zondag 28 juni 2009

28.Namaste

En dan nu, de fotospecial, met extra veel plaatjes voor het begerig oog. Twee dagen lang sudderen in een zuidindiase trein laat je er uitbreken in een manie van plakkerig zweet, stof en aangekoekt vuil dat je er enkel met minstens twee keer mandi-mandi-en afkrijgt. Het was een eindeloze rit geweest van nodeloos wachten in the middel of nowhere waarbij ik mij telkens als dit voorkwam een weg naar buiten wurmde om samen met de andere mannen onder de schaduw van een boom te gaan zitten of op de rails om wat op mijn fluit te blazen, zie ginds komst de stoomboot, de torenspits van zltbommel, de lambada en zo meer. Dit had als bijwerking dat zich al gauw een dichte haag van toeschouwers verzamelde die zelfs het laatste zuchtje wind wegnam waarvoor ik nu juist naar buiten gekomen was zodat ik mij dan weldra weer naar een andere locatie verplaastte waar het hele proces zich dan weer van vooraf aan afspeelde. We reden door de verschroeide vlaktes van centraal India waar de verzengende zon met de cepter zwaait en het een wonder is als je meer dan een paar huizen bij elkaar ziet staan. In het station van Patna haalde ik deze keer zonder problemen Wanda van de trein en zo fietsten we algauw richting busparkeerplaats. Wat toen volgde is niet echt het vermelden waard maar het was een opeenstapeling van botsende bussen, ongewillige hoteleigenaren, stakingen en stroomuitval die ik enkel overleefde met de hulp van een engel op een fiets vermomd als een jonge bruinen jongenman. Het terugkeren in Nepal voelde een beetje als het vinden van en eenzame pinda op de bodem van mijn tas, een gebeurtenis die mij immer grote vreugde inboezemt. Het leek er wel niet veel veranderd aan de buitenkant, maar de littekens van de afgelopen vijf jaar worden vooral gedragen door de vriendelijke bewoners van Kathmandu zelf. De jaren van een dictator van een monarch, maoistiesche rebellen en een in en in corrupte regering hebben diepe sporen nagelaten in de Nepalese sameleving. De voedingsmiddelen die de mensen het meest gebruiken als rijst, dahl en melk zijn soms wel vijf keer zo duur geworden. Water is schaars en stroom onberekenbaar terwijl er in Nepal grote wilde rivieren stromen met heerlijk schoon bergwater. En wie is het die hier het meest onder lijd? zeker niet de politicie in hun burgten van huizen die je van muren en posters toe grijnzen met hun vette koppen. Het zijn de mensen onderaan de economische schaal die hun kinderen het centrum in sturen om te bedelen waar ze s'nachts vuil en grijs op de betonnen toritoirs slapen in groepen onder de bedwelming van de lijm die zij in plastic zakjes bij zich dragen. Thuisloos als ze zijn, na een hopeloze dag niet genoeg, nooit genoeg hebben opgehaald en bang zijn om weer naar huis te gaan met kans op een aframmeling. Dit is een werkelijkheid van Nepal, maar gelukkig zijn er ook mensen die hier iets aan proberen te doen. Zo is er een tehuis gerund door een vrouw genaamd Amma bekend als het 'Hopefull home for helpless children' waar ik vroeger ook ben geweest, om te helpen met het maken van huiswerk of het bedenken van spelletjes voor de kinderen. Inmiddels hebben ze een veel mooier en groter huis gekregen aan de randen van de stad tenmidden van de groenen rijst en kolen velden onder de wakende hoede van de bossige groene berzijden. De kinderen van toen nu veel groter en geschoold, en ik? Mischien een beetje kleiner geworden of enkel ouder. Meteen het eerste weekend in Kathmandu werd ik uitgenodigd voor een vage trance gathering ergens in de bergen en ik besloot te gaan al was het enkel voor de ervaring. Ons meetingpoint was Freak street, nabij de oude tempels en paleizen van Kathmandu, op een hoek bij de Bio-shop. Het duurde een tijdje voor alles geregeld was en dus verzamelde zich langzaam een kleurige groep chillende freaks met wie ik al trommelend en fluitend de zonnige namiddag passeerde. Toen alles compleet was liepen we met ze allen naar de microbus waar we ons met z'n 25 inpropten en gingen opweg. Voor we goed en wel het beige stof van de stad achter ons hadden gelaten was het in middels zonsondergang en na een poosje klommen enkelen van ons op het dak voor een wervelende rit. Toen we even pauseerden danste ik daar