er donker groen loof van de vele verschillende bamboe bossen, vermengd met het sepia bruine en geel van de dommelende houtige reuzen die waakten over de fris groene veldjes waar sla en kool opbloeide. Hier en daar verscholen zich aangenaam gekleurde hutjes van bamboe waar de werklieden een pittig geurend sigaartje rookten onder hun brede strooien hoeden. Van daar reden we dus door een al maar kalender landschap, reeds lang geleden ontdaan van haar originele groene mantel, afgevoerd naar de papiermolens van het grote rijk. Het grote rijk dat wij ook nu binnen gingen, en wat zag mijn oog? Aleen de bomen meenemen was niet genoeg, nu worden ook de wortelknollen geheel en al uit de grond gerukt voor het vervaardigen van oh zo moderne massieve banken en tafels voor het rijke westen. Het rijke westen? Wat een armoe!! Geen respect, geen geloof, enkel domweg geloven wat je ogen je voorliegen. Geen famillie gevoel, geen verwantschap met al wat er om je heen is, jezelf de stress in werken voor een fantastiesch ideaal dat eeuwig onberijkbaar blijft. Geen voldoening met wat er is, geen wijsheid, geen rust, geen puurheid in de elementen. Rijke westen, wat een grap!
Bon, zodra we de megalomane grenspost door waren, die veel weg had van een vluchthaven terminal, veranderde alles. De weg werd drie keer zo breed en perfect, vangrails van RVS en bewegbewijzerings borden in overvloed. Het bos was terug (ze kappen liever over de grens, staat beter) Auto's leken alemaal nieuw en elke mogenlijk centimeter grond leek te zijn gebruikt voor futuristische plastic landbouw, tomatan, aardbeien, vele soorten groen, verzin het, ananassen. Reeds sinds mijn kinderjaren had China mij gefasineerd. Wellich was het het eerste land waar ik over hoorde aan onze houten keukentafel en stond voor mij lang symbool voor ver weg, het oosten, mysterieuze culturen, draken, vuurwerk en mistige klooster bossen. De eerste stop was Mengla, een klein gehucht voor China, maar groter dan de hoofdstad van het land waar ik net vandaan gekomen was. Alles in China lijkt groot te zijn. De aanpak, de massa's, het bewind. En 'vooruitstrevend'. Vooruitgang, vooruitgang gebaseerd op wat? Op een groter NBP, op een grotere mate confort voor meer mensen, op meer, op groter, duurder, Vooruitgang van destructie van onze leefomgeving. Vooruitgang van de afbraak van menselijke waarden. vooruitgang van het omvormen van alle verschillende goepen mensen en hun cultuur en bijzonderheid tot een grote massa worst die universeel uitbuitbaar en controleerbaar is. Jawel, China is erg vooruitstrevend. Overal waar ik ging zag ik de Facade (met dank aan JM). Zodra je de hoofdstraat uit gaat ben je in het echte China, waar er nog vuil bestaat en armoede, waar niet elke gevel van flitsend glas is voorzien of op elke hoek een reusachtig plasma scherm bezig is met haar indoctrinatie. Ik storte mij in het platte land onwetend wat mij te wachten stond, in dit oud keizerreik. Die tweede avond bevond ik mij op bij een oude tempel op een lage heuvel. Het zag er opzich mooi uit maar ook hier had ik het facade gevoel. Is dit echt oud of ziet het er aleen maar zo uit zodat ze geld kunnen innen van de belangstellende? Sinds er geen stal leek te zijn voor een zwervende kluizenaar en de monniken nou niet bepaald overstroomden van de gastvrijheid (ik neem het ze niet kwalijk na zestig jaar overheids tereur en onderdrukking) vond ik een heelijk plekje onde de gigantische Bodhi boom aldaar die met haar massieve takken de hele hemel bestreek. Maar omdat het nu winter was waren