woensdag 17 juni 2009

27. Het Neusje

Lang verwacht maar niet gebeurt, hier dan episode 27. Kochi was een heerlijke tijd en ik dwaalde tussen de resten verkruimelende kolonialiteit en reuzachtige groene overschaduwende boom reuzen die alle straten lijnden. Ook was ik bij een nabij strand vol volledig geklede zwemmende indiase toeristen maar werd algauw verdreven door de overdadige hoeveelhijd regen die er plotseling uit de hemel kwam zetten, jawel, de monsoon is begonnen. Wat u hier rechts van u ziet is een ware Kerelaanse lekkernij wel bekend als een Dosa of een roast en is een knapperige pannekoek van reistemeel. Het oranje sausje heet Sambar en is een pittige currie, het witte goedje staat bekend als chutney en is een zacht koele saus op basis van geraspte kokos en peperkorrels. De lepel die hier op de foto te zien is is puur voor decoratie, die word nimmer gebruikt, enkel de rechterhand is als eetgerei toegestaan. Dit was vrijwel dagelijkse kost zolang ik in het zuiden van india verbleef.
Goed, van Kochi nam ik de boemel trein naar Kottayam om nog die zelfde middag van ergens achter een politie uitpost in een haven een boot te scoren richting Alappuzha. Er was een lichte miezer die hier enkel als verfrissend werkt. Het gehele wateroppervlak was bedekt met een dikke laag reuze waterhyacinten in paarse bloei waarover een menigte van kleine wit-beige reigertjes heen en weer wandelden op zoek naar een verscholen hapje. De boot starte de motor die open en bloot in het midden van het vaartuig gemonterd was, een soort oer rondvaartboot van hout en begon zich een weg te ploegen door het groene vloeibare landschap. We voeren door de binnenwateren van Kerala, door de ondiepe kanalen die soms bijna overstroomde als wij er door kwamen, aan beide kanten slechte geflankeert door dunne meterhoge dijkjes waarachter zich eindeloze uitgestrekte reistvelden uitstrekten, nu ondergelopen door de regen, waarin waterbuffels zich ernstig thuis voelden met buffelpikkers op hun rug en al, soms enkel hun gebogen hurens en zwarte kopen boven het oppervlak uitstekend. We voeren en meerden soms even aan bei een eilandje in deze water landen waarop een of twee huizen stonden, nu afgesneden van de rest van de wereld, de plekken waar wij onze passagiers ophaalde, op weg naar de markt, of de buren. Toen verschenen er ineens een heleboel grote deluxe vila boten met rijke opvaarders die op hun veranda met tv en air-co aan van de natuur aan het genieten waren en waarachter locale vissers in hun kano's meeliften opweg naar huis. Een wijd meer en dan waren we in Aleppy, in het midden van de groente. Vrijwel meteen werd ik opgepikt door een man met brommer die mij naar zijn huis mee nam en mij daar een kamer gaf me vreemde barok/romance achtige plaatjes van halfnaakte bosfeeen op schommels. Ik vond het alang best en knoopte mijn klamboe op en genoot van de geluiden van de jungle om mij heen die door de open ramen naar binne kwam stromen. Ik vond een boek genaamd 'Three cups of tea', en sloeg het open waarbij er enkele pagina's uitvielen en een hoop zand op mijn buik landde, dit boek had duidelijk al een verhaal te vertellen opzich. In de morgen liep ik maar eens richting het strand en vond een stralend witte katholieke kerk nabij de branding in Portugese stijl die herinnerde aan de dagen dat de Europeanen hier vochten met de locale regeerders en hun driemasters voor anker legden voor deze kusten op zoek naar de rijkdommen van de binnenlanden. Een bijna lege loods waar de mensen van 2009 op blote voeten achter archaiesche maschines zaten en op trapkracht katoen spinden tien rollen tegelijk. Wel handig als de trroom het meer dan de helft van de tijd laat afweten, dat wel, maar wat een leven. Over het echte strand liep ik waar vissers hun netten repareerden en de grote oceaangolven op het zand beukten. Waar een stenen dijk deed herinneren aan de tsunami die hier heeft toegeslagen. Dit was ook erg merkbaar toen ik nog wat zuidelijker in Amma's ashram was, waar alle omwonenden er zo de pest in leken te hebben. Ze hadden al zo wijnig, en ook dat werd hun ontnomen. Waarom gaan ze dan ook direct aan het strand wonen vroeg ik mij af? Maar