donderdag 26 juni 2008

9. Allah Akhbar

Chef Chaouen is een wondervolle stad. Bijna elke dag liep ik omhoog naar de bron, Ras el maa en haalde er het water, zo schoon en licht zoet zurig, zo mooi en eeuwig, zo een zegen van het land hoe het daar zo uit de berg komt gedenderd, zo een gift van leven aan het droge land. Hoewel, droog. Marokko walst over al mijn verwachtingen als een kudde bronstigge olifanten. Het is vol groene sappigge planten, grote groene bossen met grote bomen erin, water komt overal zomaar uit de rotsen gestroomt, het is hier waarlijk een vruchtbaar paradijs. In Chef Chaouen leefde ik mijn laatste dag als een drieentwintig jarige en de volgende dag was zodanig mijn verjaardag. Ik sliep inmiddels in hotel Ibn Batouta op het dakteras onder een lage gallerij met dikke houten balken die bochtig een puntig dak vormden. Het was daar heel fijn zo in de open lucht en er sliepen ook nog twee hele aardigge cheggen (bestaan er ook niet aardigge Cheggen is mijn vraag). De morgen van de dag stond ik naar mijn weten om zes uur op om samen met mijn twee Chaoueense vrienden te gaan lopen naar, of zo beweerden zij, de grootste boom van Africa. Door een misverstand echter misten wij elkaar en dus ging ik er alleen op uit in de richting die zij mij eerder hadden gewezen. Ik klom en klom, door een bos vol plastic afval tot ik op een rotsige stofweg kwam. Deze volgde ik omhoog een vallei in waar ik een paar dagen eerder met een locale hash boer gechilled had op de plek waar ze een geitenstal aan het bouwen waren uit slechts aarde en rotsen en zij mij hun kiff pijp aanboden, waar het prachtig groen was en de bedding van de rivier in bloei stond met helder roze oleander pracht. Ik liep verder omhoog, langs licht groene ganja velden die tegen de heuvel wanden opkropen met wel tien duizenden planten. Wat een schoon aangezicht was dat wel niet, zoveel moois bij elkaar. Ik bleef stijgen en liet twee huizen achter mij, de enige in de hele vallei en dook even daarna van de weg af het bergpad op. Langs een grote overhangende rots waar een grot was die duidenlijk al vele generaties geitenhoeders had beschut tegen het weer en de zon. Hoe meer ik steeg, hoe minder pad er was, en het kwam er op neer dat ik na een tijd wel door een prachtige kloof klauterde maar slechts in de sporen van geiten tredend wat een niet al te zekere bizniz is. De plus 45 graden helling was bebost met hele grote conifeer achtigge bomen en denne en sommigge ervan waren echt kollosaal, met dikke vervrongen armen en borsteligge twijgen. Uiteindelijk berijkte ik de pas waar een zeer welkomme frisse wind mij in het gezicht blies en ik een korte pauze hield voor een paar pruimen en kleine harde peertjes die hier zeer geliefd schijnen te zijn. Ik steeg nog een stukje tot ik mij op een piek bevond en nu neer keek in drie lange valeien waar er in een de wolken binnen kwamen stromen die ons pas laat in de nacht zouden berijken. Ik hoore een troep rotsapen jouen en zag de bergen met prachtig VSM effect. Het was midden op de dag maar hier boven was het toch koel, desalnietemin verpoosde ik daar geen lange tijd en daalde wat af naar een plek voor de siesta. Deze geklaard, onder een fiere spar dook ik de berg af aan de andere zijde dan van waar ik gekomen was, een ware jonge manne droom zo wild, maar vond mijzelf algouw in een web van labirinthijne hulstbosjes en wadis die me een lichtelijk op gesloten gevoel gaven. Hoe dan, ook ik sloeg me er een weg doorheen afgaand op het geluid van de schaapherders aan de overkant van de vallei en werd bevrijd. Toen ik eenmaal het open pad had hervonden was het verder een plezante wandeling door grassige weiden waar een frisse beek een diepe kloof had uitgesleten waar vele van deze groote bomen rustig stonden te groeien. Het laatste stuk van de tochtwas door een woeste rotsigge spelonk en van een klif af en toen verder gemakkelijk langs boeren huizen tot terug in Chaouen.


