maandag 5 januari 2009

21. Samen op reis

En zo kwam het dat na vijf heerlijke luie dagen in Cairo ik op de avond van de vijfde opweg ging naar het vliegveld om mijn moeder op te halen die daar rond negen uur zou arriveren. Nou was ik al om half zes de deur uit gegaan omdat iets in mij zij dat dat het goedde was om te doen. Mijn hoofd sputterde nog wat tegen van; ga toch nog even naar het cybercafe ofzo maar ik liet mij niet vermurmen en, zo bleek, maar goed ook. Het is namenlijk zo dat in geheel Cairo tussen vijf en negen het verkeer totaal vast zit terwijl 22 miljoen mensen opweg zijn naar huis of waar dan ook heen. Hoe dan ook, ik kwam er net op tijd en zo zag ik na een tijdje een roodachtich tiep verschijnen achter de glazen wand waarvoor vele opgewonden luitjes zich verdrongen in een woellige zee van achterhoofden. Zij zag mij niet en zo was het dat ik haar onverwachts op kon wachten om haar in mijn armen te sluiten na een halfjaar van aleenigheid. Er was een langdurig moment van synergie en gelukzaligheid die nog voortduurde lang nadat we samen in Giza waren aangekomen in mijn kamer in het Sinai House hotel. Nog maar net bekomen van aanvankelijke opwinding kwam er een wonderlijke stroom van kadootjes uit de grote boodschappen tas die daar op het kleed stond, en lag al gauw de hele kamer bezaaid met heerlijke en leuke luxerijen die ik al een tijd niet meer gekend had zoals bijvoorbeeld: Zeewier, een chocolade letter, werkende blauwe balpoints, geitenkaas, warme kleren en nog veel meer. Het was dus en waar herenigings feest en zo droomden we die nacht weg in de droom van een gezellig Egypte. Nou ja, niet zo best eigenlijk want door het lawaai buiten sliep Aniet niet zo goed en zo zetten we de volgende dag de trend voor de rest van de vakantie om steeds te verhuizen de dag nadat we waren aangekomen die we pas verbraken toen we weer terug kwamen in de hoofdstad. Jaa want na een middag de oude stad te hebben verkent vol met kruidigge winkeltjes en fijn gekleurde moskeen met hoge minaretten namen we toen vroeg in de morgen de trein derde klas naar Asoewan in het zuiden. We gleden heerlijk door het landschap zoals dat wel vaker is als je in de trein zit in een onbekend land en buiten waren de groene velden vol ezelkarren en mensen die schoven gras opbonden. Exotische bossen met vrolijke vogels en soms de Nijl waarlangs veel sappig riet groeide. We kwamen laat aan in Asoewan en aten die avond nog falafel op bed en maakten onze eigen salie anex griekse bergthee thee die we meer dan tien jaar geleden ook op kreta hadden geplukt en hier weer hadden hervonden in de stegen van Khan el Khalilli. Het ochtendlicht gekomen verkenden we het eiland dat voor Asoewan in de Nijl rust en waar het heerlijk rustig was vergeleken met de chaotische straten van de stad. We zagen onze eerste heroglyfen in de ruines van de tempel van de god met de rammen kop, Khnum en genoten toen van een kopje egyptische thee bij de locale groenteboer onder de schaduw van een reusachtige overhangende boom. Wat een genot om hier zo met mijn goeie moedertje te zitten, sippend en luisterend hoe zij haar zachte wijze woorden uit. We wandelden door de sappige tuinen vol sla en ander lekker groens en werden toen over gezet naar de verre oever in een klein roeibootje voor een wandeling door de woestijn naar een, zo bleek later, dicht klooster van de oude Kopten. Het deerde ons niet, het geheel was zeer aangenaam en zo verstreek de dag genoegelijk. Te vroeg gingen we toen de caoster in (klein busje met veel ramen) dat ons door het duister richting Abu Simbel reed. Langzaam verscheen het licht en toen de rode bol van de zon boven de uitgestreken leegtes van stof. Ja we waren in de echte woestijn, geen plantje, geen verpenterd korstmosje te bekennen, echte woestijn en dan af en toe een groene orgie waar een oase zich aandiende langs de weg, wat een bizar gebeuren. Wat ook bizar was was dat ookal reden we voor onze 'veiligheid' in een colone van een bus of dertig en we zeker niet als eerste de poort door waren, we toch bijna alleen de ingewanden van de grote Ramses tempel