sky high op de frisse berglucht en de euforie, crystal clear. Toen, een lekke band en dan een weirde eetstop waar iedereen massaal aan de Dahl Baath ging, maar ik verkoos mijn yoga als geestelijk voeding. Daar zag ik de laaste vallende sterren, rood opgloeiend in mijn innerlijk universum, en de wonderen van het wanderende leven. De bergen, zo bewerkt door mensenhanden, de rijsterassen hoog boven mij uitstrekkend. Toen, terug in de bus voor een duizelende rit full power over een smalle bergweg. Dude, dit is trippy, ik denk niet dat ik ooit zo speecend in een voertuig heb gezeten. Het hele heelal kwam door de bus heen, en gooide mij van mijn koers op een goeie manier. Dan, eindelijk waren we er en het was een wonderschone plek. Onder ons stroomde en wild bruisende rivier in haar wilde bedding, rondom ons waren de duistere bergen en in het hemels zwart was inmiddels de bijna volle maan verschenen die ons vriendelijk toelachte. Ik voelde de aarde en was er. Helaas was de muziek mij veel te base, enkel de onderste chakra's stimulerend terwijl ik juist van boven overstroomde. Dus ging ik maar aan de verstilde weg zitten, op het grijze steen en mediteerde tot het eerste licht van de zon zich weer vertoonde aan de heldere hemel. Ik voelde mijn hele lichaam, van binnen. Elke spier en fiber in gewaarzijn en afstemming. In die rust, is het enige dat ik nog behoef yoga. Innerlijk vrede kan enkel bereikt worden waneer er eerst vrede is met het lichaam. Toen de gouden zon ons weder met zijn gouden licht betaste daalde ik af naar de schoonheid van de grote rivier en verwonderde me over haar pure pracht en weelde, deze gift van moeder aarde. In haar vloeibare lichaam bereikte ik de ultieme frisheid en was klaar voor een nieuwe dag. Ik bevond me in een van de schoonste valeien van de Himalaya en besloot dus maar eens een goeie wandeling te gaan maken. Ik liet de blowende en chillende feestlieden voor wat ze waren en stuurde mijn voeten richting de hoge bergen van de Bhote Koshi. Het verstilde dorp dat nu ontwaakte met het dreunen van de base was een sureaale gewaarwording. Mensen in grauwe simpele kleren die bundels hout of zakken rijst met banden over hun hoofd droegen. De kinderen met piekerig haar die maar eens kwamen kijken wat die vreemd buitenlanders nou aan het doen waren daar de hele nacht. Ik kan het aleen maar met hun eens zijn dat het een vreemd gebeuren was op deze bijna heilig natuurlijke plaats, ontaardend. Ik liep, en liep, soms naar beneden, maar voornamelijk omhoog, langs plekken waar mensen met hamers en wiggen platen gekleurd leisteen uit de rots aan het bikken waren en die dan door kinderen naar beneden lieten dragen om te verkopen aan de weg. Ik kwam door gemanikuurde dorpjes, maar niet op een burgelijke manier, waar bloemen over de balkons groeiden en de bewoners duidelijk plezier hadden in hun leven. Is het mischien de armoede barriere die hun, ookal hebben ze niet veel, toch laat genieten van wat ze hebben in dankbaarheid? De bergen ook maar proberen te raken met woorden zou een daad zijn van pure arrogantie en zelfoverschatting. Overal waren terassen en mensen die aan de overkant van de diep gesneden vallei met buffles hun landjes aan het ploegen waren. Al gauw kwam ik in de Boedhistiesche gedeelten waar de vrouwen vrolijk gestreepte schorten dragen en gebetsvlaggen over de huizen en tempeltjes wapperen. De hele dag liep ik en kronkelde door de grote vallei, nog lichtelijk in de waas van mijn droombetovering, zulke ongeloofelijk oude dingen, mensen, een groep schoolkingeren in uniforms die mij een heel stug vergezelden en wie ik de engelse woorden leerde van de dingen om ond heen: Bus, river, bag, road, hair, hydroelectric dam etc. etc. Er was een plek, waar de vallei een scherpe buiging maakte, waar in een arm van de rivier, een grote grote bodhi boom groeide, in verstrengeling met een kolosaal rotsblok, er geheel omheen groeiend. Een Shiva shrine was er onder, en ik voelde dat ik daar zijn wou. Ik werd toegelaten door een vrouw die er gras aan het maaien was met een korte cikkel en zat op de grijze stenen platen. Zo'n krachtplek dit, en ik liet er de tranen van de witte woestijn zwart naar de aarde rollen. Daar ligt het nu, in een stralende bol van