Toen de avond bezig was te vallen in de kleine uitgedroogde stad Laayoune, gaf ik mijzelf wederom over aan de vlucht van de bus en reisde in vliegende vaart door de nu duisterende woestenij, gedeeltelijk in de bijrijdersstoel van de bus gezeten om het gebroken wegdek onder me te zien wegschuiven en te kunnen waarnemen hoe de lichten van onze tegenliggers reeds kilometers ver zichtbaar waren als het enigge object in de nacht. Op een onchristelijk uur, wat hier in deze landen van Mohammed geloof ik elk uur van de dag is, arriveerden we ineens in Daghla, de laatste stad van marocco, in het hart van de Westerlijke Sahara. Een peninsula nouwelijks boven het zeewater uitstekend doch in de meest visrijke wateren ter wereld zodat al die hier wonen werken in de viswereld. Ik maakte een wandeling, in een poging de grote landtong over te steken. Eerst liep ik door de verkleurde en afbrokkelende buitenwijken getergd door het eeuwig striemende zand, dan de grote leegte, toen een hele buitenwijk waarvan de infrastructuur en alles er reeds stond, maar de huizen nog misten, en mensen heftig bezig waren kleine stukjes af te bakenen en uit te meten. Toen,
daar aan de rand van deze halfbeschaving, de vuilvlaktes. Eindeloze zwarte plastic zakken, gebroken en verkleurd glas, en rottende schoenzolen lagen hier tot aan de horizon uitgespreid hun tijd af te wachten, en niemand die het ziet. Eindelijk dan daar, was de rand van het land en stortte het vuil zich samen met de rotsen in de golven die nog immer blauw en helder leken. Maakt het echt uit? Is het niet slechts een gebrek van ons verstand dat we dit als slecht zien. Als wij een process zijn, is dit dan niet gewoon een deel van ons bestaan dat we moeten leren accepteren. Ik liep langs het strand onder aan de rotsen door het met schelpen en gebroken tegels gevuilde zand. Sprong over kleine zwart groene stroompjes en vond daar tussen de rotsen een verkleumde natte zilvermeeuw, die ik in een sjaal wikkelde en onder mijn arm meenam tegen zijn zekere dood, of zo dacht ik. Ik nam hem mee in de taxi terug de stad in en liep een heel stuk terug naar mijn hotel, tot grote verbazing van de vele stedelingen, die liever alles opeten wat beweegt. Ik liet hem op het dakterras van mijn auberge rusten en ookal kon hij niet vliegen, later op de avond was hij toch gevlogen. Osho zij het al, je kunt niemand helpen, het is een grote ilussie. Al liftend naar de plek van de lange afstand taxis net buiten het dorp stapte ik in een auto met vier mannen die ook naar de grens bleken te gaan, was dat even een geluk. Nou, dus zo reden we in vliegende vaart eerst de penninsula af, langs een hemelse platte vlakte in de oksel van de landtong waar het ondieppe water perfect was voor windsurfels, en die waren er dan ook, met caravans en al, hier, op het einde van de wereld. We reden zo snel omdat de chaufeur dacht dat de grens om zes uur sluiten zou, dus raceden we langs de uitgestrekte droogtes van korrelig witte aarde, steen en bultigge versteende kamelen, of zo beelde ik mij hen in. Bruine korstige hoopen versleten steen die het landschap aanzienlijk verruigden afgezien van de bordjes die waarschuwden voor landmijnen. We kwamen op tijd bij de grens en mochten er als laatsten over om vervolgens lang te mogen wachten op een simpele stempel marokko uit. Hierna ging het ruig door een stuk niemandsland zonder enigge weg (in onze oer mercedes met bagger vering) en waar iets van een spoor was was het muller dan een zandbak en veraddelijker dan een kameel op rolschaatsen, en we zagen dan ook de lieden die voor ons de grens over gegaan waren hopeloos vastzitten in het zand. Na heftig sturen en veel gewijs kwamen we in de richting van de grenspost die je hier maar moet zien te vinden in het midden van het niks, niets om je tegen te houden er langs te gaan, het is je eigen verantwoordelijkheid of je erdoor gaat of niet, met slagboom. Daar zat ik in de zinkende zon die zijn laatste stralen over het woestijnzand strooide en al gauw waren we weer opweg, nu weer over een weg die soms half werd overspoeld door grote duinen. We kwamen in Nouadhiboe aan uit het duister het licht van de stad in en nu in Mauritanie. Ik liep door de zanderigge straten voor lange tijd maar slaagde er niet in een slaaplaats te scoren dus sliep ik die nacht in het aangrenzende Cansado op een clif voor het enige hotel aldaar op zachte conifeer takjes en zag in de morgen hoe de baai waar ik over uit keek verzadigd was van glimmende vissen die uit het water opsprongen in de stralende zon van puur genot. Er is een trein, de langste trein ter wereld, met zo'n 200 wagens en een totale lengte van wel 2.3 km.
