zondag 31 januari 2010

35. Goodbye India.

Yaa, goodbye India. Want na meer dan negen maanden daar kwam er dan toch uiteindelijk een einde aan. En het was goed. Na de achtste maand begon het me toch echt wel weer een beetje vreemd toe te komen, het leven in dit bizarre land. De merkwaardige gang van zaken, de volheid en armoede, oh India, will you ever change? Maar het is ook een plek diep in mijn hart gesloten, waar ik weet dat die voor lange tijd levend zal blijven. Maar zoals ik al zei, voor nu begon het genoeg te worden. Zodoende baande ik mijn weg van Rajgir terug naar gaya en vandaar naar het Boudhistiesch hoofdkwartier Bodhgaya. Ik verliet de kermende Sikh priester die het elke avond op een schreeuwen zette en bereikte de burmese tempel ten midden van de menigtes rood gele monniken die voor de winter uit de bergen afgedaald waren en zich nu in Bodhgaya ophielden. De vorige keer dat ik dit dorp bezocht was het een rustige, blaadjes waaien door de straat soort van aangelegenheid, maar niet nu! Nu stikte het overal van de Tibbetanen, achter de computter,op de brommer, prostraties aan het doen in de buurt van de tempel waar je maar keer stikte het er van. De hele winter zijn er verschiedenen 'puja's door allerlij belangrijke kloostees georganizeerd oa. uit Buthan, Ladakh en India zelf, een ware hyste. Gelukkig kreeg ik dus een kamer in het Burmese klooster op de bovenste verdiepingten ten hoogte van het dak van de tempel wat prachtig versierd was met gouden krullen, slangen en punten in een almaar hoger optorenend pinakel. Elke dag werden er bij de tempel duizenden lichtjes en bekertjes water neer gezet met daarin goudsbloemen en afrikaantjes, honderduizenden plastic bekertjes, zo'n mooi gebaar, maar voor mij ook zo'n tragisch gebeuren. Uiteindelijk vertrok ik, gezond en wel, tot zoverre ik daar toe in staat ben, weer van daar, naar Gaya, in de nacht, waar mijn trein zou wachten richting Kolkata. Maar uiteraard was het niet de trein die wachten moest, maar wij. Wegens de mist en kou had hij maar een kleine zes uur vertraging, en werd het dus vijf uur snachts voor ik mij blauw rollende bed in rolde, op weg naar de zee. Kolkata heeft een heel andere atmosfeer dan de meeste Indiase steden, wegens de Engelsen die het hebben ingericht als een klein London aan de Hugly, een arm van de Ganga die zich door de uitgebreide deltas van west Bengal een weg naar de oceaan baant. Ik herinnerde mij dit station van Kolkata nog duidelijk. Howrah. Die naam had bij mij in mijn hele verblijf in India altijd een vleugje magie doen loskomen als het ergens geutterd werd. Wellicht omdat het ooit het punt was waar ik eens mijn eerste trein het Indiase subcontinent in nam. En Howrah was nogsteeds een enigma van vluchtende reizigers, gestagneerde passagiers en lummelende lui die zich hier opperbest thuisvoelden. Hele families die zich op de betegelde vloeren van de gigantische hallen hadden neergezet en hun waar daar hadden uitgestald en er gewoon practisch woonden. En dan ga je naar buiten, en is daar de drukste brug ter wereld, een stalen kolos van een paar honderd meter lang vol ronkende bussen en spoedende mannen met reusachtige manden op hun hoofd op weg naar wie weet waar, maar vooral snel. De stad staat vol grote massieve gebouwen achtergelaten door de voormalige colonisten, het meerendeel nu leeg en ingevallen, of nog net onderstut door negentiendeeeuwse ijzeren banden en trekstangen, voor hun voeten talloze kleine winkeltjes opgesprongen waar de arme man een karig oortje bij elkaar schraapt van de gebroken en stoffige straat waar het leven voorbij spoed. Enfin, ik had hier vier dagen, en vond een gaar bet in een slaapzaal gedeeld met een stel eigenaaardige Bangladeshi's en een samenraapsel ander internationaal reistuig