energie, toevoegend aan wat daar al was, een monument van energie, lichtend voor de eeuwigheid op het veld van Akasha. Aan het einde van de dag bereikte ik het beloofde oord Tattopani, of terwel heet water, waar ik een houten hokje aan de rivier vond met uitzicht over de beboste helling. Ik liet mij in het hete water van de bron weken en was toen zeker klaar voor de nachtrust. Volgende dag, op het dak van de bus terug naar Kathmandu, de laatste tien kilometer te voet vanwegen de Maoistische staking wat inhoud dat gewoon geen enkel voertuig het moet wagen te bewegen of anders zal de met stokken en palen gewapende meute wel eens even je ruiten en koplampen komen uittesten op breekbaarheid. Toen begon het visa gebeuren. Ik was hier naar Nepal gekomen om te proberen een nieuw Indiaas visa te bemachtigen en dat is niet zo makkelijk. De eerste morgen was ik bij de poort om zes uur en na drie en een half uur wachten werd ik dan uiteindelijk geholpen. Ja, je mag over een week terug komen, we gaan eerst chekken of je geen crimineel bent. Okee, dus ik ging eerst maar eens wat de heuvels rond Kathmandu in, oh ja, en een beetje naar Bodhnath hier beter bekend als Bouddha, de grootste stuppa in Nepal en altijd een mooie vredige plaats om te zijn. Met wanda rolden we er heen, waren, zagen de boeddistische monniken die aan het zingen waren in het klooster aldaar, versierd met schitterende mandala's en thanka's. Toen, bij de uitgang terwijl ik Wanda aan het losmaken was stond daar een Taxi aan wie ik voor de grap vroeg of hij haar niet wou kopen. Hij nam dit echter serieus en aarzelde niet mij de gevraagde 5000 ruppees te overhandigen en bood mij ook nog aan me af te zetten bij de tempels van Pasupatinath. Zo zag ik een half uurtje later Mijn vertrouwde tweewielster vaarwel in de achterbak van een kleine witte Maruti en was het verhaal af. Het geld was voor het Hopefull home aan wie ik haar eigenlijk had beloofd, maar aan fiets kan je niet eten, en sinds er zo'n 400 euro aan reist per maand door heen gaat daar dacht ik dat ze het geld beter konden gebruiken dan Wanda. Bon, ging dus wat de heuvels in om te trainen voor mijn geplanden renddevous met Anita en wandelde enkele dagen in de heerlijke heuvels tussen de sparren en dennen. Nagarkot was mijn bestemming en ookal was er nu, vanwegen het stof in de lucht geen berg te zien, het mocht de pret niet drukken. Op de terugweg kwam ik weer door Bakthapur wat een oude, geheel autoloze stad is van geheel opgetrokken uit rode bakstenen. Het stikt er van de tempels en baden, pleintjes en heilige hoekjes en mensen zitten gewoon op hun drempel omdat het een prettige plek is om te zitten, zonder al dat verkeer. Wat een heerlijhkheid, kinderen spelen op straat, oudjes zitten op verhoogde platform in de schaduw, het is er stil en de lucht is zuiver, zouden ze overal moeten doen, vooral in verstikkend Kathmandu. Anyway, terug in Kath ging het visa verhaal verder en op m'n verjaardag zou ik het dan echt krijgen. Maar helaas had de ambassade in Nederland niet geantwoord op mijn boemanbrief en dus mocht ik twee dagen later weer terug komen, voor de derde keer om zes uur s'moreges. Mijn verjaardags dag was echter geweldig. Ik had weer twee vrienden ontmoet die ik al kende uit Israel van de Walk About Love en met hun at ik Appelkruimel taart en ik kreeg wel drie kadootjes! Als omgekeerde traditie bliesen we geen kaars uit maar stakan we er een aan, veel mooier vind ik. Er was nog 1 dag voor dat mijn Nepalese visun af zou lopen en dus ging ik naar Swayambunath, de stupa op de heuvel vol apen en met duizenden gekleurde gebedsvlaggen die in dikke trossen over de heuvels vol grote en kleinere stupes gespannen zijn. Zo een mooi gezicht is het om daar onder te zitten en het geluid te horen van de wind die er zachtjes doorheen suist. De dikke sparren met hun donkere takken, het geluid van twee jonge monniken op de achtergrond die op hun lange alpenhoorn achtige toeters aan het oefenen waren waar een enorm geknetter uit kan komen. Onder de rustige ogen van de boeddha die over de vallei uit kijken wat ooit een meer was, enkel geledigd, zo vertellen de mythen, omdat Shiva met zijn degen de rotsen kliefde aan het zuiden, en werkelijk, hoe kon het minder waar zijn?