Deze nam ik, vertrekkend vanaf een station midden in het niks naast een baai vol veroestende oude scheepsvrakken. Eerst trok er een oneinigge lange rij lege wagons aan ons voorbij, tot op het allerlaats er een afgeragde wagon verscheen voor de passagiers. Er was een hysterie om een zitplaats te bemachtigen op een van de zittingloze stoelen in een van de vuile coupes. Ik slaagde daar gelukkig in en reisde in deze oude trein (uit nederland) door de vlaktes. Zand en steen, zand en droogte, droogte en uitgestrekte leegtes, knoestige verdraaide doorn bosjes, kuddes kamelen en een enkel huisje in het niets, in het duister. Ooit was het hier groen en grassig en leefden hier olifanten en giraffes, groeiden hier grote bossen en vele planten, nu groeit hier niets, is er geen regen om van te spreken en heerst er immer de wind. Lang reden we door de nacht om in het duister te arriveren, waar? In Choum, het einde van de wereld. Geen hotel, geen, ja eigenlijk helemaal niets behalve huizen en de zelfde koekjes en cola winkeltjes die je in de hele wereld tegenkomt. Geen stroom, geen water, geen gas, houtskool en thee uit mini glaasje met heel veel schuim waar ze hier erg op gesteld zijn. Dat wel. Ik besloot hier een dag te blijven en sliep onder de sterren net als alle dorpsbewoners omdat het te heet is om binnen te slapen. Het stof waaide over mij en de volgende dag was het er nogsteeds toen ik na de middaghitte (die vanaf zonsopgang tot zonsondergang duurt hier) een wandeling maakte naar een nabijgelegen berg. Een eenzame zwarte pinakel van verbrande aarde en korstigge rotsen zwart en heet. Ik liep er recht op af langs skeletten van kamelen en uitgedroogde ezel carcassen die lagen te verdrogen in het zand. Boven op de trant gezeten overzag ik de verre vertes, de andere eenzame punten van bergen, ooit wellicht vurige vulkanen geweest, toen eilanden in het water, nu in het zand. De woustijn gloeide grijs en bruin en de tinten bliezen mee in de wind en streken door mijn wimpers en haren. Het dorp lag nietig ver in het niks en de trein reed er door en stak er aan twee kanten nog ver uit. Met het laatste licht daalde ik weder af en vertrok die nacht met de jeep naar het zuiden. Het was een prachtige rit, achterop de laading van de 4x4 gezeten gewikkeld in mijn tulband en deinend over de golven van de
dessert. Bij het morgenlicht zagen mijn ogen palmbomen en meren die de lavendelblauwe lucht weerspiegelden en reden we de oase in die ik die middag al weer verlaten zou, gebonden voor Nouachott. Eerst waren er stenen en droge bosjes. Dan plat zand, Dan korsten beige modder met aan de horizon zwarte bergen en hel gele duinen. Toen was het een maanlandschap van verschroeide stenen, dan een uitgestrekte witte vlakte van zoute aarde zonder enig begroeisel en witte duinen. En toen de stad. Een hoofdstad waar bijne geeneen van de straten geplaveit is maar het meer weg heeft van een reuzachtige beachtown. Alle mannen dragen er traditionele witte en hemelsblauwe gewaden met gouden bestiksels in wilde figuren. Alles is geimporteerd, behalve de dadels, die zijn goddelijk vers en in overvloed.Ik was hier een dag om te rusten en me aan te passen aan het gevoel van Africa, het ware wilde Africa, waar ik zo lang op heb gewacht. Ik trok met een reiskameraad verder door het continu veranderende landschap, nu meer platte bomen en groen savanne landschap, fel rode duinen, met strepen wit erdoorheen dan weer open weiden en koeien, ja, de kamelen waren nu niet meer, het is hier te sappig. We kwamen aan de reusachtige rivier de Senegal en staken die over in een oude houten sloep beschildert in goene en
rode en gele tinten, de kleuren van Senegal, de kleuren van Africa. In St. Luis kwamen wij die avond en daar sprak ik weer met de eerste andere westerlingen sinds weken, een vreemde ervaring. St. Luis is een prachtigge mengeling van het oude Franse coloniale en het zwarte zuiden. Jazz klinkt er uit de duistere rokerigge cafes en roestigge ijzeren balustrades decoreren de sierlijke balkons. Net voor we verder gingen zag ik een reuzachtige 'vinger' boom vol vliegende honden al kweterend en de eerste papaya struik deze reis. We reden verder, vanaf de overvolle busparkeerplaats met Bissap en mangos. We reden door Senegal en zagen nu grote Baobab bomen in goepen en aleen in het landschap vertoeven. Het is hier weer tropisch, het was al tropisch maar er was geen water, nu zijn de duinen begroeit en ben ik in Dakar. Het is een beest van een stad en het stinkt. De bussen zijn prachtig beschilderd geel en groen en overal klinkt het Alhemdoulillahi. 
rode en gele tinten, de kleuren van Senegal, de kleuren van Africa. In St. Luis kwamen wij die avond en daar sprak ik weer met de eerste andere westerlingen sinds weken, een vreemde ervaring. St. Luis is een prachtigge mengeling van het oude Franse coloniale en het zwarte zuiden. Jazz klinkt er uit de duistere rokerigge cafes en roestigge ijzeren balustrades decoreren de sierlijke balkons. Net voor we verder gingen zag ik een reuzachtige 'vinger' boom vol vliegende honden al kweterend en de eerste papaya struik deze reis. We reden verder, vanaf de overvolle busparkeerplaats met Bissap en mangos. We reden door Senegal en zagen nu grote Baobab bomen in goepen en aleen in het landschap vertoeven. Het is hier weer tropisch, het was al tropisch maar er was geen water, nu zijn de duinen begroeit en ben ik in Dakar. Het is een beest van een stad en het stinkt. De bussen zijn prachtig beschilderd geel en groen en overal klinkt het Alhemdoulillahi. 