Weer eens een fotoo special, maar wel een beetje een vreemde....? Nadat ik mijn visa gebeuren zo goed en kwaad als ik kon geregeld had smeerde ik hem snel, weg uit de lage landen en vlaktes van het Thailands basin en hop de bergen in. Dat ging al met de bus die ik nam van het vreemde busstation waar ik de zon zag opkomen onder het genot van een echte Laotiaanse baguette met tauge, sla en maggi, een remineceance van de Frans coloniale tijd. Al gauw reden we door de heuvels, en passeerden Vang Vieng, een geducht backpackers oord waar de halve wereld gaat tuben, wat bezopen ronddobberen op een tractor binnenband betekend. Ik had dit dorp al eens aangedaan, 7 jaar geleden, had er toen ook niet echt een geweldige herinnering aan over gehouden, zo sterk zelfs dat ik me de zelfde dag nog weer uit de voeten heb gemaakt. Nu werd me dat gelukkig bespaard, en reden we er langs, en vanaf de weg zie je er practiesch niets van. Het landschap werd al wilder en er waren bossen en bomkraters uit de geheime oorlog in de jaren zeventig (voor meer info, zie http://en.wikipedia.org/wiki/Laotian_Civil_War ) die hier veel littekens hebben achtergelaten. Pas tegen de avond bereikten we Phonsavan, ook wel Xieng Khouang genaamd en mijn eindbestemming. Ik kwam hier om te Jarren (dat wil zeggen, het bezoeken van de jars) dat ik sinds mijn vorige bezoek aan dit land een date had met
de mysterieuze potten die ze hier hebben (van steen) . In het Engels noemen ze het 'The Plain of Jars' en, nou ja, ik ging er dus heen. De volgende dag althans en op mijn eigen manier, al liftend en lopend in de zon door het stoffige plattige land kwam ik uiteinelijk aan de poort van Site1. Zonder problemen liep ik naar binnen en dwaalde een tijd tussen die grote stenen potten (het klinkt wel heel saai in het Nederlands) waar in veel ervan water stond, inclusief beesjes of gras groeide, en er waren bomen en veel leven. Veel van de potten zijn gebroken omdat ze ook gebombardeerd zijn en er zijn dan ook meerdere gigantische kraters, echt een heel vreemde gewaarwording. Na een poos ging ik weer verder, de weg af, richting Site 3. Site 2 had ik besloten over te slaan, en dat was een goeie keus want Site 3 was heel rustig en ik was helemaal aleen, ergens in een ver dorp tussen de heuvels, en er groeide veel bos en het was er zeer idillisch, met houten hutjes in de nu droge terassen. Veel van dit land licht nog vol met on-geexplodeerde
voorwerpen van de klusterbommen uit de oorlog, zo veel zelfs dat er van daag de dag word geschat dat er zo'n tien bommen voor elke Laotiaan in de grond zitten. Je kan dus niet zomaar het bos in, of het veld, zonder gevaar voor je leven. Enfin, ik voelde me wel prettig tussen deze potten, die mogenlijk ooit voor begrafenis doeleinden vervaardigd zijn uit grote keien, en bleef aan tot de zon alweer de lila horizon kuste, en met het geluk dat me lijkt te zijn ingegoten kreeg ik al snel een vliegende rit achterop een pick up truck terug naar de stad. Echt een erg spanende piraten rit trouwens over een gravel weg in de schemering en de planeten en sterren die zo helder uit de hemel kwamen vallen, en de kleuren zo magisch, een diep
fluweel blauw, en daar fonkelde weer de emotion star, en ik wist dat het een hele tijd geweest was dat ik die gezien had. Dan weer verder, op naar wat hete bronnen, die ik vond, maar geen geschikt onderdak naar mijn smaak. Dus liep ik maar een bospad af dat op een heuvel uitliep en beklom die tot ik bij een klein bamboe hutje kwam, in het oogstseizoen mogelijk gebruikt voor het tijdelijk opslaan van gewas, nu echter was het geheel leeg en keer ik zo dor de bamboe gaas muren op het omliggende terein uit. Daar maakte ik mijn thuis voor de nacht en snoof de frisse buitenlucht op die tussen de bomen van de vele verschillende soorten bos uit seipelde. Ik heb er keer op keer weer moeite mee objectief te blijven, enkel te zien wat er is en niet te oordelen, over alles mijn mening uit te storten en daardoor enkel