ze hebben nergens anders om heen te gaan, geen land, geen fortuin, zelfs geen hoop. Ze voelen dat ze zijn overgeleverd aan hulp van buitenaf, die, nadat de mediahype over was, even snel terug trad als het ziugende water van de reuzen golf. Ik voelde me heerlijk in de ashram, steeds, ik voel me er zo op m'n gemak en in de vibe, zo rustig en waarachtig. Ik leerde er bio-dynamische compost maken met een zon-gebruinde Californier en we mixten koeievlaai en GFT en hooi en bladeren en takken maakte er een heerlijke ultra biologische taart van vol dikke hongerige microben en bacterien en schimmels en meer van dat soort types van wel een meter hoog. Amma was er niet maar zoals een van de baba's zei 'het maakt niet uit, ook zij is tijdelijk, de ashram is waar het om gaat'. Een soort spirituele composthoop is het, een plek van transformatie. Ik was daar enkele dagen en trok toen verder naar het zuiden en spenderde en vreemde nacht aan het strand van Varkala in een Bamboe hut die evenzo rook op een hoge klif en deed mijn yoga op het muffige bed. Dan verder naar Thiruvananthapuram, de hoofdstad van Kerala en een chaos op zich. Maar het had toch wel wat, onder andere een treinstation waar ik de volgende morgen de trein nam naar het neusje van india, Kanyakumari. We reden langs schoone ronde half begroeide graniet bergen grijs en bruin en daar voor, reistvelden met daarin de uitzaai vakjes waarin de ongeloofelijk groene sprietjes van de nieuwe reist in golven wuifden in de wind gecreerd door de drukgolf van onze locomotief. Het neusje, het heerlijke eindeloze eindje. Kaap Comorin en de drie zeeen die samenvloeien daar. In het miden van dit al staan enkele rotsen in de woeste branding waarop een beeld van meester Thiruvannalar en een rode tempel van heer Vivekananda staan met prachtig in zwart graniet uitgebeitelde figuren bestreken met wit poeder. Ik liep over het strand, het spectaculaire strand van geel, rood, grijs, wit, bruin en zilveren zand dat glitterde en in vlammen en figuren door de golven werd uitgespreid. Ik ontmoette een jonge Babba op straat met een vrolijk gekleurde fiets die bij de naam Pagal Baba ging en mij meenam naar een overhangende richel aan zee waar enkele beelden en lingas over de horizon uitkeken. We hadden een prettige converzatie en ik voelde me erg aangenaam in zijn aanwezigheid ookal had hij nog een hoop wild vuur in zich. Toen was er weer de trein die op mij wachtte en ik speelde op mijn 20 ruppee fluit bij het open raam waarachter de zon verdween achter de bergen, nu van de andere kand gezien, en we net voor het donker door een eindeloos veld windmolens reden, zeker tienduizend van velerlei soorten die de wind vingen die tussen de bergen door kwam. Zo kwam ik aan in Madurai en vond een kamer in een hotel dat ook als aleenstaande mannen huis diende zodat het er altijd gezellig vol was. De tempel van Madurai is groot en kleurig en heeft vele torens volgestapeld met beelden van mannen en vrouwen met dierenkoppen al dan niet naakt, gespiest of in een of andere vreemde houding, demonen en bloemen en hun bijbehorende rijdieren, slangen en wapens. Daar loop je dan onderdoor en kom je in de gekte van al de mendsen die hun eer moeten betonen aan elk beeldje, want je zou toch niet willen dat je een van die vurig ogende tiepes ontevreden stelt. Ook de olifant was present die mensen over het hoofd aaide voor een muntje als zegening en het blonk van het brons en goud. Maar ergens achter, weg van al deze overdaad en drukte, stond een enkele lingam in een hoekje waarbij een vrouw trouw puja aan het doen was. De rook van de brandende stokjes kringelde omhoog en lichte op in een enkele streep blauw zonlicht die van boven kwam om op de stenen vloer uiteen te spatten in een bron van celestijnse hemeligheid. Bergen oude bloemen en offeringen lagen ergens in een hoek geveegd te verotten. Ze goot melk en water over de stenen elips en waste hem zo zorgvuldig. Zo bijzonder vond ik het, voor haar is er absoluut geen twijfel. Dit is geen steen, dit is een levende god, en dient zo behandeld te worden. Het boterlampje brande in stilte, een man zat in lotus op de grond. Dit is india, zo oneindig, voortdurend.