konden bewonderen, wat zeer plezant was. Dit bouwerk is veertig jaar geleden in z'n geheel verhuisd toen het water van de Asoewan dam haar bedreigde, maar dat doet niet af aan haar inpozantie. Het origineel was geheel uit de rots gehakt en de kamers zijn daarom nu athmospherish verlicht waardoor er een grote sfeer hangt daarbinnen. Dit was mijn eerste echte tempel (Khnum is wijnig meer dan een hoop puin) en ik was zodoende betoverd door de schoonheid en elegantie van de fijn uitgehakte tafrelen en de grote harmonie van het geheel, afgezien van de plaatjes van Ramses II die zo vaak ie de kans krijgt zichzelf laat afbeelden terwijl hij een bos vijanden bij het haar bijeen houd en met de andere hand op het punt staat hen te decapiteren. We keken onze ogen uit aan de grote stenen reuzen van zo lang gelee en reden toen in een gekkenvaard terug naar de stad met nog een vluchtige stop voor het tempel eiland van Phileae waar meer megalitische bouwsels ons wachten met grote muren en dikke pilaren. Ik voelde me het fijnst in iets dat ze 'de Kiosk' noemden dat een groot open ding was ommuurd met prachtige zuilen met bloemenkroonen die allen verschilden en een natuurlijke delicatesse uitstraalden die mij onmogenlijk cultureel bepaalbaar leek. Nog die avond boekten we een dolle falucca tocht over de Nijl die in de late morgen zijn aanvang nam, samen met Kapitein Lulu en zijn maat in de Nubian Breath.
Een falucca zoals dat op de Nijl word opgevat is een kleine rondachtige zeilbood met 1 mast met een zeer groot zeil om zo goed mogenlijk gebruik te maken van de soms zwakke woestijnwind. Wij hadden de eerste dag echter helemaal geen wind problemen en schoten dus rap al kruisend over de baren, soms zo scheef dat het blauwe water bijna over de rand kwam zetten. Maar alles ging goed en later ging de wind wat liggen en kregen we een heerlijk luxe lunch geserveerd van falafel en salade, broodjes en... Panda kaas! Wat een ontdekking, feta uit een pak, en werkelijk verukkelijk. Zo zeilden we over de Nijl met haar gouden oevers waar zwart witte koeien graasden en leuke toefachtige palmen groeiden voor de verblijding van ons ieders oog en het geheel was tot ons groot genoegen een waar oerachtig tafreeltje. We sliepen op het zachte zitplatform dat het grooste deel van het dek in beslag nam met de warme bloemendekens die de bemanning ons gegeven had. we verloren ons in de heldere sterren die ons herinnerden aan de tijden van weleer, toen de faraos deze waterwegen bevoeren en Osiris heerser was over al deze landen. Toen we ontwaakten was er niet het minste beetje wind en dus lieten we ons met de stroming meedrijven wat echt een van de meest relaxende dingen was die ik ooit het meegemaakt. Het was perfect tranquiel, rust inbrengend genot van de hoogste classe, en wij voelden ons dan ook als de goden op een wolk. Later ontwaakte Jan de wind blijkbaar toch en dus zeilden we weer verder de Nijl af, voor onze laatste nacht alweer. Op een zandstrandje meerden we aan en ookal was het er verre van schoon, het weerhield ons er niet van die avond een vuur te ontsteken samen met alle andere aanwezige falucca tocht vaarders en er waren mensen met trommels en handgeklap en ik fabriceerde een oer xylofoon van wat opperbeste brandhoutjes en er werd gezongen dat het een lieve lust was. Nog voor het ochtendgloren staken de bemanning die morgen van wal terwijl wij nog lagen te dommelen en arriveerden zo bij ons laatste aanlegpunt. Het had van ons mischien nog langer mogen duren maar het was nu zo en voor we onze weg voortzetten over het harde stof bewonderden ik samen met Aniet de jonge bananen planten aldaar en de tere dieprode blaadjes van de jonge mango boom. Zo stoven wij nu verder in een Laotiaanse stijl songthaew wat een pichuptruck is met opbouw met een open achterkant zodat het opgewaaide stof heerlijk de kans krijgt over je neer te dwarrelen. De eerste stop was bij een tempel die wij aan ons voorbij lieten gaan vanwege de vrees voor de alom beruchte tempelofytis oftewel tempel verzadiging maar de tweede lieten we ons niet ontnemen. Dit was de Tempel van Horus, de