te zien wat er niet is, en totaal te missen wat er wel is, dat is toch te vreemd?! Zo zie ik overal kale heuvelzeiden en misbruikte natuur, en niet het mooie bos en het leven wat er wel groeit, zo'n valkuil men. Goed, van bron naar bron. In de morg mijn boeltje weer verzamelt en een bad genomen beneden in het badhuis wat daar voor gebouwd was, in een gewoon ligbad, heel grappig, maar dan met natuur water dat met super power uit een armdikke buis kwam spuiten. En ze hadden daar echt de vetste lianen en slingerplanten voor de ramen gespeikert, zo stoer hoe ze groeien. Na weer een hele dag achter in
een pickup die over de kam van de groene bergen sneed uren lang en door vele "tribal" dorpjes kwam bereikten we Vieng Thong, wat op mijn handgetekende kaartje ook als een goede plek aangestipt stond. Hier kreeg ik dus al gouw een kamer in een tegelpaleis met een zachte matras en zelfs een klamboe, die gelukkig in dit koude seizoen totaal niet nodig is, echt heerlijk een leven in de tropen zonder muggen. Daar in Vieng Thong in ook een hete bron en sinds ik een aardige hete bron freak aan het worden ben bleef ik twee dagen hangen en liet me weken in het net verdraagbare water dat daar in een groene sappige weide letterlijk kokend
uit de grond opborrelde. Het was een heerlijke affaire, die hete bron, met water dat na in een klein meertje te zijn geleid om af te koelen uit een stel pijpen kwam zetten. Maar onze relatie duurde niet voor lang en de zonnige morgen zag mij al gauw (na nog even een bad en het verorberen van wat kleefrijst met tamari) richting het noord westen gaan, opweg naar de Nam Ou. De Nam Ou is een grote zijarm van de Mekong, de machtigste rivier van Zuid-Oost Azie en komt van China naar beneden zetten door een stuk vrij onaangetaste natuur die maar nauwelijks met wegen doorsneden is. Hierin, genesteld tussen hoge beboste bergen ligt Muang Ngoi, een reizegers oord bij uitstek, enkel bereikbaar per boot of per twee daagse voettocht door het steile gebergte vol grotten en kliffen en wildernis. Je bereikt het dus het gemakkelijkst met de boot die zich tegen de snelle stroming van de rivier in worsteld door meerdere stroomversnellingen gevuld met vlijmscherpe rotspunten die soms vlak onder het opervlak van het water verscholen zitten en zonder problemen je hele boot in een klap door midden zouden kunnen splijten. Dat gebeurde echter niet, we werden enkel getrakteerd op een gulle slok rivier vocht en kwamen zo aan te Ngoi. Ik keerde mij weder naar het zelfde hostel als op mijn vorige bezoek, dat er nogsteeds was en niet veel veranderd. Het hele dorp was eigenlijk nog redelijk gespaard gebleven van het touristisch verderf afgezien van de vele bungalo's die als paddestoelen uit de grond schieten. Na enkele dagen van de chilte te hebben genoten trok ik het achterliggende land in over een bruin pad en bereikte na een aangename wandeling door bos en veld de uitgestekte gele rijstpadies en bamboo dorpjes. In een hiervan steek ik neer voor een dubbel etmaal in het enige logement aldaar, bij het opperhoofd van het dorp. Dit is het bamboe volk, alles is van bamboe, dak, muren en vloer van hun huizen, ze koken er op, eten het, gebruiken het voor hekken, als gereedschgap, voor manden en tou, en als bruggen bouw materiaal. Ik heb daar in de o
mgeving niet minder dan vijf a zes verschillende soorten kunnen onderscheiden, en ongetwijfelt zijn er nog velen aan mijn aandacht ontsprongen. Soms groeien ze als reusachtige pollen dicht op elkaar en zwaar bewapend met de gemeenste prikkers die een waar net vormen rond de voet. Soms als hele rechte kolomen met fijn groen hoog in de lucht, soms als een heel bos waar ze gewoon groen en glad overal uit de grond opkomen, en soms al een soort gras. Het was een relatief klein dorp waar ik was waar volgens de hoofdman iedereen familie was. Het eten was beperkt, Bamboe met rijst, rijst met varens, pompoen of een eenden ei, en dat was het wel zo'n beetje. Het was er stil, maar met de introductie van stroom, opgewekt deer middel van kleine dametjes in de rivier, mij niet stil genoeg, en dus trok ik naar een ander dorp, Huay Bo geheten aan de overkant van de grote