Ik kreeg mijn visa en maakte me nog die zelfde avond uit de voeten. In de bus, in de file, voor vijf uur, slapend op het dakrek. Eindeloze slierten gekleurde vrachtwagens langs de weg, en vrolijke lichtjes van binnen. Het werd fris en dus nam ik weer een stoel maar toen het licht werd ging ik snel weer naar boven om de schoonheid van de mist te aanschouwen die als een zachte deken in het dal hing onder ons en de scherpe kloven vol tuimelende rotsblokken in de groene wand aan onze linker hand. We bereikten de vlakten en reden door de bossen van Het Chitawan park tot we de grens bereikten. Daar regelde ik samen met een Israelische broeder een rickshaw en kruiste de frontier met India. Wonderbaarlijhk was het hoe, zodra we de poort onderdoorgelopen waren die; 'Welcome to India' las, de chaos begon waarvan ik bijna vergeten was dat die zo intens was, hier, in India. Staan in de bus, gepropt in de trein, kinderen vrouwen opgestapeld slapend in het gangpad, rochelende mannen tot zo'n extentie dat je gelooft dat ze het er om doen. Het was me iets te veel en dus dook ik de trein uit in Lucknow voor een tweedaags verpozen aldaar. Ook daar was het gekte, en hitte, maar tenminste had ik er een plek om me thuis te voelen, in een guest house met een waard van de indiase maffia die mij sterk aan een kruising tussen Elvis, Cry Baby en Donny Brasco deed denken, maar uiteindelijk erg vriendelijk bleek. Toen ik Lucknows rivier, grafmonumenten met extreme hoeveelheid heldergekleurde exuberante kroonluchters en wasghat voldoende in mij had opgenomen zette ik mij reis wederom voort naar het voorlopige keerpunt, Delhi. Ook dit voelde een wat als terug thuis komen maar dan meer alsof alles is omwonden met een suikerspin rag van vettige vingers en oud zweet. Weer bemachtigde ik een kamer in het afthanse hotelfenomeen Navrang en spendeerde de eerste twintig minuten in mijn kamer met het ontwaren van de talloze aandenkingen en rotstekeningen die vorige bewoners op de muren hadden achtergelaten zonder schaam of schroom. Delhi, in afwachting verblijf ik. Nu is het enkel nog een avond voor ik vermoedelijk mijn verwekster hier ga weerzien en het is een aparte ervaring. Ik voel me niet bijzonder, maar wel heel vredig bij de momenten van innerlijke weerspiegeling waar de middaghitte mij toe gemaard. Het is de ademhaling waar de hele binnenste galaxis omheen draait, en ik vind het heerlijk er steeds meer mee te versmelten en het te zien zoals het is. Laat al het andere maar voor wat het is. Ken je dat, dan ken je ook al het andere wat er omheen is opgebouwd. Het is zo simpel, het simpelste wat er is, maar steeds, maken wij, het zo moeilijk.... Namaste

woensdag 17 juni 2009

27. Het Neusje

Lang verwacht maar niet gebeurt, hier dan episode 27. Kochi was een heerlijke tijd en ik dwaalde tussen de resten verkruimelende kolonialiteit en reuzachtige groene overschaduwende boom reuzen die alle straten lijnden. Ook was ik bij een nabij strand vol volledig geklede zwemmende indiase toeristen maar werd algauw verdreven door de overdadige hoeveelhijd regen die er plotseling uit de hemel kwam zetten, jawel, de monsoon is begonnen. Wat u hier rechts van u ziet is een ware Kerelaanse lekkernij wel bekend als een Dosa of een roast en is een knapperige pannekoek van reistemeel. Het oranje sausje heet Sambar en is een pittige currie, het witte goedje staat bekend als chutney en is een zacht koele saus op basis van geraspte kokos en peperkorrels. De lepel die hier op de foto te zien is is puur voor decoratie, die word nimmer gebruikt, enkel de rechterhand is als eetgerei toegestaan. Dit was vrijwel dagelijkse kost zolang ik in het zuiden van india verbleef.