valk god waarvan alle levende faraos een incarnatie waren, stierven ze, dan gingen ze naar het hiernamaals en werden ze Osiris en een ster aan de nachtelijke hemel. Hij stond dan ook superhumaan afgebeeld op de voorpui of de eerste pylon wat een groot soort muur is die lichtelijk helt met een poort in het midden, vaak erg hoog, zeg een metertje of vijftien. Binnen aanschouwden wij vele ons onbekende herogliefen omdat dit een tempel is uit de late tijd toen ze er al meer ontwikkeld hadden. Ook we zagen ook fijn uitgehakte schepen met zeer realistische zeilen en een Horus die een klein neilpaardje aan het speren is wat voor de mensen van toen de zelfde betekenis had als het tafreel van St. Michael en de draak wat voor de oude Egyptische Kopten het meest belanrijke is. Zo kwamen we in Luxor wat in oude tijden de hoodstad was van het laat faraonisch rijk en nu de Egyptiesche hoofdstad van het toerisme. Het stikt er dan ook van de toeringcars, zwermen wegklikkende toeristen, te luxe hotels en zwart met zilver beslagen open rijtuigen die wel uit 1850 lijken te stammen en eigenlijk prachtig zijn en zeer authetiek, afgezien van de vele kleurige reflectors en paarden met namen als Rambo en Charlie Brown. We sliepen die nacht in een hotel met echt een overdosis aan Bob Marley vlaggen en een te chill zitplatform maar werden er in de morgen uit gejaagd omdat ik er van beticht werd een Japanner te proberen te behoeden van de afzetterige practijken van de hotel staf. Fine, aleen maar ten goede zo bleek later want zo kwamen we te wonen in het kleine Grant hotel met zeer aardige staf en een prachtig uitzicht vanaf het dakterras over een zee van schotelantennes en onafgebouwde daken vol antieke kapotte fautuils, stenen kruiken, duiventillen en stapels stoffige bakstenen. We genoten zeer van de oud italiaanse sfeer die er hing tussen de vergeelde muren van onze kamer en voelden ons er direct thuis. Luxor heeft eigenlijk te veel te zien en nog steeds met het gevaar van tempelofytis in ons achterhoofd kozen we een bescheiden selectie van bezienswaardigheden en vertrokken zo na een simpel ontbeit op de fiets naar de necropolis van Thebes aan de overkant van de rivier. De eersten die ons groetten waren de kolossen van Memnon, zoals ze worden genoemd, waarvan er een het mysterieuze fluitende beeld was wat de Romeinen al voor een raasel zetten. Als degenlijke Hollanders trapten we stug door en zo kwamen we algauw bij het complex van Medinat Habu, wederom een bouwsel van onze grote vriend de Macabere Monarch, Ramses II. Hier stonden wij echter perplex van de helderheid en pracht van de kleuren op de zuilen en plafonds, muren en poorten. Zo'n onaangetast spectakel hadden wij nog nimmer aanschouwd. Op vele plekken zat het helder turquoois, bloedrood, zonne geel en diep blauw na drieduizend jaar nog strak op de muren, daar kan Histor nog eens een puntje aan zuigen! Er waren veel mooie rode Cobra's en afbeeldingen van Isis, de vrouw en zus van Osiris en Thot, de god van het schrift en de wijsheid. Alles hier was groot en we dwaalden dan ook voor uren rond tussen de oude stenen. Toen fietsten we naar de tepel van Hapsepsut waarbij Aniet een lekke band kreeg maar niet getreurd, daar was gelukkig een fietsenmaker (jawel!) die de band pakten terwijl wij onder een boom van een kopje sterke thee genoten bij de dikke betulbande uitbater en zijn niet slankere maar tevens zeer aardige vrouw. Hapsepsut viel ons eigenlijk wat tegen dus stoten we gauw door naar de tombes van de nobelen zoals dat heet. Het zijn een stel tombes (verassend he?) in een stofige bergwand waarvan de meeste vanwege weinig interesse in nogal slechte staat verkeren, maar drie ervan vonden wij toch wel ergmooi. De eerste was aleen een soort lange hoge gang met daarop eindeloze tafrelen van in het wit gehulde arbeiders, rechts vrouwen, links mannen die honderd en een werkzaamheden uitbeelden van drieduizend jaar terug. Er waren bronsgieters, en lieden die meubels maakten, broodbakkers en schaapherders, vrouwen met eye-liner potjes en mattenvlechters, het was echt brilliant. Dit waren de 