vele van haar tedere blaaren gevallen en kon ik nu dus daar boven, tussen de gloed van de verre stad de purperen hemel zien met haar vele heldere diamanten fonkelend aan het gewelf. Aan mijn ene zijde was de massieve oude stam van de boom, aan mijn andere zijde het open panorama van de heuvels en valleien enkel doorbroken door een stupa waar geofferde kleefrijst nu tot harde balletjes van bekomen. Aan mijn voeteneinde rees een puntig bouwwerk op met vier kanten en een rond dak dat wellicht enige relekwieen bevatte van een vaag verleden. Aan de punten van de daken hingen vele koperen bellen die hun pure stemmen lieten klinken in de wind, ongetemperd door al de politieke perikelen die zich hier hebben afgespeeld. Toen de grijze morgen kwam lifte ik verden, of liever, ik deed een verwoede poging maar gaf het al gauw op om een van de vele bussen te kiezen die dezelfde weg namen. Pas toen snapte ik waarom mijn liftpoging onsuccesvol was geweest. Het bleek dat de stad die ik op mijn in het chinees geschreven liftersbordje had gekalkt een zeer lange dagrijs verder was, over een aantal stoute bergen en een niet al te lieve weg. Op de kaart had dit echter een gemakkelijke rit geleken, ik had me voor het eerst vergist in de afstanden in China. Toen ik na vele uren ploegen in een of ander oord belande werd ik zo hartelijk ontvangen door een famillie in hun groen houten herberg en kreeg een eigen thermoskan heet water en een paar sloffen. Beneden speelden mensen fanatiek mayong en rookten dat het een stinkende lust was, maar ik voelde me zeer welkom. Nog drie dagen deed ik er over om op een eenigzins aangename plek aan te komen. In de wildernis van zuid Yunnan scheurend door de groene jungle en stenige bergen en massieve steden tot we uiteindelijk de snelweg bereikte bij Baoshan. Van daar was het maar een korte, snelle rit naar Dali die op mijn kaart aangegeven stond als een toeristische, maar ook bezienswaardige plek. Dali, dat heet, Oud Dali want daar kwam ik niet meteen aan. Ik werd eerst gedumpt in de zusterstad die bekend staat als de stad van de wind. Nou, t'is waar, waaien dat het deed! Toen ik een grote maanbrug over stak, gebouwd van kolosale blokken wit vlammend steen, met meerdere torens waar lichtbakens snachts branden, en waar de wilde golven van het onderliggende diep azuren waren geen grip op hadden, werd ik eens flink schoongeblazen. Recht door al mijn kleren sneed de snellende lucht, maar ik vond het heerlijk, na al die duffe uren opgepropt in een bus te hebben gezeten was dit een ware ontmoeting met de echte elementen, ware natuur krachten, puriteit. Yeah Bitch, Nu leef ik weer! Oud Dali bereikte ik al snel in een flitstende bus, Made in China. Dali was ooit een tijd de hoofdstad van een deel van China en is zodoende omgeven met een oude muur, poorten en vele oude huizen die hier nog wel getolereerd worden met oog op het tourisme, wat werkt. Gelukkig was het eerste wat ik zag toen ik bij de oostelijke poort binnenkwam de 'Green Lodge' wat geheel naar mijn smaak was.