vallei, daar waar de reistvelden waren. Hier waren wel twee 'Guest Housen' en een schooltje, en een waterval. En er was heel veel mooi bos met mooie grote witte raket bomen en veel lianen en bloedzuigertjes en de vreemdste planten met veel wonderlijkheid. Mijn gastheer was ook een kunstig mandenvlechter en hij toonde mij enkele simpele patronen die oa gebruikt worden voor het vlechten van de kleefrijst mandjes die ik zo adoreer. Er was uit de rivier een douche gemaakt voor een frisse doop, gedeeld met af-en-toe een waterbuffel. Nou ja, waterbuffel, zeg maar gerust modder buffel, tjee wat kunnen die dieren heerlijk genieten van een voledig modderbad, hoorn tot staart. En maar puffen en grunten (een soort lage kreun) en met hun grote oren klapperen, en het enige dat nog zwart was waren hun grote ogen, het was echt net een voorwereldlijk monster dat daar uit de aarde kwam opzetten. Na enkele dagen verstuikte ik mijn kleine teen en ging toen engelse les geven aan de kinderen van het dorp, natdat hun leraar terug was naar huis. De eerste keer was het een zeer
chaotisch gebeuren, mede door mijn slechte voorbereiding, maar de tweede keer ging het al beter, en op het laatst dansten we allemaal buiten in de ronte terwijl we, 'jump!' en 'run!' en 'one, two, three...' schreeuwden om op het eind allemaal op het gras te belanden in een hoop van gegiechel en gerol. Maar mijn visa liep ten einde, en ik voelde de tijd voor vertrek naderen. Dus op een goede dag nam ik weer afscheid van dit pitoreske dorpje met zijn huizen op stelten en overal mensen die rijstewijn aan het brouwen waren, en liep het open land door, om de laaste nacht in een open hutje zonder muren door te brengen middenin de droge akker naast een bomkrater, alles omringd door de muur van groen gewas en een kudde oranje witte koeien die langzaam uit het zicht graasden, overschaduwd door de puntige kalksteen bergen waar palmen op groeiden en die mij soms deden mijmeren aan de Sahel van Africa. En wat een geluksvogel was ik weer, want ik had een prachtige heldere avond, en een frissen nevelige morgen, maar die namiddag begon het gemeen te waaien en viel er zelfs iets dat wel regen genoemd zou kunnen worden. Dit zette de volgende dag door en op een gegeven moment goot het werkelijk, iets dat ik al een tijd niet meer meegemaakt had. Maar omdat het de tropen waren duurde het niet eeuwig en dus bereikten we die volgende morgen redelijk droog weer de weg, de tonen van mijn fluit wegstervend over de rimpelingen van hat heldere water, in het bos waar de roep van de jungle vogel nu niet meer gehoort word door mensen's oor. Die kiezels die rond en glad liggen aan de oevers van de stroom van beweging. In beweging was ook ik, immer op weg, nu naar het rijk van China. Ben nu op nog maar een halve dagreis afstand van de grens, en ga die hopelijk morgen over. Zuid-oost Azie licht weer achter mij. Goddelijke curries van citroengras en kokosmelk en verse loempiaas.
Groene papaya salades zo heet dat je er een kaars mee kan aansteken en kleefrijst boven alles. Binnenin mij is de strijd van mijn leven gaande, een worsteling op leven of dood, een gevecht om waarheid en purificatie en waarachtigheid in handelingen. Nu Moet het gebeuren, ik kan het, en ik ga het nu doen, en dan is er voorbij de verste fantasie geen grens meer. Nu naar het noorden, naar de kou en de duisternis, maar ook naar de zomer, naar de poolnachten en de uitgestekte bossen van Siberie streef ik, Ja, China is ook slechts een fase in dit process, dit proces van wording, van bewust wording, van het ondekken van die bron in onszelf van onvoorwaardelijke liefde. De bevroren vlaktes van Chingis-land verwachten mij, Mongolie, hier kom ik.....Ps. Hier nog drie fotoos die ik recent binnen gekregen heb, dikke glimlach uit de ouwe doos.