dat, net als ik, zilver verkoos over comfort. Het leven rond Sudderstreet is een Indiase reizigers epic, en niet te beschrijven maar centreerd zich rond het fenomeen rikshaw. In de buurt van de oude markt (new market genaamd) stikt het van de sperwers of iets in die geest die hun aeronautische toeren uit voeren tussen de muren van de hoge huizen en scheerden neer op de vele kraaien die zich op de afvalbelt hadden gestort, op zoek naar een stukje vermalen kip. Om de drukte een beetje te ontsappen nam ik op een dag een spurt naar de botanische tuinen, aan wat ooit de rand van de stad moet zijn geweest. Een verwaarloosd gebeuren waar de reuzepalmen door het dak van hun krappe gevanenis kas gegroeid waren en wat nu voornamelijk een uitjespark was voor knuffelende Indiase stelletjes of de zelfde tiepes maar dan tien jaar later, picknickend met hun kroost. In deze groene zone groeit ook een van de grootste bomen van de wereld, een reuze Banyan boom die almaar blijft uitdeien met nieuwe luchtwortels die de grond in boren en als staanders dienen voor het uitgebreide bladerdak. De stam is weg maar de takken hebben daar geen boodschap aan en groeien zodanig vrolijk door naar buiten, rustend op hun eigen wortels, zodat een heel bos van een wirwar van takken en bladeren en draden ontstaan is waarin het moeilijk is te zegen wat nou waar bij hoort. Na dat beschouwd te hebben en ook de andere delen van het park eer aan gedaan te hebben liep ik een heel eind terug richting het centrum door de buurten van de landlozen die hun simpele krotten hadden gebouwd op de kand aan een dijk waar weinig verkeer passeerde, zodat men grotendeels op de straat leefde, een ontroerend gezicht. In de vroege morgen, het was nog donker buiten, schudde ik de portier van mijn guest house wakker en gebood hem het hek open te doen dat voor de deur getrokken was. Na enig gezoek en getuur in een groot boek vol namen her en der over de pagina gekrabbeld stelde hij vast dat ik dan toch maar echt betaald had en liet mij vrij, waarna ik mijn bestelde taxi al aan de rand van het trotoir waarnam (ja, dat hadden ze daar, een stoep, erg uniek voor India). Het oude gele monster zette zich al snel in beweging en we tuften door de lege straten van het nachtelijk Kolkata. Op z'n Indiaas stopte mijn chaufeur onderweg nog twee maal, eens om een tandeborstel stokje te kopen, een gebruik dat ik zelf ook op de valreep nog heb opgenomen, en om chai en een sigaret te scoren. Ja, anders kan de man echt de dag niet beginnen. Ik was erg vroeg op het vliegveld, maar het deerde mij niet, ik verblijde de bewakers en andere reizigers gewoon met wat vrolijk fluitgespeel, waarna ik uitgebreid de tijd nam voor wat yoga. Ja, increddible India, Incredibly beuautifull, incredibly unlikely, incredibly dirty and incredibly imitating. Ook het vliegtuig had vertraging (incredible India) maar uiteindelijk vlogen we dan toch door de blauwe hemel over de prachtige kronkelende delta's van Bangladesh en Mynmar. Duizende bochtige rivieren en beige eilanden vormden een spel daar ver beneden, steeds weer onderling verbonden en uitmondend in de glinsterende zee. Gelukkig kon ik een plaatsje aan het raam bemachtigen en zodoende miste ik niet het schouwspel van het licht dat door de dunne nevellaag op de onderlichende meren en afgesneden rivier armen reflecteerde op de wolken en daar een magisch oranje gouden gloed veroorzaakte die mij echt bovennatuurliijk voor kwam. Een slang van vuur verscheen uit een andere dimentie en verdween er evensnel weer in terug, maar ik had hem gezien! Miss miss, look the clouds! Kijkt uit het raam, hhmmm, vond de film toch interesanter. En ver weg, ver naar het noorden dacht ik de witte toppen van de himalaya te kunnen ontwaren die blonken in het stralende zonlicht.