Goed, van Kochi nam ik de boemel trein naar Kottayam om nog die zelfde middag van ergens achter een politie uitpost in een haven een boot te scoren richting Alappuzha. Er was een lichte miezer die hier enkel als verfrissend werkt. Het gehele wateroppervlak was bedekt met een dikke laag reuze waterhyacinten in paarse bloei waarover een menigte van kleine wit-beige reigertjes heen en weer wandelden op zoek naar een verscholen hapje. De boot starte de motor die open en bloot in het midden van het vaartuig gemonterd was, een soort oer rondvaartboot van hout en begon zich een weg te ploegen door het groene vloeibare landschap. We voeren door de binnenwateren van Kerala, door de ondiepe kanalen die soms bijna overstroomde als wij er door kwamen, aan beide kanten slechte geflankeert door dunne meterhoge dijkjes waarachter zich eindeloze uitgestrekte reistvelden uitstrekten, nu ondergelopen door de regen, waarin waterbuffels zich ernstig thuis voelden met buffelpikkers op hun rug en al, soms enkel hun gebogen hurens en zwarte kopen boven het oppervlak uitstekend. We voeren en meerden soms even aan bei een eilandje in deze water landen waarop een of twee huizen stonden, nu afgesneden van de rest van de wereld, de plekken waar wij onze passagiers ophaalde, op weg naar de markt, of de buren. Toen verschenen er ineens een heleboel grote deluxe vila boten met rijke opvaarders die op hun veranda met tv en air-co aan van de natuur aan het genieten waren en waarachter locale vissers in hun kano's meeliften opweg naar huis. Een wijd meer en dan waren we in Aleppy, in het midden van de groente. Vrijwel meteen werd ik opgepikt door een man met brommer die mij naar zijn huis mee nam en mij daar een kamer gaf me vreemde barok/romance achtige plaatjes van halfnaakte bosfeeen op schommels. Ik vond het alang best en knoopte mijn klamboe op en genoot van de geluiden van de jungle om mij heen die door de open ramen naar binne kwam stromen. Ik vond een boek genaamd 'Three cups of tea', en sloeg het open waarbij er enkele pagina's uitvielen en een hoop zand op mijn buik landde, dit boek had duidelijk al een verhaal te vertellen opzich. In de morgen liep ik maar eens richting het strand en vond een stralend witte katholieke kerk nabij de branding in Portugese stijl die herinnerde aan de dagen dat de Europeanen hier vochten met de locale regeerders en hun driemasters voor anker legden voor deze kusten op zoek naar de rijkdommen van de binnenlanden. Een bijna lege loods waar de mensen van 2009 op blote voeten achter archaiesche maschines zaten en op trapkracht katoen spinden tien rollen tegelijk. Wel handig als de trroom het meer dan de helft van de tijd laat afweten, dat wel, maar wat een leven. Over het echte strand liep ik waar vissers hun netten repareerden en de grote oceaangolven op het zand beukten. Waar een stenen dijk deed herinneren aan de tsunami die hier heeft toegeslagen. Dit was ook erg merkbaar toen ik nog wat zuidelijker in Amma's ashram was, waar alle omwonenden er zo de pest in leken te hebben. Ze hadden al zo wijnig, en ook dat werd hun ontnomen. Waarom gaan ze dan ook direct aan het strand wonen vroeg ik mij af? Maar ze hebben nergens anders om heen te gaan, geen land, geen fortuin, zelfs geen hoop. Ze voelen dat ze zijn overgeleverd aan hulp van buitenaf, die, nadat de mediahype over was, even snel terug trad als het ziugende water van de reuzen golf. Ik voelde me heerlijk in de ashram, steeds, ik voel me er zo op m'n gemak en in de vibe, zo rustig en waarachtig. Ik leerde er bio-dynamische compost maken met een zon-gebruinde Californier en we mixten koeievlaai en GFT en hooi en bladeren en takken maakte er een