408 mensen die de overledenen meekreeg naar het hiernamaals zodat hij zelf niet hoefde te werken. Toen was en een diep gat in de grond met een trap waar onder we in en crypte prachtige kleurijke afbeeldingen zagen van vriendelijke 'middenstanders' die dus duidenlijk er anders uitzagen dan de koningen en plus het feit dat al de goden ontbraken. Dit deed echter niet af aan de fijngevoeligheid waarmee het geheel geschilderd was en het hele plafond was versierd met leuke paarse druiventrosjes en trippende geometrische figuren zo fris alsof ze slechts vorige week aangebracht waren. Als laatste was en een grote tempel half in de grond voor een generaal van, raad het eens, jawel, Ramses de macabere waar alle kleur ontbrak maar de tafrelen slechts uitgebijteld waren in wit steen en slechts geaccentueerd met zwarte lijntjes rond de rustige ogen. Lange processies waren er die de grafgiften droegen en lieden met ongelofenlijk prachtig fijn haar in vele laagjes en allen verschillend. Toen was het genoeg en was het ook laat en fietsten we dus terug naar huis, naar ons veilige bed in het petit Grand. Nu hadden we nog een plek te bezoeken, maar dan ook wel de grootste van allemaal, het kollosale Karnak. Alles is daar Megalomaan groot, mega pylonen, een stuk of 11, reusachtige poorten, een hele boel, mega scarabee van twee ton, giga zuilen, iets van 134, twee tot drie meter dik, 17 meter hoog. Joekels van obelisken, een hele zooi, tot 29 meter hoog, iets van 1100 ton rood graniet uit een stuk. Je snapt het al, er komt geen eind an. Daarom hou ik het bescheiden en vertel aleen dat Aniet en ik een tijd fijn in rust ver weg van de drommen hebben gezeten op een verlaten stuk vol vergeten stukken tempel en geitenkeutels in de warme ochtendzon. Het was altezamen een indrukwekkende ervaring en toen we ons verzadigings punt bereikt hadden liepen we naar de uitgang. Maar voordat we daar waren stond ik oog in ook met een reusachtig altaar dat midden in de eerste grote arena stond. Een massief blok albast zo'n twee bij twee en een meter hoog, vergeven van prachtigge kristallen in lagen erdoorheen geweven in witte sporen van heerlijkheid. Ik werd er als een magneet door aangetrokken en het maakte me zo blij het aan te raken, vreugde stroomde in mij en ik liep er drie keer vervuld omheen alvorens mij los te rukken en naar de uitgang te lopen alwaer mijn moeder lief op mij wachte. Nu hadden we genoeg gehad van alle herogliefen en scarabeen, uilen en stenen en dus maakten wij ons uit de voeten door middel van een gedeelde taxi die ons nu de wilde natuur van de woestijn deed ontmoeten. Binnen vijf minuten uit de stad hadden we het groen achter ons gelaten en waren we wederom in de droogte. Plat, kaal en uitgestrekt beschrijft wel ongeveer het landschap, alswel verdovend mooi, stil en mysterieus. Die avond geraakten we in een oase genaamd Dakhla, mmm, was ik niet eerder in een Dakhla, maar dan aan de andere kant van deze woestijn? Ja daar was het, in de westelijke Sahara dat ik voor het eerst kennis maakte met het schrale leven op de rand van de twee zeeen, de blauwe, en de gele. Ons doel was de oase van Farafra en die bereikten we dan ook in de namiddag, na lang langs een bijna onechte bruin-rode klif te hebben gereden die behalve de eeuwige zon ons enige houvast was van afstand en richting. El Farafra was vijf jaar geleden niet meer dan een verzameling adobe hutjes maar sinds de regering heeft bedacht dat ook dit stuk van het land mee moet varen in de vaart der volkeren is er in rap tempo beton gegoten en lijkt het nu dus betreurenswaardig veel op elk willekeurig ander dorp behalve dan dat het word omringd door niets dan regenloze woestenij. Enfin we vonden een slaapplek in een grappige stenen bedoeine bunker of huis zonder raam die ijzig koud was maar bij gebrek aan beter lieten we het erbij en namen nog die avond een bad in een warme bron buiten het dorp, yess. De volgende dag namen we een belachenlijk dure toer naar de witte woestijn, die hier erg beroemd is en erg mooi. Ik weet niet of mooi echt de juiste term is maar het is iig. erg bizar, speciaal en