Bangkok, Holy cow wat een verandering. Een heel universum van glazen wanden, verchroomde bordjes, leuningen en randjes, roltrappen, informatie balies, schoonheid en orde, hoe is het mogelijk, kom ik uit deze wereld? Maar ook de vele vakantiegangers die er naar mijn gevoel half naakt bij liepen in een dracht die ik van India niet meer gewend was. Geen sari's maar mini rokjes en nikkebokkers en veel te bruine tiepes, wat is het toch een vreemde wereld. Na over de eerste schok heen te zijn vond ik de weg naar buiten: Hitte, jawel we zijn in de tropen. In een gestroomlijnde bus schoten we over koevrije snelwegen die door de lucht voerde langs lichtgevende wolkenkrabbers in een mij beangstigende snelheid, wat een orde, hoe verbijsterend. Ik voelde me als echt van een andere planeet neer gedaald in een star trek schene. Maar eigenlijk, als je eenmaal bent geland in Bangkok, is het best een aangename stad. Dingen werken gewoon. Ik heb maar 1 bedelaar gezien, en die drong niet aan. Dingen zijn schoon, steegjes zijn begaanbaar en geen openbare wc's. En hoe open en vriendelijk was iedereen, en zoooo, beleefd. Ze duwen niet in de bus, daar moest ik wel even aan wennen. Hoe dan ook, het geheel heeft me geloof ik toch wel een beetje doen schrikken en zodoende was ik al snel weer opweg, in ditmaal een Thaise trein, met kussens en slopen en ook daar schoonheid, richting Laos, wat we in de morgen bereikten. Hier voelde ik me al weer een stuk meer thuis. Wegen met barsten, plastic in de berm, corruptie, veroeste bakken van bussen, maar toch altijd noch laaang niet zo extreem als in het land van Hind, ever be it in my heart. In Vientiane, het hoofdstadje, ben ik nu op visa Shopping, zoals dat heet. Eerst voor China, en toen voor Mongole, dat ik allebei ook kreeg. Maarrr, het ging natuurlijk allemaal niet helemaal perfect, dat zou nou saai zijn, en mij wellicht van mijn scherpte afhalen. Inderdaad had ik in de laatste dagen al een vaag gevoel dat als de weg zo open lag, de lol er dan een beetje vanaf zou zijn. Zodoende had het universum voor mij nog een grapje in petto, namelijk dat mijn Mongoolse visa wel voor een maand geldig is, maar ook vandaag het termijn van entree in gaat, ook een maand! Complicaties om het allemaal nog wat interesanter te magen, de garnering zullen we maar zeggen. Ik vind het prachtig, wat een kans om vertouwen te hebben, vertrouwen als met het pakje dat ik uit Kathmandu opstuurde en er drie volle maanden over deed om het thuisfront te bereiken, en geen moment heb ik getwijfelt dat het zou komen, en dat voelde zo goed. Zo ook nu weet ik dat dit alles een diepere achterlichende betekenis heeft en leg mij compleet in de armen van de cosmische moeder met het vertouwen dat het goed is zoals het is. Voor het weekend, terwijl ik wachte was ik in de heerlijke Jungle buiten de stad in een dromerig oord tussen de bomen waar enkele houten hutjes de ruimte deelden met vele kleurige salamanders, vlinders, gekko's en endere tjirpende, roepende of fluitende dieren die er een rond de klok concert op nahielden, volledig met verschillende fases en delen. Het was volle maan en dus scheen s'nachts het zilveren licht door de takken en bladeren van het groen. In de morgen zag ik de zon oranje opkomen door mijn ene raam van mijn huisje op kipen poten, en s'avonds, als ik mijn ogen wederom opende na mijn meditatie, aanschouwde ik zijn passage voorbij de westelijke horizon die hij in een roze gloed klede. Heldere sterren weerspiegelen in het gele water van de stille stroom. Ergens klink een vervreemdend loe loeoe loeloeloeoeii, en de witte jing jang staat wederom aan de diepblouwe hemel. Met mijn ontblote bovenlijf vloei ik door het magische bos en voel mij op mijn plek tenmidden van al het stille leven, de bewegende kleine wezens en de liefde van het hart van de wereld.