In de morgen nam ik de bus richting Maknes om er na korte tijd achter te komen dat mijn paspoort nog in de la van de receptie het hotel lag dus sprong ik uit de bus en had zo nog een bonus avong in dit mooie dorp waar ik erg van genoot. Hierna reisde ik zonder problemen naar Fez waar je door de hoge stenen poorten met puntigge kantelen moet lopen om in de oude stad te gekomen, wat ik deed. En ik verbleef daar in het huis van een jongen die ik op straat tegen gekomen was. Het huis was aan een hofje zoals gewoonlijk hier en er woonden hier slechts berbers, donkere mysterieuze gezichten met de tekenen van de woestijn en de steile hoogtes van de bergen. Ik dwaalde in de grandieuze medina van Fez die echt heel oud en groot is, wel 1200 jaar en alle straten en huizen laten het diudelijk zien, ik zag een huis uit 1367. Ze zien er krochtig en geleefd uit en elke steen en deur met gaaf houtsnijwerk straalt ancientheid uit. Het was er waarlijk mooi, ik zou zo Aladin hier over de muren kunnen zien lopen, overdekte markten, Nog veel meer ezels dan in Chaouen, vele duistere gangen en stoffige hofjes volgestapeld met rollen zeide en snuisterijen, zilverwerk en ceramiek, het is magisch.


Na een dag van bussen en de koninklijke watervallen ben ik nu in Zarou. Ik zat eigenlijk in de bus om naar het zuiden te reizen (nog heter) maar we kregen ongeveer vijf minuten na vertrek een ongeluk met een blitse zwarte Renauld waarna de toch al gebrekige bus echt niet meer verder wou en ik dus maar weer naar het dorp ben terug gelift.

Gister heb ik ook nog een fixe wandeling gemaakt over de bergen hier waarbij mij heel erg de relativiteid duidelijk werd van het alles. Ik begon even tegen de straat op, schudde wat abrikozen uit een boom voor een stel kinderen die echt als gekken over elkaar heen tuimelden om ze op te rapen, en ze waren lekker ook. Toen even tegen de heuvel op, toen nog maar even wat verder over een open veld met grote kuddes schapen en toen maar omhoog naar een klif die je van verre kon zien en bewonderen. De begroeing is hier echt jungle achtig en de bomen erg oerig en groot. Ik klom en klauterde tot ik een half uur voor de zonsondergang boven op de rotsen was met een magnefiek uitzict over de vere landen en de stoffige gele lucht van midden Marokko, waar de zon nu snel daalde en ik de roep van de natuur liet klinken over de verre verlaten bossen. Toen ben ik zo snel ik kon afgedaald en haalde de stad maar net voor het echte donker haar intreden deed en ik over kon gaan op de lichten van de stad. I ben vandaag ook nog voor het eerst in mijn leven naar de hammam geweest en het was echt heel relaxed. Het waren drie eneen geschakelde ruimtes met ronde betegelde gewelven en het was er heerlijk lekker warm, erg warm, nog warmer dan buiten an dat zegt wat want het is buiten echt niet om te harden. Eniway ik heb een uur warm en koud water over mezelf heen gegoten en alles afgeschrobt met mijn washandje en was toen helemaal lekker schoon, om vervolgens weer de hitte in te gaan en binnen vijf minuten weer geheel bezweet te zijn, cest la vie! Samsara.