heerlijke ultra biologische taart van vol dikke hongerige microben en bacterien en schimmels en meer van dat soort types van wel een meter hoog. Amma was er niet maar zoals een van de baba's zei 'het maakt niet uit, ook zij is tijdelijk, de ashram is waar het om gaat'. Een soort spirituele composthoop is het, een plek van transformatie. Ik was daar enkele dagen en trok toen verder naar het zuiden en spenderde en vreemde nacht aan het strand van Varkala in een Bamboe hut die evenzo rook op een hoge klif en deed mijn yoga op het muffige bed. Dan verder naar Thiruvananthapuram, de hoofdstad van Kerala en een chaos op zich. Maar het had toch wel wat, onder andere een treinstation waar ik de volgende morgen de trein nam naar het neusje van india, Kanyakumari. We reden langs schoone ronde half begroeide graniet bergen grijs en bruin en daar voor, reistvelden met daarin de uitzaai vakjes waarin de ongeloofelijk groene sprietjes van de nieuwe reist in golven wuifden in de wind gecreerd door de drukgolf van onze locomotief. Het neusje, het heerlijke eindeloze eindje. Kaap Comorin en de drie zeeen die samenvloeien daar. In het miden van dit al staan enkele rotsen in de woeste branding waarop een beeld van meester Thiruvannalar en een rode tempel van heer Vivekananda staan met prachtig in zwart graniet uitgebeitelde figuren bestreken met wit poeder. Ik liep over het strand, het spectaculaire strand van geel, rood, grijs, wit, bruin en zilveren zand dat glitterde en in vlammen en figuren door de golven werd uitgespreid. Ik ontmoette een jonge Babba op straat met een vrolijk gekleurde fiets die bij de naam Pagal Baba ging en mij meenam naar een overhangende richel aan zee waar enkele beelden en lingas over de horizon uitkeken. We hadden een prettige converzatie en ik voelde me erg aangenaam in zijn aanwezigheid ookal had hij nog een hoop wild vuur in zich. Toen was er weer de trein die op mij wachtte en ik speelde op mijn 20 ruppee fluit bij het open raam waarachter de zon verdween achter de bergen, nu van de andere kand gezien, en we net voor het donker door een eindeloos veld windmolens reden, zeker tienduizend van velerlei soorten die de wind vingen die tussen de bergen door kwam. Zo kwam ik aan in Madurai en vond een kamer in een hotel dat ook als aleenstaande mannen huis diende zodat het er altijd gezellig vol was. De tempel van Madurai is groot en kleurig en heeft vele torens volgestapeld met beelden van mannen en vrouwen met dierenkoppen al dan niet naakt, gespiest of in een of andere vreemde houding, demonen en bloemen en hun bijbehorende rijdieren, slangen en wapens. Daar loop je dan onderdoor en kom je in de gekte van al de mendsen die hun eer moeten betonen aan elk beeldje, want je zou toch niet willen dat je een van die vurig ogende tiepes ontevreden stelt. Ook de olifant was present die mensen over het hoofd aaide voor een muntje als zegening en het blonk van het brons en goud. Maar ergens achter, weg van al deze overdaad en drukte, stond een enkele lingam in een hoekje waarbij een vrouw trouw puja aan het doen was. De rook van de brandende stokjes kringelde omhoog en lichte op in een enkele streep blauw zonlicht die van boven kwam om op de stenen vloer uiteen te spatten in een bron van celestijnse hemeligheid. Bergen oude bloemen en offeringen lagen ergens in een hoek geveegd te verotten. Ze goot melk en water over de stenen elips en waste hem zo zorgvuldig. Zo bijzonder vond ik het, voor haar is er absoluut geen twijfel. Dit is geen steen, dit is een levende god, en dient zo behandeld te worden. Het boterlampje brande in stilte, een man zat in lotus op de grond. Dit is india, zo oneindig, voortdurend.