Nu, Dali was een plek om even een beetje aan te komen na mijn afgelopen week van wild gebus in het inheemse land waar niemand engels sprak. Wel leerde ik zo snel karakters herkennen, wat ook heel leuk was. In dit supe relaxte hostel met plantjes binnen groeiend recht uit de grond en dreamcatchers, gordijnen en groovy vibes verbleef ik dus een tijdje, en verkende de stad. Voor een oude stad vond ik dit echt heel groot en het duurde dan ook een poos voor je in het touristische gedeelte kwam waar alle huizen nep oud waren en alles gemanicuurd. Een beek stroomde door een verhoogde bedding op straatniveau met hier en daar stenen om er overheeen te stappen in een super Zen semi-natuurlijke staat. Erboven hingen vele rode lampionen in de wind te bungelen en langs de kanten was het een aaneengesloten gebeuren van hippe cafe's vol buitenlanders en aanhang, wat een bizare ervaring. Ergens verscholen achter een grote elegante poort stond het ouwe paleis, of de tempel, die in China vrij identiek zijn. Beneden, op een binnenplein lagen de vier magische dieren in een mozaiek op de grond. De draak, de vuurvogel, de schildpad en de tijger rond de Tai Chi, of yin-yang. En in de zwarte en witte stippen twee verhogingen met daarop beeltjes van merkwaardige monsters, en zie, jawel, dit is China ala 2010, het zijn niet zomaar beeldjes, ze kunnen ook ronddraaien!! Kan je je dat indenken in het westen, de zelfspot, of zou het spot op het oude zijn? Echt brilliant. Na een dag of zes gaf ik de staf weer aan Maarten en stapte op de trein naar Kunming, om daar wederom, door mijn verkeerde inschatting van de Chinese gang van zaken geen kamer te vinden tussen de massas blinkende torens, ook niet na door de facade heen gebroken te zijn en elk twijfelachtig logement af geweest te zijn. Zodoende vond ik toen dus maar een aangenaam plekje onder de beschermende armen van een kleine Ceder groeiende tenmidden van het vele beton en staal, gebroken glas, verdrongen natuur en verwoeste stad. Een plak van hergeboorte, hervorming, grillige schoonheid en smerig vuil, kortom, een plek naar mijn hart. Van daar sneed de trein met mij er in door de bergen, door vele tunnes en over bruggen, langs de rivier en uiteindelijk in de landen waar nog maar wijnig groeide maar zodoende deste beter de kleuren van de schone, geschoren aarde waargenomen konden worden. Ik zat in de derde klasse, op een stoel tussen de pokerende, rokende, rochelende lieden voor een uur of 15 tot we ergens vroeg, vroeg in de morgen op een mistig station aan kwamen, en het was nog donker. Ik was hier om Emeishan. Een van de vier heilige bergen in China. Ergens in de morgen begon ik aan de klim. eerst door de grote poort om uiteraard een kaartje te kopen, toen meegelift met een glaszetter, afgedropt op de plek waar ik niet wou maar toch geweldig terechtgekomen. Ik stond onderaan een van de vele vele trappen die langs 'oude' kloosters komen waar enkele gedeprimeerde monniken of nonnen er wel niet totaal vrijwillig lijken te wonen. Omhoog ging het, door het natte bos waar het vreemd genoeg onder de bomen regende, en niet er naast. De mist was namelijk zo dik dat deze aan de vele naaldjes en bladeren van de bomen bleef plakken. Het was een mysterieus gebeuren daar door en overal groeide mos naast de meteculeus gemetselde trappen die soms echt medogeloos steil waren. Zo ploeterde ik een aantal uren door tot ik ineens geheel onverwacht plekken sneeuw zag. Sneeuw!!! Echte sneeuw!! Wow! Vergeet niet dat ik twee weken eerder nog in de volle tropische rimboe zat, dit was dus nogal een overgang. En het werd alsmaar meer en meer. Uiteindelijk kwam ik bij een groot klooster bekend als het olifanten vijver. Hoe zich ooit een olifant tegen deze hels steile berg heeft kunnen opwerken weet ik niet maar goed, ik bleef daar voor de nacht. Het was er koud, eindelijk, en toen ik s'morgens wakker werd sneeuwde het zelfs, en niet zo'n beetje ook. Liep ik daar op m'n sandalen, door de dikke sneeuw, het was een wondere winter wereld. Omdat het nogsteeds erg mistig was besloot ik