MANGOES, MANGROVES, EN MALARIA
Drie dagen in Dakar was meer dan genoeg en ik ontvluchte de stad in een wolk van stof en uitlaatgassen en pinda verkopers die in de file waarin we stonden van alles probeerden te venden aan onze barreligge Mercedes bus en zijn bezwete inzittenden. In Dakar had ik nog het genot om op mijn laatste avond daar te vertoeven onder een reusachtige ceibal boom die oprees tussen de veelkleurigge sloppen. Haar majesteuze takken uitstrekkend ver boven de kleine moskee waar de gelovigen hun avond gebed deden en waar de dikke wortels zich onder het vuil van het zwarte straatoppervlak gewroet hadden. Het is mango seizoen en langs iedere straat van elk dorp waar een bus doorheen komt bloeit dan ook een hevige mangomarkt op waar stapels gele, groene en rode vruchten in hoge torens in manden opgestapeld staan te wachten op de potenciele kopers. Ik reisde verder naar het strand van Le petite cote en resideerde in het prachtig gelegen SoboBade space, een waar toeristen paradijs vol pompeus gesculptuurde beelden van zwart vulcanisch steen en wuivende groene dennen takken. Omdat het dormetorio vol was kreeg ik een schattig kamertje toegewezen boven de ingang van het gebeuren met een puntig rieten dak en leuke halfronde raampjes, maar geen klamboe. Ik zwom heerlijk in de grote golven en zag hoe de vissers boten, helder beschildert, terug kwamen van zee en overspoeld werden met dorpelingen die allen probeerden de beste vis te bemachtigen. In de ochtend werd ik wakker met een vreemd kuchje en en licht wazig gevoel wat snel sterker werd en ook had ik het bij vlagen erg heet en dan weer koud zover dat kan in deze hitte. Na een aantal uren begon ik ook hoofdpijn te ontwikkelen en voelde ik me ronduit als een belabberde dwijl. Ik besloot voor de zekerheid naar het dichtbijzijndste hospitaal te gaan en na een hobbelige rit in het aan mij voorbijflitsende baobab landschap stommelde ik uit de taxi en werd al snel gediagnostiseerd met P. Falciparum, of tewel De Malaria parasiet en een koorts van 39.9. Ik begon terstond met mijn malaria kuur ter zijde gestaan door een gram paracetamol en een gram vitamine C per dag. Ik lag twee dagen in bed en baade in het zweet. Ik waggelde nog twee dagen in het resort rond ter revalidatie en aansterking met pizza en banaan en was toen weer min of meer de oude. Ik ervoer het niet als een echt zeer onplezante ervaring en voelde me tijdens de hoogtepunten eigenlijk een beetje alsof ik onder de acid zat, heel open en helder en liefdevol. Of dit door de medicijnen kwam of door de ziekte weet ik niet maar het was wel bijzonder. Ik maarkte me toen uit de voeten, letterlijk, en liep de tien kilometer naar het volgende dorp over het strand.
Het was een mooi strand vol wit zand en mooie gekleurde stukken plastic en allerlei kleuren gebroken glas en schitterende dode vissen en zelfs een aangespoelde halfverteerde zeeschildpad. Op een gegeven moment moest ik een leeglopende slufter oversteken met al mijn spullen op mn rug, nou dat was wel even spannend. De in het wit gehulde figuur hier op de foto is de eerste en grootste Marabou hier in Senegal. De Marabou brotherhood is officieel een sufi navolging ookal heeft het hier noggal andere vormen aangenomen. In menig grotere plaats vind je op elke straathoek fel gekleurde rasta achtigge types met dikke kettingen en fotos van hun des betreffende Marabou om hun nek genaamd de Bayfall, maar het zijn dus moslims. In Popeguine gekomen scoorde ik een gezonde lunch bestaand uit een hele witte baguette of wat daar voor door moet gaan in deze contreien met margerine en locale chocopasta die grotendeels bestaat uit pindas, nou voelde in me even mister healthy, poeh. Ik nam de taxibus terug naar de grote weg, nu, dit was zowaar echt een van de drie meest brakkige rijdende barrels die ik ooit bereden heb, wat een wonder dat het oberhaubt nog op zn wielen kan staan. De deuren gaan op slot met een knip, ik kijk zo langs de versnellingspook hendel bout de straat op, geen vezel van de bekleding is nog aanwezig, de voorruit is een soort modern glaskunstwerk van lijnen en barsten, het gehele dashboard ontbreekt, er is enkel een gat waar het stuur uit steekt, vering in geloof ik ooit verkocht en ontbreekt totaal, en dan maakte ie nog best vaart met dat ding. Aan de weg kocht ik vier kolossale mangos voor tachtig cent en reisde door de groene savanne landen naar Mbour waar ik wederom aan het strand