Vrolijk op mijn fluit spelend liep ik door de drukte van de stad en kwam daarbij door een markt die in een reuzachtige tempel opgezet was met intens versierde pilaren waarvan er sommige gewoon hele beelden bevatten die dan ook weer aanbeden werden en vol gesmeerd waren met rood en geel poeder en waar wierook voor brande. Het was zo een bizarre combinatie daar, die hyste van plastic en verkoop drang, een heel stuk waar de naaimaschines door ratelde, en dan keek je omhoog en dan waren daar die fijn uitgehakte dieren en demonen koppen en dikke stukken oeroud steen. Terug bij mij guest house terwijl ik de trap beklom zag ik uit het gat in de muur dat als raam diende de oude vervuilde thirthank, het heilige bad voor de deur dat nu totaal omheint was door een roofbou van hutjes en winkeltjes die alles uiteraard in het water dumpten. Nu niet zo heilig meer, enkel nog een paradijs voor muggen die zich op het zwarte water lieten drijven tot hun tijd van voerangeren gekomen was. In een dag van bussen en treinen en een heleboel stof geraakte ik in het dorp genaamd Chidambaram naar de gelijknamige tempel aldaar. Ik was speciaal naar hier gekomen omdat ik gehoord had dat dit een plek is waar de Nataraj vorm van Shiva centraal staat. Hier word hij gezien als de gene die met het stampen van zijn voeten met het dansen het universum in beweging heeft gezet en houd. Deze vrolijkerd trekt mij wel aan en dus bezocht ik zijn 'hometown'. Het tempelcomplex is gigantish, nog veel groter dan in Madurai en bevat meerdere grote tempels en een groot bad en pleinen en deed mij wel een beetje denken aan Karnak in Egypte. De oude zuilen galerijen hier nog in gebruik, de daken niet vervallen en de beelden niet vekocht aan musea maar vereerd met kaarsjes en gebeden. Het is zo spacend van India, de levende oude cultuur in beweging. Maar ook in afbraak. Zo zijn er nu nog maar weinigen van de jeugd die echt iets van een spirituele opvoeding krijgen die in oude tijden een standaard deel was van het leven en de hele maatschappelijke structuur in stand hield. Een leven van de eerste twaalf jaar als kind spelen en ontdekken, dan twaalf jaar spirituele en practiesche opvoeding en les van een guru. Dan vierentwintig jaar gevangen in het familie leven van zorgen en materialiteit, dan weer twaalf jaar alleen, maar nu rondzwervend als heilig bedelaar, en dan, wat er nog van je leven over is, weer samen met je levensgezel, maar nu niet in een familie situatie maar enkel als elkaars wederhelften. Zo was het, en dat werkte duizenden jaren lang. Bij het avond Puja in de tempel werden de twee kerkklokken geluid die daar midden in de hal stonden en een rek met vele kleine belletjes er op werd ook met vol entausiasme heen en weer geslingerd. Meerdere grote kandelaars met vele pitjes werden voor de onzichtbare Nataraj gewoven (hij was zo dik onder bloemkransen bedekt dat je enkel nog een gouden neus zag als je goed keek) sommige zo groot dat ik werkelijk dacht dat ze de hele boel in de hens gingen zetten, maar het ging allemaal goed en op het einde kreeg iedereen wat heilige as toebedeeld dat op het voorhoofd werd gesmeert. Dwalend ook nog de volgende dag en me vergapend aan de ongeloofelijk versierde richeltjes en randjes in zo'n mooie harmonieuze stijl die wel met de natuur lijkt te willen blenden maar toch ook heel karakteristiek menselijk is. Het was er soms stil en dan weer vol bedevaart gangers, er waren vele baba's en in het wit geklede pundits en swami's en overal waren weer kleine hoekjes met een lampje of een plaatje of een beetje rode veeg. In een andere zijtempel was alles bedekt met de mooiste kleurge figuren, zowel in oude natuur kleuren als in gloeiende dayglow. Grote mandalas op de oude gladgelopen stenen gekalkt en pilaren bedekt met verf van de eeuwen. Wat een wonderlijke plek, zeker toen de Swami mij vroeg op mijn fluit te spelen en de zachte tonen van de hyme of the Fayeth tussen de oeroude muren van de tempel weerklonken. Ik was zo ontroerd en stil dat ik niet wist wat nu nog te doen. En ging dus maar zitten voor een stenen uitvoering van de Sri Yantra en speede wat mijn hart me ingaf. Omhoog langs de kust richting