maar af te dalen, en kwam zo al snel weer onder de sneeuw grens waar vele prachtige grote bomen uit de berg groeide en water overal was. Mist en water, en grijze steen, en een verlaten hutje bij een beek waarover een stenen brug gebouwd was met een schitterend draken hoofd aan de ene kant van de pijler en de staart aan de andere kant. Verder afdalend kwam ik langs het 'Feary Peaks' klooster waar inderdaad een stel wonderlijk stijle pieken ontwaard konden worden begroeid met een verzameling moedig groen waar zeker nog nooit een mensenvoet getreden had en uiteindelijk, een heel stuk lager, langs scherpe kliffen van rood steen begroeid met fel groene plantjes bij het eerwaardige bomen (venereble trees) plateu en klooster. Hier bleef ik voor mijn tweede nacht op de berg, wat een groote berg, en wat een mooie. Dit was een echt oud uitziend complex met meerdere binnenplaatsen met overdekte gallerijen, alles van hout en een stille athmospheer, afgezien van het kleine witte keffertje met zijn platte snuit die braaf een half wilde fontijn bewaakte waar riet en gladde vissen in huisden. Hier groeiden vele grote bomen van verschillende soorten en het bos veranderde langzaam al gelang ik lager kwam. Ook kwam ik al gauw een troep dikharige apen tegen die met hun winter vacht wel gewapend waren tegen de ijzige kouw. Geen staarten echter hadden zij. Het regende, maar het maakte mij niet uit, ik had mijn regenponcho en liep verder door het bos en de raveinen, over de heuvels waar bamboe groeide samen met korstige woudreuzen, meerdere bomen op elkaar, onmogelijk bevatbaar hun groote en volgens de bordjes wel 700 jaar oud. Die dag kwam ik terug in het dorp waar China het gemaakt had, een nepwaterval, toeristen bussen, dure restaurants, overal bordjes. Verder nu, naar het noorden, opzoek naar de kouw. In een eerste klas slaper omdat er geen andere beschikbaar was, gecontroleerde luxe, stalen vrouwen in strakke uniforms met vele gouden blinkers, ja, de partijspeld was ook aanwezig. Lang leve trots op onze made in China onderdrukking, angstpolitiek en corruptie. Lang leven de welvaart! Xi'an. De oude hoofdstad van antiek China. Ook hier een muur, maar nog groter, twaalf kilometer in het vierkant, twaalf meter hoog, zeker zo dik, maar dat niet aleen. Dit is China 2010. gigantische bogen zijn er bij het 'restoreren' weg gelaten zodat nu de lijn met kantelen hoog boven je hoofd door de lucht voert, onmogelijk high-tech China. Grote geordende stad, ja, daar hadden ze in oude tijden al een keizerlijk handje van hier, alles in schaakbord patroon, ik raak in dat soort plekken altijd de weg kwijt, komende uit de radiale chaos van Amsterdam. Massa's van alles, zo veel autos, een rotonde met zeven banen breed asfalt, onderdoorgangen, reuze gebouwen, men als ik dit zie kom ik echt uit een durp. Ik blij dat ik me kon verschuilen in de kantine van het hostel waar ik zat. Nee ik ben niet naar de beroemde teracotta legers geweest, laat dat maar aan de toeristen over, teracotta warriors kan je ook gewoon kopen in grotere winkels, net zo echt, of mischien nog wel echter. Nee, ik heb de moslim wijk verkent waar ze brood en tahin verkochten en nog veel meer leuke dingen als soya yoghurt die je eet met pittige soep ef allerlij gebarbecude groenten, paddestoelen en tofu baksels. Mijn favoriete plek in Xi'an was zondermeer het Ringpark wat ze om de hele muren hebben aangelegd en wat vol staat met vage semi-accupresurale fitnis aperatuur in geel en wit die constant in gebruik zijn. Overal zijn mensen spelletjes aan het