maandag 15 december 2008

20. Ouroboros

Ik was dus in Foumban dat op de vooravond van het grootste feest in twee jaar stond. De eerste avond van het Nguon festijn was er veel muziek en traditionele dansen bij het paleis van de Sultan waar honderden mensen samengekomen waren om het 252 ste jubileum te vieren van een overwinning van de twaalfde Sultan over twee of drie andere stammen. Het hele festijn is dat ook een soort afspeling van wat er toen gebeurde en alles erg kleurig en uitbundig. De centrale figuur op de foto hiernaast in het beige is de reusachtigge Sultan en daarnaast de afgezant van de franse ambassade die het geheel sponserd. Er omheen zijn de Sultan's lijfwachten en hoog kamerheren en raadslieden, allen in traditionele gewaden gehuld in de optocht. Op de tweede dag was er een eerboon van alle onderworpen stammen aan de grootheerser. Ik slaagde er in dit hele spectakel compleet te missen omdat ik de vorigge blog aan het typen was in een internatcafe met stroomgebrek. Dit bracht mij echter in een heel aparte stemming waardoor ik in staat was de overigge gebeurtenissen extra te waarderen. Er was een spannende stemming in de lucht en niemand droeg iets anders dan zijn aller beste nieuwste outfit. De meest stralende gehamerde bubu's voor de mannen in vele tinten en hun mooiste witte gebeds kapjes op bestikt met afbeeldingen van de Kabaa of de moskee in Madina, oogverblindende gewaden voor de vrouwen met glitter sjaaltjes of lange kapuchons met gouden ponpon's eraan. Die avond was het een drukte van je welste in de paleis gronden en verzamelden weder nog meer stammen zich er om uren lang te trommelen en dansen in hun prachtige traditionele gewaden met slierten en vele kleuren. Er liepen ook een aantal sjamanen tussen het volk gekleed in hun medicijn kleding behangen met vele atributen. Apenschedels, gedroogde kamelions, adelaarspoten, rieten mandjes en zelfs een met een hele krokodillen kop, een grote tooi op hun hoofd soms versierd met fluoricerende veren. Lang danste ik met deze vriendelijke mensen, alles door elkaar gehusseld, Moslims, wilden, sjeiks, kinderen met zakdoekjes, toeristen. Een groep Pygmeeen uit het bos trommelden en zongen tussen de menigte, zulke zachte eerlijke mensen, hun gezichte straalden ware uitgelatenheid uit en vrijheid van een volk nog niet geknecht maar levend aan wat nu de rand van de jungle is. Er waren raps rapsen en lange trommels en rinkel dingen en houten oer xylofoons en klankhoutjes en er werd met manden gedraaid terwijl ze dansten. Soms moest er even een hoge pief door en dan werd de massa uit elkaar gedreven zodat de sultan zichtbaar werd die op zijn troon zat op het voorpoortaal van het paleis. Laat werd het die avond maar toch was iedereen de volgende morgen weer vroeg op voor de mars naar de stadspoort. Dit onderdeel beeldede uittocht van het verzamelde leger naar het slagveld uit en alle stammen verzamelde zich eerst op het centrale plein, behangen met planten groen en vele met echte speren. Duizenden en duizenden verzamelde zich en marcheerden toen de weg af met de Sultan in het midden. Vele stammen hadden allen hun eigen trommels bij zich en al trommelend bewoog de eindeloze stoet zich voort, soms halthoudent zodat een lokale stamheer eer kon betuigen aan de Sultan als we langs zijn troon kwamen waarvoor dan zijn standaart opgesteld stond. Dit was echt de grootste stammenvergadering die ik ooit gezien heb en bij de poort gekomen werd er massaal gezongen, oorlogskreten werden uitgeschreeuwd en de lijfwachten vuurden hun oude blunderbussen af wat een oorverdovend lawaai gaf. Het geheel had echter een heel gemoedelijke sfeer ookal liep de helft met echte lange speren en zwaarden rond, erg grappig. Dit en nog veel meer was Nguon en over twee jaar is het weer, geweldig. Vanaf Foumban reisde ik in een barrel van een bak richting Kumbo, een stuk mee liftend met een generaal en zijn vrouw over de gruwelijk slechte weg de bergen in waar in de nacht de linten van brandend gras op de heuvelzeiden zichtbaar waren in de verre omtrek. Ik sliep in hun huis die nacht wat ook weer eens een heel ander perspectief gaf, een huis waar je makkelijk tien gewone Cameroense families in kwijt zou kunnen, een luxe praalkamer maar toch een koude douche, het is maar waar je belangstelling aan hecht. Van daar liep ik door de mooie bergen naar Elak-Oku op de zeide van de Oku vulkaan waar ik twee nachten verbleef. De zoon van de locale hoofdman of Fon was gestorven dus was er een begravenis feest. Ja, feest, want aan rouwen doen ze hier