iets wat je niet elke dag ziet en toch ook wel bijzonder. Het is een kalk woestijn vol vreemde door de wind of water uitgeslepen torens, heuveltjes en reuze paddestoel achtige figuren en de grond licht op plaatsen bezaaid met zwarte versteende zeelelie stengels, schelpjes en speecende zwarte bollen vol pyramides die wel iets van een pyrietknol weg hebben maar dan geometrischer (aleen voor de kenners). we lieten ons in dit buitenaardse geheel afzetten en spraken af zes uur later weer te worden opgehaald. Zo liepen we ons verwonderend over de witte grond en bergen die soms net iets weg hadden van versteende golven op zee bij sterke vind maar dan spierwit. We liepen en zaten onder een eenzame palmboom, we trokken en zagen vele sporen in het witte zand, van kamelen en vogels, scarabeeen en vosjes? Uiteindelijk kwamen we bij een soort open vallei waar we een wonderlijk schouwspel aanschouwden. Op voetstukken van kalk waren grijs verglaasde schollen, die dun en ver overstaken als dunne schilden in de lucht. Aniet, muziekaal als, ze is vond uit dat je er heel leuk op kon tikken en dat ze dan een lieflijk geluid voortbrachten als een soort tonenspel. Zo speelden wij in het niets en werden de tonen weggedragen on de woeste wind. Verder gingen wij tot het hoogtepunt van een witte berg vanwaar wij de gehele uitgestorven omgeving gade sloegen in al haar stilte en schoonheid. Gelukkig vonden we ons meetingpoint weer terug en werden zo nog wat rondgereden tot de reuzenpaddestoel alwaar wij het ondergaan van de zon in duizenden kleuren gadesloegen. Op de laatste dag van het oude jaar maakten we een fijn wandeling door de 20.000 palmen van de oase waar ook rijst en andere gewassen groeiden op het rijke water van de vele bronnen. Een daarvan zouden wij die nacht bezoeken voor een warm nieuwjaarsbad onder de sterren, Orion Osiris en Sirius Isis, helder aan het hemel gewelf alswel vele anderen van onze dierbaren die fonkelden al was het het mooiste stille vuurwerk. Bij kaarslicht baaden wij in dit geschenk van moeder aarde en baaden het vuil en de moede van onze reis van ons af. Onze toer zat er op, afgezien van de laatste rit, terug naar de hoofdstad. Na wederom de witte woestijn overgestoken te zijn werd het landschap nu getekend door de zwarte puisten van vele uitgedoofde kraters van vulkanen oud, verbrokkeld en geslecht door de wind en tijd in dit barse klimaat, doch statig standhoudend tot de laatste slak en steen. Zo belanden we terug in de gekte van Cairo, het duister reeds gevallen het licht verdwenen. Maar toch, daar achter de bomen langs de straat dacht ik twee bekende vormen te ontwaren. Is het waar, kan het echt zijn dat we langs 'de drie' rijden. Ja zowaar, daar rijzen voor ons op de gestalten van Cheops en Khafre, de pyramides van de astrale koningen, de eeuwigen, dit is geen droombeeld, we zijn terug in het land van de Doeat, de hemelse poort (zie het 'Orion mysterie'). Twee laatste rustige dagen spendeerden Aniet en ik in de grote stad en zagen menig oud en interesant moskee, Coptesche kerk en synagoge die grappig genoeg toch zo veel op elkaar leken, zo mooi de versieringen, zo rustig de atmosfeer, zo harmonieus het geheel. Zo versteken onze laatste momenten tezamen in Egypte, de vreugde van het samen zijn en het plezier van het kunnen delen van onze gedachten en geneugden die wij toch zo vaak gelijk hebben. Het was een wonderschone ervaring met mijn moeder zo te reizen, te leren, te leven. Er is toch eigenlijk geen einde dus het enige wat ik deed was haar op het vliegtuig zetten in een wolk van heerlijk warm moeder-zoon gevoel en een diepe wetende intimiteit. Zo was ik weer soort van aleen, niet echt natuurlijk maar een beetje, en verhuisde terug naar het geliefde Giza naar mijn oude hotel aldaar. Sinds dien heb ik al weer heel wat beleefd, heb rondgedart en gezworven en ben gisteren naar 'De Drie' geweest. Maar dat hoort niet bij dit verhaal en zodoende vertel ik dat dus volgende keer. - Voor wat fotoos van dit geheel kunt u hier rechts op 'Fotos' klikken en dan Aniet en Egypte selecteren. Voor nu, vaarwel en Meh selehma. -