doen, mayong, ping-pong, badminton, Taichi, wat dan ook, iedereen is in beweging in zo'n gemoedelijke atmosfeer, echt erg gezellig. Het lijkt in China lastig te zijn een kleine stad te vinden, een dorp, alles heeft reusachtige brede straten en uitgebrijde woonwijken, wat het er zeer voetganger onvriendelijk maakt. Dit alles word nog eens vergroot als je eenmaal in de hoofdstad aan komt, Beijing. Gelukkig had ik een vriendin in Beijing die mij van het metrostation kwam ophalen. Voor het eerst sinds lange tijd was ik weer in een woonhuis. Geen vaag guest house of veeg brothel. Geen bamboe hutje of muf hok maar een gewoon huis van twee jonge vrouwen, mijn viendin Shanshan en haar kamergenote uit America en hun twee dikke katten. Er was niet echt veel extra slaapplek maar gelukkig was Shanshan's bed groot genoeg voor ons twee en ze deelde dat zonder problemen. Een kleine week was ik in Beijing om oa. mijn mongoolse visa nu echt goed te regelen (de vorige was verlopen voor ik hem had kunnen gebruiken) en om de muur te zien. De muur. Voor mij symbool van afschijding en megalomanie, tyrannie en volharding. Toch wel een grote muur, en ook goed voor het toerisme. Toeristen zag ik dan ook genoeg, maar wonderbaarlijk genoeg was er ook een stille kant waar men nog de kans had meer muur te zien dan mens, tegenover de drukke kant, waar het een letterlijk in de rij lopen gebeuren was, zelfs midden in de winter. Sneeuw, Zoveel er van, sneeuwpoppen in de plansoenen, en mensen maar klagen dat het koud is, ik vond het echt brilliant. Op een andere dag metrode ik naar het plein van de hemelse vrede, wat naar verwachting groot, vol en autoritair uitgerust was. Mao kijkt nog steeds uit over zijn onderdanen vanaf de wijnrode bastile waarachter de verboden stad schuil gaat. Nu niet zo verboden meer echter, meer een soort verboden het te missen als je naar Beijing gaat, daar deed ik dus niet aan mee en ging de tegenovergestelde kant op, niet zo zeer uit protest, alswel dat me samen met een andere honderd gros mensen een stel overgerestaureerde gebouwen bekijken terwijl zij hun camera's laten gaan me nou niet echt trekt, en er ergens verderop een bizar soort blauwe bubbel stond die ik echt moest gaan bekijken. De bubbel bleek het nationale theater maar je mocht er niet in, dus dwaalde ik verder om in een buurt van kleine straatjes en huizen te belanden, geheel onbedoeld, waar nog kleine eethuizen waren die gestoomde buideltjes maakten met verschillende soorten groenten er in en, tot mijn verbazing, geen vlees. Zo, al wandelend bereikte ik toen de imperiale tempel tuin, waar vele mensen vele dingen aan het doen waren, sommige mij een totaal raadsel, andere meer concreet, en ik werd meteen uitgenodigd bij een ringen gooi spel waarbij we een soort simit (zie, http://en.wikipedia.org/wiki/Simit ) achtige stoffen ringen naar elkaar overgooiden die je dan moest proberen te vangen met je hoofd. Verder, achterin het park was het bijna een bos en er groeide vele statige jeneverbessen en taxus bomen zeker vele honderden jaren oud met dikke vervrongen stammen schubbig en bars van de oudheid. Op een bepaalde mannier heb ik wel respect voor de manier hoe China nu zijn dingen op orde heeft. Ik zie hun logica, hun drang zich te bevrijden van de coloniale schakels en het beeld een derderangs natie te zijn. Maar aan de andere kant zie ik ook hoe ze net zo slecht bezig zijn als in het westen mensen in een onmogelijk systeem te forceren dan niemand gelukkiger maakt. Het is zon gek land, ik ben er van gaan houden, van hun