schijnbaar niet, gelukkig! Er was een groot diep gat voor de man z'n huis gegraven en vele mensen hadden zich verzameld voor de grafdans. Toen de priester z'n ding gedaan had werd er wat aarde in het gat gegooid en stapten er vijftien jonge mannen in het gat en dansten een speciale aanstamp dans begeleid door extatisch getrommel en het gezang van alle aanwezige vrouwen wat een geweldig geluid was. Zo werd er steeds wat aarde toegevoegd en na ongeveer een uur was het gat vol en danste iedereen er nog eens goed overheen, palmwijn drinkend en maiskorrels etend. Een kip werd geofferd, jachtgeweren in de lucht afgevuurd en de festiviteiten zouden zo nog twee dagen voortduren, wat een verschil met Europa! Ik liep echter verder over de bergen omhoog, langs een groen omringd kratermeer, door de bossen en toen weer omlaag naar de plattere landen die nu wijd voor mij uitgespreid lagen in een sweem van stoffig oranje geel licht. Ik bleef lopen en de volgende dag arriveerde ik in Sabga bovenop een heuvel waar enkel Fulani woonden en dat bestond uit 1 grote famielie van een stuk of tweeduizend man. Ik werd uitgenodigd door een oude El Hadji, een eerbare tietel voor mannen die naar Mekka geweest zijn. Het was erg fijn bij hem en zijn pittige vrouw in huis te zijn, een simpel leven, elke dag mais fufu of rijst, een fris klimaat en innige rust. Ik maakte even een wilde spurt naar een waterval waarbij ik terwijl ik door de jungle liep een traditioneel genezer en sjamaan ontmoette en we dronken samen palmwijn en hij toonde mij zijn huis in het groen wat me erg aan Santa Fe in Peru liet denken. Zou het nog bestaan, is het mogenlijk dat er nu iemand yage aan het brouwen is daar aan de andere kant van de oceaan in een vergelijkbare jungle? Binnen een dag was ik weer terug in Sabga en was het de tijd van het Salat feest, dat viert dat Moses op de berg een ram offerde inplaats van z'n zoon en dat voor moslims erg belanrijk is omdat het ultieme gewilligheid simboliseerd tegenover Allah. In de morgen gingen alle mannen naar een veld buiten het dorp om te bidden op een heuvel (die de berg van Moses simboliseert) en om een speciale preek aan te horen van een soort onder imam. Wederom was iedereen in het fijnst gekleed en de locale Fon reed op een vrolijk versierd paard begeleid door muziekanten en z'n parasol drager. Toen waren er paarden races en na afloop ging iedereen die het zich kon veroorloven naar huis om een ram te slachten, en de rest ging ook naar huis om vlees te ontvangen van hun rijkere familie leden wat een must is omdat er voor islam niets beters is dan schenken aan de armen, zeker als het je familie is (het hele dorp dus) en zeker als het feest is, good stuff. Ik sliep in een eenspersoons bed met de neef van mijn gastvrouw die erg aardig was maar op z'n zijftiende nog niet kon lezen ookal zat hij op de middelbare school, een geweldig voorbeeld van het niet functionerend onderwijs systeem hier in Cameroen, weet zeker dat er genoeg illiteraire generaals en ambtenaars rondlopen die op hun pozitie zitten enkel omdat ze uit een rijke famillie komen. Met een lach en een traan nam ik toen afscheid van deze vriendelijke zielen en daalde in een vlucht van de bergen af en die avond vlogen we in een reuzachtige bus met rijen van vijf stoelen terug naar Douala. Het was niet onprettig weer terug in het blauw bedeurde hotel te zijn waar ik een maand eerder ook had vertoeft en ik liet me de neugten van de stad goed smaken. De laatste dag in het duistere hart van Africa liet ik me verdwalen in de uitgestrekte markt vol pannen en sinasappel verkoosters en ook donkere hoekjes waar terughoudende vrouwen allerhande middeltjes en poeders verkochten gezeten tussen netjes opgestapelde torens doosjes en flessen, manden met wierook, vreemde zwarte bolletjes kruiden en rode aarden ballen. Langs reuzachtige zilveren vissen met bolle ogen en smakkende lippen kwam ik en stuite op de jungle dieren hoek waar krokodillen, een reuzachtige varaan, schildpadden en een soort gordeldier muis achtige wezens in grote getalen in netten een mizerabel bestaan leefden opweg naar de pan. Voor het laatst at ik echte pittige rijst met pindasaus tussen de varkens kotten waar rood gekleurd water door de stinkende goten stroomde en de langharige varkens met roze neuzen mij veel vriendelijker voorkwamen dan de onbeschofte kooplui. De kleur van de straat speelde in mijn ogen, de uitgelatenheid van de mensen, het wilde gevoel, de zwang van Africa was alles daar, ik genoot, ademde en was. De nacht kwam en ging, ik was