woensdag 28 mei 2008

6. Our Woud

Ik keerde een hoek, liep een lange straatweg uit, vroeg de weg en werd verteld dat ik de bus moest nemen maar ik zei, nee, ik kan lopen. Ik kwam weder aan de oh zo grote Maas, en na een moment van rust aan het water waar een witte zwaan haar maal binnen haalde uit de drekkige bodem, belde ik Dionne, een goede vriendin, en gelukkig kon zij mij onderdak bieden tegen de nachtelijk koude. Nog die avond trede zij op samen met Dirk en the Dirkettes, een slammende coverband die de hele tent mee nam op goeie ouwe 90ies nummers, waar ik ook erg van genoot.
Het was de hele week stralend weer geweest, ik verbleef slechts een half uur in Dionnes huis en toen ik weer buiten kwam was het bewolkt. Toen ik die avond op wag naar het concert even een Maastrichtrse coffeshop binnen liep, waar ze trouwens do mooiste muren hadden met wel honderd lagen grafitty er op, was de regen begonnen toen ik weer buiten kwam. Oh wat is alles toch logisch als je in het ritme van het universum kunt dansen. Die middag was ik ook nog de Sint Servaas kerk binnen gelopen waar ik van een der gedienden een mooie rondleiding kreeg die van de wortels naar de hoogste sferen leide. Tot de keizers zaal, waar een gouden koepel van puur zandsteen boven onse hoofden spande, reikend naar het licht, de goddelijke hoogte in, daar, waar de engelen van het licht en de wetende hand in hand kunnen dansen. Daar, waar er geen verschil is tussen hemel en aarde, omdat al die het zien weten, dat wij reeds leven in drie stromen land.
De dagen verstreken zoetjes in de Maasstad. Mijn lief kwam mij daar bezoeken in wat leek een celestijns moment, een droom betovering buiten de werkelijke tijd en maat, waar alles slechts bepaald werd door ons ieders wens tot innig samen zijn, en die werd vervuld, mooi en eerlijk.
Zondag was er een bombastische processie in de stad en ik liep er door op weg naar mijn doel. Er waren vele mannen in menig kleurig gewaad gestoken die grote vaandels droegen verpakt in plastic tegen de regen. Er was een groep vrouwen en mannen die brood uitdeelden aan de menigte, en vele famfares met hun prachtige uitdossing en glimmende instrumenten, en veler standaard hoog, versierd met een honderd zilveren bellen die tezamen zongen als een koor van nachtegaaltjes. Ik trad de straten met palm takken en bloemen gespreid en zocht het pad de heuvelen in, nu naar het land der Wallonen waar men enkel het Frans als taal voert en het voor mij dus, als leek op dit gebied, een extra uitdaging zou vormen. Doch sliep ik die nacht, en ook de volgende, onder een simpel maar degenlijk dak, niet te koud en wel gevoed. Ik geraakte al lager en lager, daar onderin Belgie, ever rustigge heuvels en dalen vol rijk gewas, waar mijn gemoed, even als mijn beblaarde voeten, te lijden had onder de lange weg die ik begaan had. Die avond gaf ik het bijna op, maar besloot er maar over te slapen, en keerde mij dus tot de locale jeugdherberg, waar ik mij van alle gerieven bediend vond.
Ik sprak af met mijn moeder Anita om rendevous te maken in Luxemburg, en zo was het dat ik de volgende dag toch weer verder liep, door het schoone groene landschap met de milde heuvels, lange dromerigge bomen reien en oude verkronkelde vlechtheggen. Ik geraakte in een soort milde waas van rustigheid die mij met gemak over de luxemburgse grens voerde. Nou ja, bijna, eerst liep ik nog even een berg verkeerd op en neer bij het grens dorpje Ouren, maar ook dat was leerzaam en uiteindelijk goed. Ik liep het wonderschone Ourdal in en werd verbaasd, verstils en verwonderd. Zo een natuurlijke schoonheid komt een mens niet vaak tegen.
Zo een heldere rivier, bij tijden woest en krachtig, en dan weer kalm en gewillig als een zachte zalm. Ik sliep ook daar, in de pure natuur, en liep ook nog de volgende gehele dag door het Ourdal, tot het kasteel van Vianden boven mij op rees, als een rotsig spits pinakel torenend hoog boven het groene dal. Ik ontmoette inderdaad Anita daar en de volgende drie dagen spendeerden wij samen in de omgeving. De eerste dag reden wij in haar auto over de mooie ronde Luxemburgse bergen, die erg bekend toekwamen, naar het Hallerbach dal en keken daar onze harten uit. Ik was hier reeds geweest als jong ding maar nu ervoer ik het geheel als nieuw. Het sprankelende water spatte guitig tegen mijn handen toen ik het ging begroeten en de bomen wuifden allemaal naar ons. Dik mos groeit er op de grijze rotswanden als een luxe tapijt met lukraak een helgroene varen als was het ter illustratie. Vele generaties bomen, gedierte en steen grootvaders leven hier tegelijker tijd in en rond om het altijd stromende maar constante water. Dit water, dat totaal wil loos is, wiloos en tegelijkertijd absoluut on stopbaar. Een hele diepe vellei is reeds uitgesleten, rotsen, bomen, planten, vogels niets dat het tegen kan houden. En toch, waneer ik mijn hand voorzichtig in het water steek, stroomt het er zachtjes langs, een koele streling zonder enige dreiging. Ik voelde mij geaddopteerd door deze plek, zo zen, zo vloeiend, zo natuurlijk dat het ik, bijna ophoud te bestaan.
De volgende dag hebben wij wederom gewandeld, maar nu een wilde wandeling door, over, en om hekken, paden en koeien, geiten die erg graag geaaid werden en uiteindelijk naar de Nommenlyen, een dal met gans hoge rots partijen waar je op, over en tussendoor kunt lopen, wat wij ook deden. we zagen daar ook de wonderbare zandsteen rotsen die zijn uitgesleten tot een sponsachtigge structuur van gaten en mini grotjes waar zo als wij zagen ook een bunzing tussen leven kan.
Mijn tijd met mijn moeder kwam tot een einde en we spendeerden de laatste ochtend en middag op het grasveld naast ons hostel in de prachgtigge zon. Ik twijfelend wat te doen, zij helpend en ondersteunend als aleen een echte gelijke ziel dat kan. En wat ik toen deed, dat laat ik nog even in het ongewisse, want dat is nou spannend.