prachtige schrift dat zo vol dynamiek, rytme en karakter zit. Het schrijven er van geeft op zich al zo'n harmonizerend gevoel. Van hun geweldige eten in al zijn diversiteit, van deze oh zo vriendelijke mensen met hun open armen. Van hun grappige geinstitutionalizeerde thee fenomeen, zelfs de meest strakke officier heeft nog wel zijn eigen plastic thee beker om de hele dag uit te lurken. Het was heerlijk om even een week te kunnen uitrusten in de armen van Shan, maar we wisten ook allebei dat ik nog altijd op weg was. Reeds sinds Raj en mijn vertrek uit Kathmandu, vijf maanden geleden ben ik opweg geweest naar de hoofdstad der mongolen, en die lag nu letterlijk aan de andere kant van de muur. Zodoende zette ik mezelf op een avond wederom op de bus, metro, nog een metro, andere bus, om bij het immense west treinstation te komen dat een glazen kolos is vol licht en duizenden chinezen met tassen en hopen lui in het blauw om te zorgen dat er niks uit de hand kan lopen, jaja. Zo zat ik na een tijd weer op de trein, maar niet direct naar Ulan Bator. Mijn plan was eerst nog even Langs de hoofdstad van inner Mongolie te gaan, in de Gobi woestijn. Nu kan je je afvragen of dit nog een Mongoolse stad is aangezien er zestien Han Chinezen op elke Mongool leven, maar doet er niet toe, blijft een aparte plek en de naam Hohhot sprak mij al een tijdje toe. Zo geraakte ik, volledig voorbereid op intense kouw, in Hohhot, maar de kouw voel erg mee, helaas. Gelukkig vond ik wel erg snel een kamer maar dat duurde niet lang. Meteen toen ik terug kwam van mijn ontbijt (een soort pap, soya yoghurt soep en gefrituurde toverbonen met pinda's) werd ik alweer werzocht te vertrekken, mogelijk omdat ze geen 'buitenlander' vergunning hadden, het was ook te mooi om waar te zijn. Een ander wou me gelukkig wel hebben en zodoende was ik bevrijd van mijn zooi die inmiddels astronomische afmetingen had aangenomen wegens mijn voorberijding op de nogtoe uitblijvende min -30. Dat liet mij vrij de boel eens wat te gaan verkennen, maar omdat de kamer zo warm was en de thee uit mijn eigen bloederige thermos zo smakelijk koste het me tot de volgende dag voor ik dat ook werkelijk ging doen. Ik zeg bloederige (bloody) thermos omdat er in Xi'an voor de deur van m'n hostel een bloed donatie bus geparkeerd stond die bloedrode made in China thermosflessen weggaf in ruil voor een bekertje bloed. En aangezien ik nog nooit bloed had gedoneerd en ik alles wel een keer wil proberen deed ik dat maar al te graag. Ook Hohhot lijd erg aan het facade syndroom ookal is dat daar wel wat lastiger in stand te houden vanwegen het barse klimaat en de grotere armoede. Maar dat weerhoud ze er niet van hele woonwijken plat te buldozeren om plaats te maken voor moderne apartementen flats die oprijzen achter het in takt gelaten 'oude centrum' voor de touristen. Als ze de geschiedenis moeten herschrijven omdat dat ze beter uit komt, zullen ze niet twijfelen. Als ze een hele oude wijk moeten slopen om nieuwe 'oude' winkels en condo's te bouwen, wie houd ze tegen, het volk in de 'Peoples Republic' heeft toch niets in te brengen, aleen partijleden hebben de illusie van een stem, en dat is een bevoorrechte status waar om gevochten word. Er is geen critiek op het systeem, alles gaat goed, toch? Maar er is ook een echter Hohhot, waar straten nauw en vuil zijn, mensen niet allemaal perfecte blank en waar nog een lichtelijk wilde geur hangt. Goed, vaarwel China dat ik nog eens mag terug keren op deze oude verbouwde bodem. Waar elk stukje aarde al honderd