opweg naar Egypte. Ik ontbeet nog voor de deur op een gammele houten bank, afrikaanse oliebollen met bonen en witte pap en racete toen naar de luchthaven in de warme zweterigge ochtendlucht. Honderd karakteriestieke uitdrukkingen, bruine gezichten niet wetend wat hun noodlot zal brengen maar doorzwoegend. Verstrikt in een hopenloze situatie in een land verstikt door de corruptie, geboren in een land zo rijk van nature, maar geen mogenlijkheid om te ontsnappen aan zijn eigen wurggreep. We vlogen over de woestijn, over Ouagadougou, over de Niger. Uitgestrekte bruine vlakte tot over de horizon. Een verbiddend landschap van stof en steen getekent enkel door de vormen van het zand dat zich telkens anders heeft opgehoopt. Ineens kwam het ten einde, een breuk, een klif, drie linten van de schoonste gele duinenrijen en dan de bergen. Daar lagen voor ons de pieken van de hoge Atlas, de toppen in reine sneeuw gehuld, het landschap verstild en in rust, stromen die zich ruig door het gebergte braken en uitvloeiden in de landen erachter. Boven al dit schoons rees nu de volle maan en kleurde het hemel gewelf roze paars met het laatste licht van de ondergegane zon. Toen doken we door de wolken en waren in Casablanca, ik was weer terug bij waar het allemaal begonnen was, in Marokko. Nu bleef ik echter niet en na zeven extra-psychische uren in de space zone die Casa airport was vlogen we weder de hemel in, zwevend op de golven van de nacht en sliep ik zacht over drie stoelen in een half leeg vliegtuig. Toen het licht werd vlogen we over nu grote wijde duinen met af en toe een zwarte tent en een geitenpaadje door het zand. Gauw werd het groener en toen zag ik ze. Op de rand van de woeling van de stad, omarmd door de huizen stonden de drie stenen reuzen, eeuwig en onoverwonnen. Scherp en duidenlijk in de schemering van het pre-zonsopkomstelijk licht. Ik was zoo ontroerd, geraakt door deze droom die ik nu werkelijk onder mij zag, Oh man, oh wat zijn jullie ongeloofenlijk mooi en krachtig, Piramides van Giza. Ik werd recht de chaos van Cairo slingerd maar ervoer het niet als onprettig, een gigantische maar niet overweldigende stad. Er heerst een soort orde en het voelt alsof er over nagedacht is. Hoe rijk lijken nu ineens de hoge huizen, de viaducten en de stoepen. Ze hebben zelfs stadsbussen en een metro, wat een innovatie! Een rustig hotel vond ik in een echte volksbuurt met een balkon met withouten luiken dat uitkijkt op de straat vier verdiepingen lager waar felverlichte tuktuk's rondkarren, de was uit de ramen te drogen hangt en af en toe een paardenkar voorbij komt beladen met velen rinkelende belletjes. Ik heb Cairo verkent en genoten van de culinaire rijkdom. Godelijke falafel voor 15 cent, Verse vruchtensapjes voor je neus geperst, echt brood, goed water gewoon uit de kraan, feta en olijven, yesss! Gisteren was ik ik het Nationaal muzeum en verwonderde me over de kollosale stenen beelden en pilaren van Achnaton en Ramses II, verbaasde me over de enorme stenen tombes met hun massieve deksels, vergaapte me aan de schone gekleurde hyrogliefen en de duizende fijngemaakte beeldjes. En dan was er Toeth-Ank-Amun, de zoon van de zon. Simpelweg gehypnotiseerd was ik toen ik in het gouden gezicht keek, in bliss gezeten tot hij diep in mijn ziel doorgedrongen was. Er spreekt zo'n goddelijke vrede en volmaaktheid uit van die ogen die op de andere wereld gericht zijn. Ik weet, het is een masker, maar de volmaaktheid die de kunstenaar die het gewrocht heeft erin heeft gelegd is werkelijk betoverend. Dat onze menselijke cultuur zoiets heeft voortgebracht vind in wonderbaarlijk en vervreemdend tegelijk. Zoveel goud verzameld uit de rotsen, zoveel uren spendeerd in het vervaardigen van de drie gouden sarcofagen en de tientallen gouden en glazen sieraden van eindeloze rijkdom. Wat een cultuur, zo lang geleden al, wat een waar wonder. Zo was ik weer tussen de Arabiers en leer ik wederom hun intrigerende tong.
Weder ben ik in de Sahara maar nu aan de andere kant van die zee van zand. In marokko verzette ik mij vaak waneer ze deden alsof Marokko geen onderdeel van Africa was, maar nu ik er geweest ben ben ik steeds meer geneigd met hun in te stemmen. Deze oceaan van eindelooze leegte is zo bepalend, de lieden aan gene zeide zo totaal verschillend, dat het onlogisch lijkt het als een continent te beschouwen. Wat ik echter aan beide zeiden gelijk heb ervaren is dat er zulke vriendelijk en welkomende mensen leven, het eerste wat vaak over hun lippen komt, 'Welcome to Cameroon, Welcome to Egypte'