woensdag 18 juni 2008

8. Van stof tot stilte

En toen nam ik de trein naar Granada. De nacht trein met een echte coupe met gesteven lakengoed en drie echte Spaanse Senores. We boemelden de mooie en minder mooie buitenwijken van De hoofdstad van Cataluna uit en werden al snel ingehaald door het avond rood. Ik sliep de hele nacht zoet en ontwaakte in de eindeloze zee van olijfbomen, de oneindige rijen die het binnenland van het spaanse zuiden bevolken, eigenlijk een triest gezicht als men weet dat er gezegd word dat ooit een eerhoorn van Barcelona tot Almeria kon gaan door de oude eikenbossen zonder ook maar een keer de grond te hoeven raken. Ik bleef die dag reizen tot ik voor mij het wit van de big lodge zag opdoemen in Beneficio. Deze wonderlijke plek, die ik nu reeds twee jaar geleden voor het eerst aan gedaan had, leek mij de beste plek om tot rust te komen en mijn enkel te laten genezen. Nou en tot rust komen lukte zeker, en na vele luie dagen bij de schoone bron aldaar, en de heilzame stemmen van de vele vogels, was ook de pijn die mij tergde als sneeuw voor de zon verdwenen. Eerst sliep ik daar in de Big lodge, een aftanse tipi vol smoezeligge kussens en hippy relekwieen waar soms, als iemand zich geroepen voelt, gekookt word, als er eten is. Later, toen ik Alex ontmoet had, een stoere americaanse no issues chick, verplaatste we naar Casa Maya, waar we uit warmte overwegingen bij gebrek aan dekens en ruimte gebrek een 1 persoons matras deelden dat geloof ik meer gasten had gezien, en jaren, dan er zandkorrels in lagen, en dat waren er veel, geloof me. Casa maya staat half op instorten, en is een ouderwets Andaluciaans huis, geel, van dik steen, en donker dus redelijk koel. En in de prachtigge idillische atmospheer van deze alliantie van vrije vogels baade ik, ook elke dag in het heerlijke heldere bron water, de schaduw, de makkelijkheid van het leven, de vijgen bladeren en de vliegen. Ik leerde ook 3 Californians kennen, Jesse, Morgan en Biscquit die hun eigen kamp hadden gekraakt aan de rivier. En twee dagen later zijn we met z'n vijven de berg op gegaan met een sterretje op en beleefden onbeschrijfelijke avonturen, dat ga ik dus niet proberen, als je er meer over wilt horen vraag er dan maar naar als ik terug ben. Jesse en ik presteerden het iig om met zons ondergang op blote voeten, hij met een puppie in z'n armen op een rotsigge klif te stranden zo steil dat omkeren de enige optie was, om vervolgens te ondekken dat we waren omsingeld door de meest venijnigge braamen en prik bosjes. Hoe dan ook we hebben op een of andere manier een weg eruit gevonden en zo kwam alles toch weer bijna goed. Ik zat een tijd alleen onder de sterren en mediteerde er op los, dat was fijn. Toen Alex en de rest die week vertrokken, voelde ook ik het weer borrelen en zo doende trok ik zes dagen later, op de tiende dag van de tien slang wavespell de bergen in, om te vinden wat niet gezocht kan worden maar alleen gevonden. Drie nachten sliep ik op de berg, op een paradijselijk plek die ik eerder tijdens een wandeling gezien had vanaf hoog er boven, toen ik zat op een uitstekende rotspunt die een wijdse blik verschafte over de hele vallei, en verder. De vage contouren van de Sierra Nevada kon je er zien en daar achter de zee, en nog verder, ja, hoe sterk het ook klinkt, maar ik dacht ver ver aan de horizon Africa te kunnen zien liggen, als een flinterdunne witte streep, die nu naar mij wenkte, om mij in te halen in haar eindeloze zeeen van zand en groen.