Vrolijk op mijn fluit spelend liep ik door de drukte van de stad en kwam daarbij door een markt die in een reuzachtige tempel opgezet was met intens versierde pilaren waarvan er sommige gewoon hele beelden bevatten die dan ook weer aanbeden werden en vol gesmeerd waren met rood en geel poeder en waar wierook voor brande. Het was zo een bizarre combinatie daar, die hyste van plastic en verkoop drang, een heel stuk waar de naaimaschines door ratelde, en dan keek je omhoog en dan waren daar die fijn uitgehakte dieren en demonen koppen en dikke stukken oeroud steen. Terug bij mij guest house terwijl ik de trap beklom zag ik uit het gat in de muur dat als raam diende de oude vervuilde thirthank, het heilige bad voor de deur dat nu totaal omheint was door een roofbou van hutjes en winkeltjes die alles uiteraard in het water dumpten. Nu niet zo heilig meer, enkel nog een paradijs voor muggen die zich op het zwarte water lieten drijven tot hun tijd van voerangeren gekomen was. In een dag van bussen en treinen en een heleboel stof geraakte ik in het dorp genaamd Chidambaram naar de gelijknamige tempel aldaar. Ik was speciaal naar hier gekomen omdat ik gehoord had dat dit een plek is waar de Nataraj vorm van Shiva centraal staat. Hier word hij gezien als de gene die met het stampen van zijn voeten met het dansen het universum in beweging heeft gezet en houd. Deze vrolijkerd trekt mij wel aan en dus bezocht ik zijn 'hometown'. Het tempelcomplex is gigantish, nog veel groter dan in Madurai en bevat meerdere grote tempels en een groot bad en pleinen en deed mij wel een beetje denken aan Karnak in Egypte. De oude zuilen galerijen hier nog in gebruik, de daken niet vervallen en de beelden niet vekocht aan musea maar vereerd met kaarsjes en gebeden. Het is zo spacend van India, de levende oude cultuur in beweging. Maar ook in afbraak. Zo zijn er nu nog maar weinigen van de jeugd die echt iets van een spirituele opvoeding krijgen die in oude tijden een standaard deel was van het leven en de hele maatschappelijke structuur in stand hield. Een leven van de eerste twaalf jaar als kind spelen en ontdekken, dan twaalf jaar spirituele en practiesche opvoeding en les van een guru. Dan vierentwintig jaar gevangen in het familie leven van zorgen en materialiteit, dan weer twaalf jaar alleen, maar nu rondzwervend als heilig bedelaar, en dan, wat er nog van je leven over is, weer samen met je levensgezel, maar nu niet in een familie situatie maar enkel als elkaars wederhelften. Zo was het, en dat werkte duizenden jaren lang. Bij het avond Puja in de tempel werden de twee kerkklokken geluid die daar midden in de hal stonden en een rek met vele kleine belletjes er op werd ook met vol entausiasme heen en weer geslingerd. Meerdere grote kandelaars met vele pitjes werden voor de onzichtbare Nataraj gewoven (hij was zo dik onder bloemkransen bedekt dat je enkel nog een gouden neus zag als je goed keek) sommige zo groot dat ik werkelijk dacht dat ze de hele boel in de hens gingen zetten, maar het ging allemaal goed en op het einde kreeg iedereen wat heilige as toebedeeld dat op het voorhoofd werd gesmeert. Dwalend ook nog de volgende dag en me vergapend aan de ongeloofelijk versierde richeltjes en randjes in zo'n mooie harmonieuze stijl die wel met de natuur lijkt te willen blenden maar toch ook heel karakteristiek menselijk is. Het was er soms stil en dan weer vol bedevaart gangers, er waren vele baba's en in het wit geklede pundits en swami's en overal waren weer kleine hoekjes met een lampje of een plaatje of een beetje rode veeg. In een andere zijtempel was alles bedekt met de mooiste kleurge figuren, zowel in oude natuur kleuren als in gloeiende dayglow. Grote mandalas op de oude gladgelopen stenen gekalkt en pilaren bedekt met verf van de eeuwen. Wat een wonderlijke plek, zeker toen de Swami mij vroeg op mijn fluit te spelen en de zachte tonen van de hyme of the Fayeth tussen de oeroude muren van de tempel weerklonken. Ik was zo ontroerd en stil dat ik niet wist wat nu nog te doen. En ging dus maar zitten voor een stenen uitvoering van de Sri Yantra en speede wat mijn hart me ingaf. Omhoog langs de kust richting