Pondychery, de oude franse colonie waar alle straten ineens in het frans genaamd waren. Hier deed ik niet moeilijk en nam maar gewoon een kamer direct naast het busstation om de volgende dag Auroville te bezoeken. Deze droomstad gebaseerd op de ideeen van Sri Aurobindo en The Mother was eens een expiriment op een dor plateau, maar is in de afgelopen dertig jaar verworden tot een groen paradijsje vol vruchtbomen, vogels en zongebruinde types die in zo groot mogelijke harmonie proberen te leven, alles centrerend om een Banjan boom en een grote gouden bol. De boom stond er eerst, de bol is het spirituele centrum van de stad in wording. Ik liep de gehele dag rond onder de bomen schaduw en bekeek hun zonne keuken die met behulp van een grote zonneschotel stoom produceert om voor duizend man te kunnen koken. Ook genoot ik van hun Auro water dat gestraald en gezuiverd is en leeft en erg gezond behoort te zijn. Bij terugkomst in Pondy had ik de meest ongeloofelijke ontmoeting met een fietsrickshaw rijder die mij, omdat ik er nogal armoedig uit zag, zijn zuurverdiende geld wou geven. Ik kon dat niet accepteren maar na lang aandringen dronken we samen een mangosapje op zijn kosten en gingen toen ons eigens weg. Wat een wonder, een engel van een man, wat een schat, moge hij voor eeuwig gezegend zijn. In de late ochtend arriveerde ik voor de tweede keer in Thiruvannamalai en was wederom thuis, voor twee dagen. Weer de brilliande dosa van de dosa kar op het plein. De tempel in voor die ene plek waar een afbeelding hing van Yogacharya, een prestorische verlichte monnik en wijsgeer, maar ontdekte dat er nu een grote plasic spandoek van een of andere andere god voor het altaaar hing, duidelijk gesponsert door de bank voor Jong India. Jawel, zo dringt het commerciele wezen dus de tempel binnen. Het stormde die avond maar de volgende dag was het weer helder en liep ik de 15 kilometer om de heilige berg Arunachala waar nu honderden lui standjes aan het opzetten waren voor de menigte van de avond, want, zo bleek. Omdat he volle maan was waren er vele mensen die om de berg gingen lopen. Wel een stuk of 500.000 in de twee nachten daar op. Mijn hotel was direct aan de straat waar ze langs kwamen en de gehele nacht liep er een stroom van mensen voorbij, allen op blote voeten! Een oneindige stroom was het die vrij stil liep voor indiase begrippen, wat een wonder. Weer veerliet ik echter Thiru sneller dan gewilt maar met een reden en het was ook goed zo. De heilige hoogtes van Arunachala werden steeds kleiner door de achterruit van de bus toen we ons eenmaal een weg gebaand hadden door de wandelende pilgrims en voerde mij spoedig naar Bangalore.
Bangalore, centrum van gekte en voortspoedende mensen massas, verkeer en verkoop. Het eerste wat ik deed daar gekomen was naar het treinstation gaan want, ik had vernomen dat daar iemand op mij wachtte. Na al mijn omzwervingen was, tegen alle hoop in, Wanda dan toch daar geariveerd en wachtte nu al weer onder een laag stof van veertig dagen in het hok van de pakjesdienst. Na een hoop gezeur over mijn slonzige afhaalbriefje dat in vier rafelige stukjes uit elkaar was gevallen mocht ik haar dan vrijkopen en na haar boeien te hebben afgelegd rolden we al gauw weer door de hete straten.
Het duurde echter niet lang, want al de volgende dag vertrok mijn trein terug naar het noorden en ook dit keer ging Wanda op hoop van zegen mee in de trein tenminste, dat hoopte ik dan maar. Ik sliep een laatste nacht in Bangaore in alweer een dormitorie, het lijkt er wel bij te horen, met box bedden en dikke besnorde mannen in hun witte hemden onder de 'meshmerizende' ventilators. En die nacht, toen ik aan de wandel ging voor een laatste zuid-indiaas maal, zag ik op de voetgangersbrug de maan staan. Wit en rond was zij daar, hoog aan de grauwe hemel. En zij was gekleed in een wit avondgewaad, zacht doorzichtig en met een lichte hint van regenboogschijnsel. Ik probeerde het aan de voorbijspoedende menigte te tonen, maar ze zagen het niet. Al wat zij zagen wat een vreemde buitelander op blote voeten die in de lucht ond te wijzen. Maar ik zag haar, en vond haar mooi, en daarmee weet ik, dat het goed was.