De laatste dag kwam ook de herder langs deze plek met zijn kudde, honderden geiten en reusachtigge bokken dwaalden door het dal en zo ook weer weg over de heuvel met hun herder, ja, hier in de zuiderlijke lander leeft hij nog, en trekt Santiago nog elke dag door de smalle strook van leven die hemel en rotsbodem schijd. Vanaf mijn slaapplek onder de ratel populier op het wilde gras waar ik mijn vuurtje stookte liep ik de bergen uit, wilde landen waren het soms maar verloren paden tredend kwam ik al lager en lager. Langs een groots stuwmeer liep ik en toen, na de siesta in een witgeschilderd dorp, door een gigantische canyon, waar duidelijk ooit een krachtigge rivier haar weg doorheen geslagen had, de rivier die nu, door de vele irrigatie, was geslonken tot een kleine stroom, eenzaam in haar veel te grote bedding. Maar de canyon was er niet minder om, ongeloofenlijk hoe mooi, loodrechte rotswanden honderden meters hoog, rood en oranje, verlaten haciendas en wuivende Ecualiptus bomen sierden de trans. Ik liep er door en was ontroerd, ik liep langs de grote weg, en zo stroomde ik samen met de vele vakantiegangers over deze zwarte rivier het strand op, la playa, costa del sol.

En oh hoe lekker was het heldere water, en hoe mooi de kiezels onder mijn voet. Daar sliep ik die avond, als een aangespoelde vondeling maar niet verloren, oh nee, Nu was Africa werkelijk in aantocht. Ik sliep heerlijk en met de dagenraad vond ik mij opweg in de bus naar de punt van Europa, waar ik nog voor het avondmaal, stel dat ik dat had gehad, aankwam. En evenzosnel zat ik op de pont en zag ik Europa achter ons verdwijnen, een steeds kleiner wordende droom zo leek het. Alles word op zo'n moment gevat in een grijpbaar perspectief, en zo kan je beginnen aan de verwerking van wat er is gebeurt, in mijn geval sinds ik voor de laatste keer voet zette aan land van dat continent. Na een klein uur raakte mijn twee verschillende beslipperde voeten voor het eerst de grond van ons oer continent, de geboorte gronden, en de frontier van de wildernis. Zodra we aan land kwamen voelde ik het, snoof de verzadigde lucht op, de stoffige hitte, zag de gezichten van de mensen veranderen, en dook head first in de bewegende menigte van straat chaos, verschillende maten rammalande taxis, krakkemikkige bussen en marskramers met van alles te koop op elke straathoek en er tussen.


Hier, Marokko, zo veel marrokanen ken ik en nu ben ik in hun land. Ik vind het wonderbaarlijk. De eerste Africaanse bus inclusief wiebelende stoelen en verotte bedrading voerde mij door, oh beschrijf mijn verwondering, het groene bossige binnenland. Ik ben nu in Chef Chaouwen, de blauwe stad en werkenlijk ALLES is blauw, inclusief gedeeltes van de straat, de bloempotten en ik binnenkort ook geloof ik, het geeft af. Ik ben als een gek begonnen Arabisch te leren en ken nu al iets van tien woorden met een gemiddelde van twee a drie nieuwe per dag. Ik heb meteen vrienden gemaakt met twee locale boys nl. Oussama en Yousef die mij het hele grote dorp hebben helpen verkennen. Dit is de hemel als je houd van kleine bochtigge steegjes, steile trappetjes vol straat katten en goddelijke doorkijkjes in helblauwe mini hofjes met spelende kinderen. Vrouwen wassen de kleren direct aan de rivier die ontspringt uit de rotsen en de grootste ondergrondse rivier in Africa schijnt te zijn, het is inderdaad een hoop water. Ik geniet elke stap van deze stad uit duizend en een nacht die tot laat in de avond bruist met leven, waar kleine winkeltjes propvol allerlei elke straat flankeren, ezels en geiten gewoner zijn dan motors en autos en waar de imam vijf maal per dag zijn klagelijke roep uit tot gebed door brakke luidsprekers. Voor nu wens ik ieder het beste en Rahima khalla.