keer is omgekeerd, waar geen boom zomaar groeit, waar het soms wel lijkt of zelfs het weer gemaakt is. In de laatste Chinese trein stapte ik op weg naar de grens. Die grens die eens zo ver had geleken, en dat ook wel was. Wat een inmens land, wat een inmens gebeuren, al deze mensen, steden, werk, politiek. Overal zijn mensen constant aan het schoonmaken, repareren, bouwen, cultiveren. Niks lijkt aan het toeval te worden over gelaten. Er vind cultivatie van binnen plaats, overal uiteraard, maar hier lijkt het sterker. Maar wat ik ook heel erg voel is de natuurlijke drift van deze kleine gele mensen. Dit bijzondere volk met hun eigen wegen, wetten, manieren en gevoel. Nu was ik al weer aan de noordelijke grens van dit grootse rijk, slechts negentwintig dagen had het geduurd, en zie eens wat ik er alemaal over te zeggen heb. Zoveel heb ik gekregen waar ik niks van wist, en zoveel cliche's heb ik niet ervaren die ik wel verwacht had. Geen zoete wierook en dikke buddha's, geen happy good lucky 777 cultuur. Weinig militair machtsvertoon en een minimale hoeveelhijd wijze draken, tijgeronderdelen en ouden mannen met lange grijze baarden. Wel overal vuurwerk, massa's mensen, maar niet zo benauwend als in India. Ik kon het niet laten de twee steeds maar weer met elkaar te vergelijken, hoewel ze zo ver uit elkaar liggen, figuurlijk dan. Nu was ik aan de laaste morgen, en de zon rees over de platte kouwe droogte met hier en daar een verbruind polletje iets. De grens was dicht, tot acht uur, en toen ik eenmaal werd doorgelaten en uitgestempeld mocht ik vertrekken via de achterdeur. IJspegels hingen aan de dakgoot, de stoep was afwezig, gebroken en ongeveegd, de straat ruw geplaveit, jawel, het was exit China. Een laatste bizarre ontmoeting met een stel super vriendelijke groene soldaten die de rand van het niemandsland bewaakten zag mij vertrekken met een grote bonte berenmuts (uiteraard nep, Made in China) naar de kant van Mongolie.
En nu? Nu zit ik hier in Ulan Bator in et warme huis van mijn vader en zijn nieuwe gemalin mevrouw Bolora die mij zeer vriendelijk heeft ontvangen. Nu zit ik hier tenmidden van al mijn rijkdommen en nogsteeds ga ik de fout in. Maar ik voel me gesterkt met de hulpvolle woorden van Mr. Goenka. De waarheid van het zien wat er is, zonder preconcepties, in mind, only mind, in seeing, only seeing, etc. Zo veel pijn en problemen zie ik om mij heen, en ik weet dat ze geholpen kunnen worden door Vipassana. Maar wie ben ik om te oordelen? Hier ben ik in het slagveld van mijn eigen strijd en moet constant alert blijven om te weten waar ik sta. Ik wil weten wie ik ben. Ik wil totale kennis en controle over deze bubbel Ik. Ik wil zijn, mijn eerste objectief. Ik wil waarheid ademen in alles wat ik doe. Op momenten sta ik zo sterk in dit, en dan weer word mijn hele toren geschud als een knikker op een rietje. Hoe kan ik tegelijkertijd trouw zijn aan een mij zelf terwijl ik juist dat zelf probeer op te lossen. het is zo'n intrigerend gebeuren dit Ik, deze rare illusie die een wig drijft tussen mijn ervaring en anderen. Natuurlijk zijn, 0% verzet maar acceptatie, 100% waarheid en waarrachtigheid, 0% aanzet tot dat wat je weet dat je zal aflijden van je doel. 100% kracht en vastberadenheid, dat is waar ik voor ga. Waarom? Omdat ik voel dat het is wat het het waard maakt mens te zijn. Zonder oordeel, maar met volledige toegave en liefde. Onvoorwaardelijke Liefde, May all Beings throughout the Universe Be Happy, may all Beings everywhere Be Peacefull, May all Beings be Liberated.