overnachte. Mbour in een vissers dorp en er liggen dan ook honderden kleine en reusachtigge palauws op het strand allen met krullende figuren en letters erop in vele kleuren. Ik aanschouwde de instant strand vismarkt waar ook grote zeeslakken medogenloos verbrijzeld werden en op hopen geslingerd. Kijk je kan best vis vangen, je kan best elke dag een hoop vissen uit de zee halen en die dan koken en opeten. Maar als je bevolking in honderd jaar vertiendubbeld en de mensen uit het land trekken naar zee en je verkoopt je visrechten aan europa en je bouwt tien keer zo grote boten met biutenboord motor en je stopt met groente verbouwen omdat vissen makkelijker is en groente word gezien als minderwaardig. Al deze factoren tellen een keer op en dan trek je dat af van de vissen in de zee en hun regeneratie snelheid. Nou dan zijn er dus geen vissen meer en ga je over op grote sponzigge slakken, simpel toch? Mbour stonk dus erg naar vis en de volgende dag ontving ik mn eerste tropische stortbui en waade door de straat naar het busstation en op naar The Gambia. De modderigge grens was niet echt een geweldig welkom in dit makkelijke landje en het begon al bij de grens met smeergeld. We baggerden met de bus door een modderstroom in de stromende regen en werden in een rit van een half uur drie keer gestopt voor politie checks voor we bij de pont kwamen. Ik zag de regen in de zoeklichten van de pont op het woeligge water maar haalde het tot Banjul, het hoofdstadje. The Gambia is het kleinste landje in africa en het bestaat uit slechts een stuk van een rivier. Nu is het wel een grote rivier, dat wel, zeven kilometer breed. Ik zat goed in de financiele penarie in Banjul maar kwam er na een boel heen en weer gependel en met hulp van het Hollands monitair fonds voor gestrande Gabriels snel weer uit en bevond mij zo na twee nachten in het huis een dorp verder van twee Nigeriaanse broers die ontmoette op straat waar zij heerlijke baksels verkochten van zwarte bonen en wortel. hun huisje was meer dan basic maar ik genoot van hun gastvrijheid en we konden praten in engels, wat een heerlijkheid na al het frans dat ik in de voorgaande landen tegenkwam. Verder zuid trok ik nu weder de Senegalese grens passerend en me bevindend in de Casamance regio, een paradijs van goene weelde, wateren en bevogelde palmerijen die ronde lemen huizen overschaduwen met rieten daken. Hier ben ik nu al een week en loop onder de grote formager bomen en tussen het dichte gewas en de lianen.
Oh hoe goed is het om terug te zijn in de Jungle en de kruidige stoom op te kunnen snuiven en de verschijdenheid aan kleurige vogels te kunnen zien en horen vanuit mijn warme beklamboedde bed. Hoe heerlijk om te voet te reizen over de rode wegen en zo dich te zijn bij de natur waar ik zo van houd. Hier ben ik waarlijk levend en mezelf, ik word gevoed door al het leven om me heen, de reuzen bladeren en dikke stammen. Eergisteren werden twee andere toebabs en ik uitgenodigd voor een wandeling door een klein wonderschoon dorp, letterlijk, er was nog geen afval te bespeuren. Alle aardkleuren samen weerkaatst in schone poelen vol waterlelies in bloei. Vrouwen waren bezig de reist te ontvliezen in een zelfgevlochten mand. Hier is het nog rustig, zonder stroom, zonder heel veel, maar ook met heel veel. We kregen vers uit de grond getrokken cassave aangeboden in het huis van onze gids zn familie en ook apenbrood van de Baobab wat licht zuur en erg smakelijk was. Wat een evenwichtig leven, waar de mannen voor hun iniciatie een maand en acht dagen het bos in gaan in traditioneel gewaad en kralen kettingen, wat een rust. We liepen terug naar ons campement door de uitgestrekte reist velden helder groen en dichte mangrove bossen stevig geworteld in de natte modder waar hun puntig zaad moeiteloos weder opspringt omringt door honderden kleine krabbetjes met een grote en een kleine schaar. Gisteren omweerde het zo machtig en streek de bliksen twee maal vlakbij in de bomen helder roze en lichtgevend blauw. Ik douchte in de vele dikke druppels en was zo heerlijk doorweekt en nat en zag de verschillende kleuren stromen samenkomen op de grond. En later, toen het donker werd, hoorde ik de harmonisch stemmen in het kleine kerkje die gotische liederen zongen voor een gevlogen ziel en zag de wolken donker worden in een onbeschrijfenlijk kleur beuge, oranje, aubergine met vleugen lichtblauw en sliep heerlijk, nu wel onder een klamboe.