Pondychery, de oude franse colonie waar alle straten ineens in het frans genaamd waren. Hier deed ik niet moeilijk en nam maar gewoon een kamer direct naast het busstation om de volgende dag Auroville te bezoeken. Deze droomstad gebaseerd op de ideeen van Sri Aurobindo en The Mother was eens een expiriment op een dor plateau, maar is in de afgelopen dertig jaar verworden tot een groen paradijsje vol vruchtbomen, vogels en zongebruinde types die in zo groot mogelijke harmonie proberen te leven, alles centrerend om een Banjan boom en een grote gouden bol. De boom stond er eerst, de bol is het spirituele centrum van de stad in wording. Ik liep de gehele dag rond onder de bomen schaduw en bekeek hun zonne keuken die met behulp van een grote zonneschotel stoom produceert om voor duizend man te kunnen koken. Ook genoot ik van hun Auro water dat gestraald en gezuiverd is en leeft en erg gezond behoort te zijn. Bij terugkomst in Pondy had ik de meest ongeloofelijke ontmoeting met een fietsrickshaw rijder die mij, omdat ik er nogal armoedig uit zag, zijn zuurverdiende geld wou geven. Ik kon dat niet accepteren maar na lang aandringen dronken we samen een mangosapje op zijn kosten en gingen toen ons eigens weg. Wat een wonder, een engel van een man, wat een schat, moge hij voor eeuwig gezegend zijn. In de late ochtend arriveerde ik voor de tweede keer in Thiruvannamalai en was wederom thuis, voor twee dagen. Weer de brilliande dosa van de dosa kar op het plein. De tempel in voor die ene plek waar een afbeelding hing van Yogacharya, een prestorische verlichte monnik en wijsgeer, maar ontdekte dat er nu een grote plasic spandoek van een of andere andere god voor het altaaar hing, duidelijk gesponsert door de bank voor Jong India. Jawel, zo dringt het commerciele wezen dus de tempel binnen. Het stormde die avond maar de volgende dag was het weer helder en liep ik de 15 kilometer om de heilige berg Arunachala waar nu honderden lui standjes aan het opzetten waren voor de menigte van de avond, want, zo bleek. Omdat he volle maan was waren er vele mensen die om de berg gingen lopen. Wel een stuk of 500.000 in de twee nachten daar op. Mijn hotel was direct aan de straat waar ze langs kwamen en de gehele nacht liep er een stroom van mensen voorbij, allen op blote voeten! Een oneindige stroom was het die vrij stil liep voor indiase begrippen, wat een wonder. Weer veerliet ik echter Thiru sneller dan gewilt maar met een reden en het was ook goed zo. De heilige hoogtes van Arunachala werden steeds kleiner door de achterruit van de bus toen we ons eenmaal een weg gebaand hadden door de wandelende pilgrims en voerde mij spoedig naar Bangalore.
Bangalore, centrum van gekte en voortspoedende mensen massas, verkeer en verkoop. Het eerste wat ik deed daar gekomen was naar het treinstation gaan want, ik had vernomen dat daar iemand op mij wachtte. Na al mijn omzwervingen was, tegen alle hoop in, Wanda dan toch daar geariveerd en wachtte nu al weer onder een laag stof van veertig dagen in het hok van de pakjesdienst. Na een hoop gezeur over mijn slonzige afhaalbriefje dat in vier rafelige stukjes uit elkaar was gevallen mocht ik haar dan vrijkopen en na haar boeien te hebben afgelegd rolden we al gauw weer door de hete straten.
Het duurde echter niet lang, want al de volgende dag vertrok mijn trein terug naar het noorden en ook dit keer ging Wanda op hoop van zegen mee in de trein tenminste, dat hoopte ik dan maar. Ik sliep een laatste nacht in Bangaore in alweer een dormitorie, het lijkt er wel bij te horen, met box bedden en dikke besnorde mannen in hun witte hemden onder de 'meshmerizende' ventilators. En die nacht, toen ik aan de wandel ging voor een laatste zuid-indiaas maal, zag ik op de voetgangersbrug de maan staan. Wit en rond was zij daar, hoog aan de grauwe hemel. En zij was gekleed in een wit avondgewaad, zacht doorzichtig en met een lichte hint van regenboogschijnsel. Ik probeerde het aan de voorbijspoedende menigte te tonen, maar ze zagen het niet. Al wat zij zagen wat een vreemde buitelander op blote voeten die in de lucht ond te wijzen. Maar ik zag haar, en vond haar mooi, en daarmee weet ik, dat het goed was.